OP ZOEK NAAR DE INTELLECTUELEN

De rol van de intellectueel. Een discussie over distantie en betrokkenheid door Lolle Nauta, Gerard de Vries, Hans Arbers, Sjaak Koenis, Annemarie Mol, Dick Pels, Rein de Wilde 144 blz., Van Gennep 1992, f 29,90 ISBN 90 6012 928 8

In november 1972 schreef Irving Kristol in Commentary, het blad van de gedesillusioneerde Amerikaanse radicalen van voor de oorlog, een sombere grafrede voor de intellectueel oude stijl die volgens hem werd verdrongen door een nieuw soort intellectueel. ""Het probleem is'', betoogde hij, ""dat onze samenleving meer en meer "intellectuelen' opkweekt en steeds minder gewone mensen. Westerse landen hebben nu een grote groep mensen die van zichzelf denken dat ze intellectueel zijn, hoewel ze intellectuele kenmerken volstrekt missen (en vaak zelfs geen enkele intellectuele competentie bezitten).''

Het ging, zo mopperde hij verder, langzamerhand om talloos veel miljoenen personen. Ze bevolkten de universiteiten, de bureaucratie, de media, de non-profit sector. Al deze moderne hooggeschoolden waren wel degelijk intelligent, geschoold, en energiek, maar voor het grootste deel helemaal geen ""echte intellectuelen''. Ze hadden zich slechts de houding, symboliek en taalcodes eigen gemaakt die voorheen onder intellectuelen gangbaar waren. Wat Kristol tot zijn afgrijzen zag oprukken was een New Class, een Nieuwe Klasse van heersers in de postindustriële samenleving. De pseudo-intellectuelen hadden immers een enorme greep op de informatie-stromen, op de produktie van opinies, en op de inrichting van het sterk groeiende overheidsapparaat. Onder het mom van een maatschappij-kritische ideologie, sneerde Kristol, was de Nieuwe Klasse bezig de macht naar zich toe te trekken. Die macht was niet gebaseerd op geld of bezit, maar op scholing en ""cultureel kapitaal''.

Kristol bedoelde met de Nieuwe Klasse eigenlijk niets anders dan de new left, die hem een doorn in het oog was, en met ""echte intellectuelen'' waarschijnlijk vooral zichzelf. Wel kreeg door zijn stuk de discussie over de opkomst van de Nieuwe Klasse, die overigens teruggaat op Max Weber, Karl Mannheim, Thorstein Veblen en Julien Benda (om er maar een paar te noemen), definitieve vorm. Dat had alles te maken met de grote ontnuchtering over de intellectuele pretenties die in het voorafgaande decennium hoogtij hadden gevierd. Het polemische (maar helaas ook nauwelijks leesbare) hoogtepunt van de discussie was ongetwijfeld Die Arbeit tun die Anderen. Klassenkampf und Priesterherrschaft der Intellektuellen (1975) van de Duitse socioloog Helmut Schelsky.

DEFINITIEPROBLEEM

Onlangs verscheen De rol van de intellectueel. Een discussie over distantie en betrokkenheid, een bundel opstellen van universitaire wetenschappers (meest filosofen) rond de Groningse hoogleraar wijsbegeerte Lolle Nauta. Het boek wil een bijdrage leveren aan ""het intellectuelendebat'' en aan het denken over de theorie van een nieuwe kennis-klasse. Dit vanuit het gezichtspunt dat het begrip intellectueel nimmer populair is geweest ""in een links-ideologische context'' en dat pas recentelijk ""de term weer actueel'' geworden is. ""Het is mede aan de crisis van het marxisme en het socialisme te danken, dat er weer over intellectuelen gedebatteerd wordt,'' schrijft Nauta. En: ""Pas nu dus, nu op een enkel land na het "reëel bestaande socialisme' failliet is, kan het onderwerp van de intellectueel en de politiek op de agenda komen.'' Het boek beoogt voorstellen te doen het gebruik van de term intellectueel ""opnieuw te ijken''.

Dat maakt nieuwsgierig, want zoiets is geen sinecure. Er is vanzelfsprekend altijd het definitie-probleem: wie zijn nu precies de intellectuelen? Dan is er de demarcatie-kwestie: hoe onderscheiden we een intellectueel van een niet-intellectueel? (zijn er ook half-intellectuelen?), en hoe onderscheiden we "oude' en "nieuwe' intellectuelen? Voorts rijst de vraag of intellectuelen qualitate qua politiek geëngageerd zijn, zoals in de beeldvorming dat zij voor de oorlog voornamelijk rechts waren en na de oorlog links?

Verder is er de aloude kwestie van het verschil tussen de intelligentsia en de intellectuelen. De eerste term onstond in het tsaristische Rusland in de 19de eeuw als omschrijving van een kleine, hechte en bijna sektarische groep denkers en schrijvers, het tweede begrip werd gemunt in Frankrijk met "het manifest der intellectuelen' ten tijde van de Dreyfus-kwestie. Sedertdien zijn de termen allebei een eigen leven gaan leiden, en in "het intellectuelendebat' (om die uitdrukking maar aan te houden) op de meest verschillende manieren gebruikt. Zowel als synoniemen, als ter onderscheiding van de massa der hoger opgeleiden versus de elite van opiniemakers, en vice-versa - maar vooral onbekommerd door elkaar als borreltafelbegrippen. Ten slotte is er altijd de verraderlijke dubbele bodem dat alleen intellectuelen beschouwingen schrijven over het onderwerp intellectuelen.

AMBTENAREN

""Weinig begrippen worden zo gemakkelijk in generaliserende zin gebruikt als het begrip intellectueel'', schrijft schrijft Sjaak Koenis (post-doctoraal onderzoeker aan de Vakgroep Wetenschapsdynamica van de Universiteit van Amsterdam) in zijn bijdrage aan De rol van de intellectueel. Hij heeft gelijk. En zelden zal zijn gelijk zo treffend en onmiddellijk zijn geïllustreerd als in deze bundel. Met groot gemak wordt gerept van het einde, de ondergang, dan wel het schijnbare verdwijnen van ""de klassieke intellectueel'', ""de traditionele intellectueel'', ""de intellectuelen door de eeuwen heen'', ""de meer negentiende-eeuwse intellectuelen en hun erfgenamen'', ""de moderne intellectuelen'' (bedoeld zijn hier denkers uit de jaren dertig), of eenvoudigweg ""de intellectuelen'', zonder dat de scribenten zich bewust lijken dat nadere uitleg op zijn plaats is.

Alleen Lolle Nauta geeft een definitie: ""Vrijwel iedereen is het erover eens dat een intellectueel meestal de volgende kenmerken vertoont. Een intellectueel is in het bezit van een bepaalde hoeveelheid cultureel kapitaal [...] hij speelt een publieke rol [..] en ten slotte zijn daarbij altijd politieke kwesties in het geding.''

Die omschrijving (""vrijwel iedereen ... meestal ... een bepaalde hoeveelheid'') is toch nog duidelijker dan de gedachten in deze bundel over de rol die ""nieuwe intellectuelen'' in onze tijd moeten en kunnen spelen. ""Een intellectueel uit de jaren negentig is uit op een ander soort gelijk dan haar voorgangers,'' heet het, en: ""de nieuwe rol wordt gekenmerkt door betrokkenheid op een intellectuele stijl en door het afstand nemen van vigerende inzichten'', of: ""Via zijn teksten produceert de bewogen beweger nieuwe contexten, is hij politiek actief''.

Ik kan me vergissen, maar het heeft er alle schijn van dat in dit boek stilzwijgend wordt aangenomen dat een nieuwe intellectueel iemand is die 's ochtends opstaat met de Volkskrant, 's middags een stuk voor de opiniepagina van NRC Handelsblad schrijft, 's avonds naar de deelraadvergadering gaat, om daarna tevreden voor de VPRO-televisie terug te kijken op een welbestede dag. Maar ik durf mijn hand daarvoor niet in het vuur te steken, want De rol van de intellectueel biedt de lezer weinig houvast, anders dan met een scala van blufwoorden ("differentiedenken', "contextualisme', "conceptuele dichotomie') die links en rechts opduiken, en zeer talrijke cursief gedrukte zinsneden die de argumentatie blijkbaar moeten ondersteunen.

Het is de vraag of met deze bundel "het intellectuelendebat' zeer verrijkt is. Onwillekeurig moest ik bij lezing denken aan wat de Leidse historicus H. L. Wesseling eens schreef: ""De intellectueel is een Frans verschijnsel, zoals de professor een Duitse uitvinding is, de onderzoeker een Amerikaanse, en de geleerde een typisch produkt van de Britse cultuur is.'' En Nederland, wat heeft Nederland eigenlijk, behalve universitaire ambtenaren?

De Balie (Amsterdam) organiseert 21 oktober een discussieavond n.a.v. "De rol van de intellectueel'. De Rotterdamse Kunststichting doet dit op 27 en 28 oktober.