Radiokunde

"Gooi een atoombom op Hilversum.' Dit is een van de onvergetelijke regels uit Heet van de naald, het lange gedicht van Max de Jong.

(Een goed voorbeeld van de "ironie der geschiedenis': Bijna een halve eeuw later probeert een naamgenoot van de dichter op vreedzame manier, dus vergeefs, zijn krachten op die krater van lawaai.) Het tettert door, niet alleen uit Hilversum maar van overal waar radiostations gevestigd zijn. Max de Jong, de dichter, wist vergelijkenderwijs nog nergens van. Sinds hij die regel schreef, is de transistor uitgevonden, zijn de rock, de pop, de reggae, de heavy metal, de disco en de rap gekomen en nog het een en ander; de Beatles en de Stones, en in hun achterhoede dreunt een zich steeds vernieuwend heirleger van derderangs treurnis. Ze zijn nergens meer te vermijden. Ze zijn in de cafés en de vliegtuigen, ze komen als roestig geschraap uit de walkman van je buurman in de tram, ze zeuren in de lift of brullen van de bouwsteiger, ze braken je tegemoet uit de winkels en passerende auto's, je komt ze tegen als het weer dat altijd stinkt naar uitlaatgassen. Het geram en gedram is de constante begeleiding van je leven. Daardoor krijgt iedereen er vanzelf een beetje verstand van. Graag vergelijk ik mijn wetenschap met die van de lezers die op deze manier, bijna spelenderwijs, hun kennis hebben vergaard en geordend.

Ik onderscheid:

1. Het genre dat tegemoet komt aan de eisen van de opstandige jeugd. Het zo hard mogelijk raken van trommels, bekkens en gitaren, met teksten waarin te kennen wordt gegeven dat de liefde verloren is of de toekomst überhaupt geen zin heeft.

2. Brits-proletarisch. In aanleg al herkenbaar in de Beatles. Alle t's worden uitgesproken als ts's. Sleutelzin tot alle "lyrics': I was a waitress in a coffeebar. Het meisje wil hogerop, de jongen kan niet aan haar eisen beantwoorden, nasaal ritmisch zeurgezang. Beiden dreinen weg in een toekomst die George Orwell al voor het Britse proletariaat heeft voorzien. De mannen dragen het haar in een staartje, een ringetje in beide oren en armen en rug getatoueerd. Dronken en bij voetbalwedstrijden straalbezopen. Slaan alles was ze op hun weg tegenkomen kort en klein.

3. Eurosongfestival. Tragische zangeres die met lange uithalen onverstaanbaar is en blijft, traag pompend ritme en een apotheose die wordt bekrachtigd door een "achtergrondkoortje' voor nog langere uithalen; of speelse zangeres, met ritmesectie sneller pompend en sirtaki-invloeden in de compositie; suggestie van zonsondergang en een tijd die nooit meer terugkomt.

4. Disco. Zeer nadrukkelijk pompen, harde slagen op alles wat slaag kan krijgen, geen begrip van tijd meer. Niets nieuws aan toegevoegd sinds het genre is uitgevonden. Dringt door ieder geluidwerend materiaal heen.

5. Rap. De geluidsversie van de graffiti, even overschat, dezelfde combinaties van sjablones, platheid en brutaliteit. Kleine audiocriminaliteit.

6. Het sportverslag, dat ik tot de muziek reken omdat het in alle talen hetzelfde klinkt. Anders gezegd: zelfs al versta je er niets van weet je toch meteen dat het over voetbal gaat, het is een vorm van zingen. Er zijn twee ondergenres. Het wedstrijdverslag loopt dikwijls op van dof, laag en eentonig naar sneller en hoger tot maximumsnelheid die plotseling in een hysterische ontploffing of uitzichtloze berusting eindigt. De opsomming van de uitslagen is een litanie, een gebed; ook meteen herkenbaar door de monotone devotie. Zo klinkt het Onze Vader zelfs in het Esperanto of het Volapuk altijd nog als het Onze Vader.

Misschien wel twintig jaar geleden wilde ik medestanders vinden om een radiostation op te richten dat in ieder geval de volgende genres niet zou uitzenden: getrommel uit de Derde Wereld, Israelische pseudovolkszang, Frank Sinatra met My Way en New York, popzang tegen kernwapens en kapitalisme, Nederlands cabaret, Jezusrock en relipop, Griekse volkszang, pop met Indiase invloed, en plattelandsliederen op zondagochtend. Daaruit blijkt dat het radiorepertoire zich wel ontwikkelt; de indruk dat het sinds de transistor en de jaren zestig niet is veranderd, is bedriegelijk. Maar ik geloof dat ik me niet vergis als ik vaststel dat nog iedere dag meer radio's aanstaan, en dat wat daardoor ten gehore wordt gebracht naar genre misschien wel anders is geworden maar niet in zijn lawaaidrein, zijn zwakte, de dunheid van de stemmen en dat allemaal verenigd in de onbarmhartigheid van het alom aanwezige in continubedrijf. Anders gezegd: er is geen plek ter wereld meer en geen moment van het etmaal die de zekerheid geven dat je niet opeens door een, twee of drie radio's zult worden overvallen. Dat is weer nieuw: het radiogeluid is altijd overal.

Hoe zal dit onze hersenen benvloeden? De boeren die zich in de vorige eeuw verzetten tegen de komst van de trein, deden dat omdat ze voorzagen dat de koeien minder melk zouden geven. Ze voelden dat er iets ging veranderen; dat na de introductie van de bovenmenselijke snelheid de wereld nooit meer dezelfde zou zijn en daarbij dachten ze aan hun vee. Zo zijn er daarna veel vernieuwingen gekomen in de gevolgen waarvan we ons hebben vergist. Als ik dus denk dat de mens door het luisteren naar radiokabaal, soms uit twee luidsprekers met verschillend gedrein of geschreeuw, er niet snuggerder op zal worden, houd ik er rekening mee dat ik het bij het verkeerde eind heb. Het valt niet helemaal uit te sluiten dat de getatoueerde, met oorringetjes en een staartje versierde burger van het Verenigd Koningrijk, die met een schrapende en knarsende walkman op zijn oren het dagblad The Sun zit te lezen, de nieuwe mens is.

Van harte hoop ik dat hij op zijn eiland blijft, dat de Kanaaltunnel niet wordt voltooid, en voor het overige, dat eens per jaar, een week lang de Aarde in de staart van een komeet zal raken waardoor alle ethergolven onbruikbaar worden.

    • S. Montag