OM DE MACHT VAN DE VRIJHEID

Wordt de burgerlijke vrijheid ook door de burger niet meer serieus genomen en zou er binnenkort geen andere vrijheid meer bestaan dan de vrije tijd? Anderhalf jaar geleden uitte J.W. Oerlemans in zijn artikel Een-partijstaat Nederland zijn bezorgdheid over het democratisch gehalte van de machtsvorming en deed hij een beroep op de vrijheidszin als kern van het democratisch bewustzijn. Nu bepleit hij dat de burger zich weert tegen het bederf van de partijenstaat.

Dat het democratische gehalte van onze partijenstaat op een bedenkelijk laag peil is terechtgekomen, is een inzicht dat de laatste twee jaar onder de burgerij wel wat veld heeft gewonnen, maar voor politici heeft deze gedachte nog altijd iets onfatsoenlijks, zo niet iets krankzinnigs. Als hun kwesties voor de voeten worden geworpen als het wegvallen van de politieke keuzevrijheid, de verschrompeling van de politieke controle en de ontwikkeling van een soort eenpartijstelsel, of als zij worden herinnerd aan de schimmigheid van de politieke partijen en de despotische neigingen van hun eigen beroepsklasse, zijn de meesten nergens te bekennen.

Ruim twee jaar geleden, toen dit soort kwesties, op deze plaats uitvoerig aan de orde waren, bleken de inzenders overwegend van mening dat de kwaal en dus ook de genezing, vooral moest worden gezocht in organisatie en management. Met een aantal herzieningen in het politieke mechaniek, met een gekozen dit of dat en met een betere selectie, zouden we een heel eind komen. Het ging tenslotte om beperkte misstanden, zo meende men toen, en die zouden met beperkte correcties kunnen worden verholpen.

Ongeveer tezelfdertijd was een Kamercommissie onder leiding van Kamervoorzitter Deetman een rapport aan het baren dat een soortgelijke beperkte geest ademde. Dat handelde weliswaar over "staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke' kwesties, zoals werd aangekondigd, maar alle grote zaken die daarin aan de orde hadden behoren te komen zoals de grondrechten van de burger, diens wettelijke en feitelijke vrijheden, de onverschilligheid van de kiezer, de functie en de legitimiteit van de politieke partijen, de rol van de volksvertegenwoordiging, de recrutering van het hoger politiek en ambtelijk personeel, zijn bij "Deetman' achterwege gebleven.

De politieke klasse, zoals die reilt en zeilt, heeft er weinig belang bij om het verval van de burgerlijke vrijheden, de politieke kartelvorming of de versuffing van de Tweede Kamer en dat soort halszaken ten tonele te voeren. Men hield het bij het democratisch proces als techniek, de democratie als een vormenleer. Maar ook bij diegenen die destijds mijn aanklacht met meer of minder instemming verwelkomden, ontbrak vaak een principiële stellingname. Er hing toen een grauwsluier over het land, een soort politieke smog die niet alleen de waarneming, maar ook het denken leek te bemoeilijken.

Nu zijn er de afgelopen twee jaar belangrijke veranderingen te bespeuren. Zo is de toon waarmee in de pers soms over politiek wordt geschreven, hier en daar grimmiger geworden. Maar al is de toon dan soms onverzoenlijker en de strekking van de kritiek fundamenteler, deze nieuwe vormen van beredeneerd protest hebben vaak een ondertoon van malaise en machteloosheid. Ook de scherpzinnigste democraten onder de journalisten worden blijkbaar door het gevoel bekropen dat tegen medeplichtigheid aan absurde en ongrondwettige vormen van politiek bedrijven, voorlopig geen kruid gewassen is. Het lijkt er inderdaad op of de instandhouding van de machtsfiguraties in het politiek kartel vrijwel altijd zwaarder weegt dan democratische normen of het belang van de zaak. Men doet soms of de grondwet en museumstuk is en het gezond verstand een vreemde hobby van intellectuelen.

In dit lieve leven van politiek bedrijven spelen argumenten allang geen rol meer. Men heeft zich "daarginds' blijkbaar zozeer afgesloten van wat de burger bezighoudt en bezielt, dat argumenten van buiten het kartel nauwelijks een rol spelen. Argumenten, zo lijkt het politieke gezelschap te denken, die niet politiek zijn voorgekookt, komen altijd van lastige mensen en aan dat soort heeft men geen boodschap. Het onafhankelijke argument verraadt de buitenstaander en die staat per definitie buiten spel. Als dit enigszins waar is, en het heeft er alle schijn van, zou dat ook consequenties hebben voor de de pers. Je kunt schrijven wat je wilt, maar in de torentjes van de politieke klasse heeft men zijn walkman opgezet en klinken uitsluitend de vertrouwde geluiden en de juiste wachtwoorden.

De pers, zo vindt men eigenlijk, behoort de stencils van de overheid netjes samen te vatten; de rest is amusement of dollemanspraat. Er bestaat helaas nog altijd een genre journalisten dat zich beijvert om aan deze persformule te voldoen en dat er telkens weer in slaagt om de verbale wirwar en het stuntwerk van de politieke klasse een schijn van redelijkheid te verlenen. Men weet overal wel een touw aan vast te knopen en men zorgt bovendien steeds weer voor sfeervolle portretten van altijd weer dezelfde politici, een soort dagelijkse bidprentjes, terwijl die het onderwerp zouden behoren te zijn van een permanent wantrouwen. Maar, zoals gezegd, er is ook een andere, hardere wind gaan waaien, een principiële tegenwind, zoals in die redactionele stukken en columns, die verder gaan dan het signaleren van de dwaasheden van de dag. Het besef lijkt zich te verbreiden dat het binnen de politieke macht niet om enkele misgrepen gaat, om incidenten, maar om iets zeer fundamenteels. Wat lange tijd werd getolereerd en vergoelijkt als een slecht soort goochelwerk, is nu soms aanleiding om analytische vragen te berde te brengen. Het democratisch bewustzijn waarvan men vanaf 1945 aannam dat het vrijwel iedereen in de geallieerde landen, en dus ook de politici, min of meer was aangeboren, blijkt nu voor sommigen ineens problematischer, fragieler dan men had gedacht. Dat is de grote winst van de laatste twee jaar.

Dat neemt niet weg dat de gemiddelde burger de illusie blijkbaar niet wil prijsgeven dat de Westerse democratieën, ondanks alle machtszieke en spilzieke faits et gestes, toch altijd nog in de eerste plaats zijn gericht op de belangen en de vrijheden van de burger. Hoewel men, vooral hier te lande, wordt ingesponnen in een onontwarbare kluwen van steeds wisselende wetten, maatregelen en bepalingen, blijven velen geloven dat de individuele vrijheid door de overheid zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. Men heeft nu eenmaal geleerd dat redeloosheid, dwang en willekeur thuishoren in dictaturen, maar niet in een land met een Tweede Kamer. De overheid blijkt dan wel een sterke voorkeur te hebben voor drogredenen en andere vormen van manipulatie en zich graag af te sluiten voor wezenlijke kritiek maar, lijkt men te denken, dat doet niets af aan het beginsel van plurale redelijkheid, van argument en tegenargument, waarop ons bestel nu eenmaal is gefundeerd.

Ficties, collectieve dwang en andere vormen van misleiding en machtsmisbruik vind en vond je uitsluitend daar waar de macht in handen is van misdadigers, verdwaasden en proleten, zoals bij de nazi's met hun rassenwaan, bij de communisten met hun gelijkheidswaan, bij de fundamentalisten met hun heiligheidswaan en, zoals ook nu weer op de Balkan, bij allerhande nationalisten met hun eenheidswaan. Zo hebben we dat geleerd. Dat is ons Westers geloof. Democraten die wij zijn, willen immers altijd redelijke dingen met redelijke middelen. Of wij ons nu te boek hebben laten stellen als "christelijk', als "liberaal' of als "socialistisch', als democraten zijn wij allen, zo luidt ons geloof, de kampioenen van argument, evenwicht, rechtvaardigheid en zelfs van pragmatiek.

Weliswaar zijn wij maar mensen en zijn de argumenten dus wel eens vals, is het evenwicht wel eens uit balans, de rechtvaardigheid niet altijd billijk, de pragmatiek wel eens absurd, maar we zijn nu eenmaal aangewezen op compromissen en bovendien, redelijk als onze politiek nu eenmaal is, altijd bereid tot correctie. Bovendien laten de bewindvoerders altijd alles voorrekenen en narekenen. Weliswaar verandert men tussentijds wel eens van rekeneenheid, schuift men met data en posten en worden de kosten wel eens bij de baten opgeteld, maar ook dat heeft altijd wel een redelijke grondslag. Dat alles heeft dus, zo denkt men dan, niets te maken met plompe machtsuitoefening. Onze politieke macht is subtiel en diffuus, soms onbetrouwbaar maar dat zal wel onvermijdelijk zijn. Bovendien is de overheid afhankelijk van semi-politieke verenigingen, als vakbonden en andere belangenorganisaties, waardoor haar macht nooit gevaarlijke kan worden.

Het lijkt de gemiddelde burger overigens niet te deren dat de officieel gekozen meerderheden afkomstig zijn uit partijen, noem het kiesverenigingen, die inmiddels uit niet meer dan vier procent van de kiezers bestaan en van wie, zoals ik eerder schreef en dat zal ook nu nog wel waar zijn, niet meer dan tien procent tot de actieve partijleden behoort. Die viertiende procent van de kiezers beheerst dus het politiek toneel, selecteert, wordt geselecteerd, bezet vele ambtelijke en vrijwel alle politieke functies en vormt dus de kern van de staatsmacht. De keuze is dus eigenlijk wel erg beperkt en heeft bovendien een "vertrouwelijk' karakter, waardoor niemand precies weet waarop de selectie van die miniminderheid van lijstenbezetters en andere functionarissen nu wel is gebaseerd. Maar zou het de gemiddelde burger eigenlijk wel een lor kunnen schelen hoe het daar toegaat binnen die viertiende procent.

Als maar zo weinig mensen zich voor politiek interesseren, wijst dat, zoals Van Mierlo en Bolkestein wel eens gezegd hebben, op tevredenheid, of, zoals je ook wel kunt horen, op een groot vertrouwen in de fundamentele redelijkheid van de politieke macht. Dit is ook de teneur van het laatste rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Nu zal daar ongetwijfeld iets van waar zijn, maar wat heeft een democratie aan tevreden burgers? Wat moet een democratie eigenlijk met vertrouwen of erger, naïviteit? Een democratie hoort gebaseerd te zijn op een rationeel wantrouwen tegen allerhande machtsformaties en deformaties.

Er zijn helaas waarschijnlijk nog te veel burgers die een soort vertrouwen hebben in de redelijkheid van het huidig democratisch machtsproces. Al bevindt zo'n burger, die de overheid niet zelden op grote schaal ziet knoeien met budgetten, belastingen en andere tekorten, wel eens op de rand van ongeloof en wantrouwen, hij weet zijn twijfel vaak op het laatste moment weer te bezweren door te bedenken hoe verschrikkelijk het toeging en nog wel toegaat bij de bekende politieke waanstelsels. Ficties, misleiding, uitbuiting, zo troost hij zich dan waarschijnlijk, zijn exclusief verbonden met despotische dwangsystemen, met nazi's, communisten, fundamentalisten en nationalisten; een democratie wordt echter uiteindelijk altijd beheerst door redelijkheid en meerderheidsbesluiten.

Het lijkt erop of dit nog altijd wijd verbreide geloof in politieke redelijkheid de eigen waan is van de Westerse democratie. Deze redelijkheidswaan is door zijn schijnredelijkheid en zijn voorkeur voor feiten en getallen, meestal veel moeilijker herkenbaar dan de opzichtige en luidruchtige mythen van de politieke religies. Bovendien heeft een overheid die zich weet te afficheren als redelijk en zelfs pragmatisch per definitie altijd het gelijk aan haar kant. Tegen een dergelijke "objectieve' overheid is, ondanks al haar feilen en falen, elke oppositie eigenlijk misplaatst. De burger, bij wie dat redelijkheidsgeloof heeft postgevat, zal waarschijnlijk niet op het idee komen zich ook maar ergens over op te winden, behalve wanneer hij meent, dat hij, uiteraard door bepaalde misverstanden, grof in zijn eigenbelang is geraakt. Een als redelijk of pragmatisch geldende overheid, heeft zich principieel afgeschermd van vrijwel elke vorm van fundamentele kritiek. Wie een dergelijke overheid, verschanst in een vesting van cijfers en rapporten, die zelfs het vermogen bezit om rechtvaardigheid tot in decimalen uit te rekenen, zou betichten van spilzucht, megalomanie en despotische manipulaties, wordt dan ook in het algemeen gerekend tot een genre mensen, intellectuelen, querulanten wellicht, die in principe niet goed bij hun hoofd zijn.

De redelijkheidswaan die het politieke toneel meer dan ooit lijkt te beheersen, heeft de politiek inmiddels veranderd in een waanzinnige rekensom. Of het nu gaat om wachtlijsten voor ziekenhuizen, de overbevolking van het openbaar vervoer, de verstopping van wegen en steden, de degradatie van de universiteiten tot een serie massale spoedcursussen, de bewuste afbraak van de kennis van de Duitse en Franse taal, het geëxperimenteer met egalitaire onderwijsvormen, de verdere verambtelijking van openbare diensten zoals de politie, de intimidatie van pensioenfondsen, de ontmanteling van de ziekteverzekeringen, de invoering van vormen van strafrechtpleging zonder rechter, er worden altijd weer min of meer sluitende rekensommen ter tafel gebracht waarmee elke absurditeit wordt recht gerekend. Het is altijd wel op de één of andere manier pragmatisch, dat wil zeggen "onontkoombaar' en dus redelijk. De nieuwste vondst op het terrein van de pragmatiek zijn de plannen om de kleinere gemeenten rondom de grotere steden op te slokken in bestuurskolossen, wat het einde zou betekenen van de lokale tegenmacht tegen de grotere steden èn van de kleine lokale democratie.

Het is dit soort schijnredelijkheid die inmiddels tot de geloofsbrieven behoort van vrijwel elke politieke partij. Het gaat daarbij niet in de eerste plaats om de belangen en de vrijheden van de burger of om de internationale reputatie van dit land, maar om een soort pragmatiek die nauwelijks een ander perspectief bezit dan de vaak bizarre en benarde belangen van de politieke klasse. Het zou iedereen toch duidelijk moeten zijn dat pragmatiek, neutrale doelmatigheid, niet bestaat, dat elke pragmatische redenering, hoe nuchter en redelijk die ook lijkt, berust op waarden, dat wil zeggen op keuzen en doelstellingen. Het meest verontrustende van dit geloof in de politieke redelijkheid is, dat velen daardoor in de illusie verkeren dat veel politieke manoeuvres boven discussie zijn verheven. Het ligt bijna voor de hand dat hier de kern ligt van een explosieve vorm van willekeur. Het is dit pragmatisme, dat tot de interne logica van de partijen is gaan behoren, dat als "klasse-ideologie' van de beroepspolitici ertoe heeft geleid dat de belangen van de vrijheden van de burger dreigen te verschrompelen en de burger zelf dreigt terug te vallen tot de rang van onnozele hals of manipuleerbare lastpost.

Als politiek eenheidsgeloof is deze vorm van schijnredelijkheid eigenlijk de min of meer onbetwiste opvolger van de verbleekte en versufte partij-ideologieën van weleer. Deze manifesteert zich echter niet als ideologie, maar is een min of meer sluipende zaak. Het pragmatisme, als objectieve doelmatigheid, heeft immers geen wervend of getuigend karakter, maar beroept zich op zoiets schijnbaar onweerlegbaars als het openbaar belang. Daardoor is het bij uitstek geschikt als geruisloze legitimeringsgrond van een politieke klasse die geen enkele behoefte heeft aan mensen die denken dat het misschien ook anders kan.

De grote liberaal Benjamin Constant heeft er reeds voor gewaarschuwd dat het roemruchte utilitarianism, het pragmatisme, waaraan Jeremy Bentham omstreeks 1800 de politieke besluitvorming wilde onderwerpen, de politieke macht een gevaarlijk grote speelruimte zou geven. De rechten van de burger, aldus Constant, vormen de enige duidelijke beperking van de politieke macht; alleen rechten hebben een striktheid waarbij de democratische vrijheden enigszins veilig zijn. Pragmatisme is inderdaad een zo onbestemde politieke "maatstaf' dat er van alles mee te rechtvaardigen valt, ook zaken die in strijd zijn met de vrijheidsrechten en de waardigheid van de burger.

De waan van de politieke redelijkheid, van pragmatiek en onontkoombaarheid, heeft tot gevolg dat buitenpolitieke vormen van oppositie min of meer onfatsoenlijk zijn geworden. Wie verzet aantekent tegen de overijlde rekenarijen of speculaties van allerhande overheden, waaronder bepaalde verkwistende vormen van bezuiniging, krijgt vroeg of laat te horen dat hij zich met zijn eigen zaken moet bemoeien. Het regeerproces mag niet door "amateurs' en andere buitenstaanders een spaak in het wiel gestoken krijgen. Ook de meer onafhankelijke leden van de Eerste Kamer worden nu blijkbaar al tot die hinderlijke amateurs gerekend. Toen men daar immers, begin dit jaar, de euvele moed had om enkele wezenlijke kritiekpunten naar voren te brengen inzake de overhaaste operatie ziektekostenverzekeringen, werd dit door de politieke beroepsklasse bijna als een soort verraad aangemerkt en stond men, in de persoon van Deetman, onmiddellijk klaar met een voorstel om het constitutioneel vetorecht van de Senaat nu maar eens af te schaffen. Men dient daarbij niet uit het oog te verliezen dat deze voorzitter van de Tweede Kamer tevens voorzitter is van de staatscommissie die "bestuurlijke vernieuwing' op haar programma heeft staan.

Men kan zich afvragen waar de democratische kritiek en controle eigenlijk vandaan moeten komen nu de Tweede Kamer vrijwel is verenigd in een partijenkartel, dat zich bovendien al jaren in de dodelijke omhelzing bevindt van het kabinet en dus voorlopig niet meer tot onafhankelijke kritiek op het machtsproces in staat is en nu de Eerste Kamer zo nodig door de politieke beroepsklasse wordt geïntimideerd? Waar moet de politieke tegenmacht vandaan komen die in staat zou zijn om het monoblok van de staatsmacht open te breken en een democratisch beleid af te dwingen, dat wil zeggen een beleid dat niet in de eerste plaats is gebaseerd op de klassebelangen en de hoogstandjes van het politieke carrière-circus, maar op de grondrechten van de burgers? Evenmin als in Duitsland beschikken we hier over een behoorlijke onderzoekjournalistiek of over een leerstoel in dat vak. Voorlopig is de journalistieke tegenmacht beperkt tot enkele hoofdartikelen en andere kritische stukken, maar hoe groot het belang daarvan ook is, zolang een groot deel van de burgers zich door beroepspolitici laat behandelen als politiek onverantwoordelijken, zich laat manipuleren als amateurs, die niets kunnen begrijpen van de moeilijke pragmatiek van het ware regeren, zolang kan ook het lastige deel van de pers nog gemakkelijk door de overheid worden genegeerd. Of gebruskeerd.

Men denke daarbij eens aan wat premier Lubbers zich begin dit jaar nog meende te kunnen veroorloven. Naar aanleiding van het vreemdelingenbeleid liet deze politicus zich toen uit over “die malle artikelen van hooggeleerden”, aan wier "getheoretiseer' hij geen boodschap had (NRC Handelsblad, 8 februari 1992) en waarbij, behalve professor Zijderveld, ook een aantal ongenoemden hun plaats werd gewezen. Wat deze uitlating zo bedenkelijk maakt, is niet alleen het grievende karakter ervan en de neiging om bepaalde schrijvende burgers onmondig te verklaren, maar tevens de anti-intellectualistische tendens die eruit spreekt, een anti-intellectualisme dat overigens niet tot één politicus is beperkt. Het geloof in het eigen gelijk èn de onderworpenheid aan de partijdiscipline heeft een groot deel van de politieke klasse ontoegankelijk gemaakt voor onafhankelijk denken en lijkt bij hen een weinig democratische afkeer te hebben veroorzaakt van "intellectuelen', waarmee dat soort burgers wordt bedoeld, dissidenten, die zich niet alles laten wijsmaken.

De politieke klasse die zich de laatste decennia bijna onopvallend uit de steeds schimmiger restanten van de beginselpartijen heeft opgewerkt, heeft de ideologische verbondenheid met de burgerij vrijwel verbroken. Nu men zich niet meer kan beroepen op de grote beginselen van weleer, op het Koninkrijk Gods, op de socialistische dageraad of op de vrije wereld van de vooruitgang, is de legitimering van de partijmacht uiterst dubideus geworden. Men loopt weliswaar nog wel eens met symbolen rond waarvan de inhoud is weggevaagd, zoals de socialisten die onlangs de Internationale nog hebben gezongen, maar dat is toch niet veel anders dan ideologische wanhoop. Men maakt zich bij tijd en wijle druk over de eigen identiteit, maar wat betekent dat? Meestal blijft dat bij een soort slordig geprevel over vernieuwing en daar heeft men dan vaak ook nog een publiciteitsbureau bij nodig.

Het gaat immers bij vrijwel alle partijen in hoofdzaak over carrièrelijnen en machtsposities en over de organisatie daarvan. Zou dat gebazel over identiteit, dat in het beste geval berust op heimwee naar beginselvastheid, niet vooral een pragmatische poging zijn om zich alsnog als beginselpartij te legitimeren met het oog op subsidies en verkiezingen, terwijl de besten heel goed weten dat die hele identiteit een loze zaak is en dat die hele partij nauwelijks meer is dan een fantoom?

In een dergelijke onwaarachtige situatie is intellectualiteit, onafhankelijkheid en zelfkritiek wel het laatste waaraan men behoefte heeft. Politieke partijen zijn carrièreverenigingen geworden met een beginselachtige mimicri, belangenclubs, niet in de eerste plaats voor de burgers, waaruit zij ooit zijn voortgekomen, maar voor de huidige beroepspolitici, die zich van deze holle vaten hebben meester gemaakt. Wie op een partij stemt, stemt niet op een bepaalde vorm van eer en geweten, hoe onnozel dat geweten ook moge zijn, maar op een bundeling van carrières, op een vorm van cynisme. Zou de nieuwste grote partij, D66, tot nu toe een toonbeeld van min of meer passief fatsoen, maar ook geen wonder van intellectuele overtuigingskracht, zich hieraan kunnen onttrekken?

Al zijn er geluiden die pleiten voor enige deprofessionalisering van de leden van de Tweede Kamer, voorlopig vormen de partijen een soort beroepscorporaties, die er belang bij hebben dat de politieke klasse het hoofd zo comfortabel mogelijk boven water houdt. In deze fase van politiek nihilisme, die de legitimatie van de partijmacht tot een hachelijke zaak maakt, hebben de partijen er dan ook alle belang bij de burger en zijn gepruttel op een forse afstand te houden, zo mogelijk door hem te intimideren of te manipuleren. De Parijse publicist François de Closets heeft deze gang van zaken in een omvangrijk boek, La Grande Manip (1990), voor de Franse politiek aan de orde gesteld, waarin hij de huidige ontwikkeling, waarbij de burgerij min of meer onmondig wordt gemaakt maar wel verantwoordelijk wordt gesteld, naar voren brengt als het centrale bederf van de democratie.

Opmerkelijk is in dit verband dat de Nederlandse overheid met grote zelfverzekerdheid een beroep heeft gedaan op de moraliteit van de burger. De burger zou zijn civiele plichten weer dienen te ontdekken en de wet moeten respecteren. Het zal sommigen zijn opgevallen dat deze plotseling moraliserende overheid haar eigen moraliteit daarbij geheel buiten beschouwing heeft gelaten. Men richtte zich ook niet tot de burger als principiëel gelijkwaardige, maar tot de burger als onderdaan van wie volgzaamheid en gehoorzaamheid kan worden geëist. Dat tal van fraudes door de overheid zelf worden uitgelokt door de burger te binden aan vaak absurde voorschriften, nog versterkt door rigoureuze controles, daarvan is echter nooit sprake geweest. De politieke macht is onschendbaar, de burger is verantwoordelijk, zo leek dit moralisme ongeveer te luiden.

Het lijkt erop dat het kartel, dat ook in zijn bureaucratische vermommingen, vrijwel onbelemmerd zijn gang kan gaan, zich meer en meer ontslagen acht van democratische en morele verantwoording en dat de manipulaties waarmee het zijn macht zoekt en zelfs zijn grootheid, niet zelden ten koste gaan van de burger. Wat moet men eigenlijk met een overheid, die een permanente onrust veroorzaakt over belastingen, accijnzen, premies, heffingen, toeslagen, kortingen, boetes en schulden? En die velen schrik heeft aangejaagd met haar even pragmatische als roofzuchtige plannen met bepaalde pensioenfondsen? Die vrijwel elk vaag beleidsplan vooraf laat gaan door elkaar doorkruisende proefplannetjes; die eigenlijk geen mens met rust laat? Het zal duidelijk zijn dat deze neurotiserende vormen van rechtsonzekerheid die de overheid zich meent te kunnen veroorloven, weinig meer te maken hebben met respect voor de burger. Men kan zich afvragen wat men beginnen moet met een politieke klasse die wel een speurnet opzet tegen kleine vergrijpen van de vaak benarde burger en die zelf nauwelijks aansprakelijk kan worden gesteld voor haar miljarden- blunders? Die het doodgewoon vindt om vrijwel alle bezuinigingen te compenseren met verkwistingen en die verkwistingen weer te compenseren met nieuwe heffingen en controles?

Dat de politieke beroepsklasse niet deugt, is langzamerhand een wijd verbreide waarheid, zowel in West-Europa als in de Verenigde Staten. Maar een burgerij die daarover de schouders ophaalt of er grappen over maakt, deugt evenmin. Een democratie die zich heeft uitgeleverd aan een politieke macht van pragmatici en andere rekenwonders, heeft haar normbesef verloren en daarmee haar waardigheid. Dit inzicht, dat het slecht gesteld is met het democratisch bewustzijn en met het intellectueel gehalte van de huidige partijenstaat, werd onlangs nog naar voren gebracht door twee Europeanen: de Duitse president von Weizsäcker (Die Zeit nr 26, 19 juni '92), daarin voorafgegaan, in zijn afscheidsrede, door de Italiaanse president Cosiga (25 april '92). Beiden keerden zich onder meer tegen de moraliteit van de politieke beroepsklasse en noemden de macht van de partijen als een bedreiging voor de democratie.

Het is veelzeggend en bedenkelijk dat geen enkele politieke partij de democratische vrijheidsrechten in haar banier voert. Het is evenzeer opmerkelijk dat hier te lande de commissie Deetman in haar streven naar staatkundige vernieuwing, geheel is geconcentreerd op organisatorische kunstgrepen en dat zij in haar rapport geen woord heeft vuil gemaakt aan de burgerlijke grondrechten. Dit rapport is dan ook kennelijk niet voor burgers geschreven, maar voor politici. En door politici. Nergens wordt verwezen naar enige publikatie op het terrein van staatsrecht, staatkunde of bestuurskunde, laat staan naar publikaties waarin het democratisch bewustzijn aan de orde komt. Er wordt trouwens naar geen enkele publikatie verwezen. Deze politieke commissie heeft zich, geheel volgens de huidige politieke stijl, min of meer afgesloten van alles wat er aan intellect en inzicht bij de burgerij voor het grijpen ligt. Onafhankelijke "buitenstaanders', behoren, zoals Lubbers al liet weten, niet tot het politieke smaakpatroon.

Het is dan ook waarschijnlijk zinloos dit gezelschap aan te raden eens grondig kennis te nemen van een studie van R. Meij-van Bruggen, Grondrechten als dilemma van overheidsoptreden een uitgave van het Adviescollege voor sociaal en cultureel beleid, dat nu deel uitmaakt van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Deze publikatie van 1989 is vooral gericht op het vooropstellen van vrijheidsnormen als grondslag voor het democratisch bewustzijn en als maatstaf voor de relatie tussen burger en overheid. Het is die vrijheidsnorm, aldus haar betoog, die als grondslag van het georganiseerde wantrouwen, zowel door de politieke partijen als door de burgers uit het oog is verloren. “De burger”, schrijft zij “is als onderdeel van de vele beleidscategorieën op door hem zelf niet te doorgronden wijze, geheel afhankelijk geworden van het overheidsapparaat. In die situatie ligt de ontwikkeling van vrijheid en verantwoordelijkheid niet voor de hand”.

Ik heb mijn vorige artikel op deze plaats besloten met een beroep op de vrijheidszin als kern van het democratisch bewustzijn. Of zou die vrijheidszin geen kans meer maken? Wordt de burgerlijke vrijheid, ook door de burger niet meer serieus genomen omdat men genoeg heeft aan de perverse zorgeloosheid van zijn kleine genietingen?

Zou er binnenkort geen andere vrijheid meer bestaan dan de vrije tijd? Of zou, onder de toenemende materiële en morele druk van de politieke klasse, de irritatie en benauwenis tenslotte zo hoog oplopen dat men zijn geloof in de redelijkheid van dat alles verliest? Dat de beschamende lijdzaamheid waarmee men dit eenheidsbewind tot nu toe heeft verdragen, begint op te raken? In dat geval zou er iets terug kunnen komen van een vrijheidsdrang waaraan de democratie onder meer haar ontstaan te danken heeft en die zou kunnen leiden tot een vrijheidsstreven dat verder reikt dan pathetische verklaringen.

Uitgaande van de herontdekking van historische vrijheidsrechten en van een democratisch bewustzijn waarin niet de beroepspoliticus, maar de burger de centrale rol speelt, zou men moeten komen tot de vorming van een scherpzinnig vrijheidsbegrip en wel zodanig gedifferentiëerd dat het als maatstaf kan dienen voor de beoordeling van alle soorten van relaties tussen de burger en de openbare macht. Het zal moeten gaan om een vrijheidsconcept dat even nauwkeurig is als een precisie-instrument en waardoor nieuwe definities van de vrijheden van de burger mogelijk worden, alsmede dwingende begrippen aangaande de mate van dienstbaarheid en verantwoordelijkheid van het politiek personeel.

De burger zal, zowel uit het perspectief van zijn beroepsleven als uit dat van zijn particulier bestaan, een inventarisatie moeten maken van alle wetten, regels, voorschriften en andere lasten die in strijd zijn met zijn constitutionele vrijheidsrechten en die een aantasting vormen van zijn persoonlijke levenssfeer en waardigheid.

Daarnaast zou men zich moeten richten op de morele en ideologische herziening van het uitgeholde partijwezen, op de ontbinding van het partijenkartel, dat de politieke keuzevrijheid vrijwel onmogelijk heeft gemaakt, evenals op de beëindiging van het fenomeen beroepspoliticus, dat met zich heeft meegebracht dat de belangen en de vrijheden van de politieke klasse zwaarder zijn gaan wegen dan die van de burgers. Tegelijkertijd zal de politieke redelijkheidswaan en het pragmatisme, waarmee het kartel zich afsluit van elk debat, met kracht van argumenten moeten worden ontmaskerd.

Als het er ooit van komt, zal het een proces zijn dat niet beperkt zal blijven tot Nederland. Het is te wensen dat ook de hogere Colleges van Staat, hier te lande de Eerste Kamer niet uitgezonderd, zich over deze zaak zouden buigen. Maar het lijkt onvermijdelijk dat vooral de burger zelf zich gaat weren, daarbij gewapend met een bevlogen onderzoekjournalistiek, die kortgeleden nog door Von Weizsäcker als een van de sterke remedies werd genoemd tegen het bederf van de partijenstaat.