Minder hulp voor regimes die wanbeleid voeren en mensenrechten schenden; Noren strenger voor ontwikkelingslanden

Evenals Nederland behoort Noorwegen tot de gulste gevers van ontwikkelingshulp ter wereld. Lange tijd concentreerden de Noren zich op hulpprojecten, zonder de betrokken regimes lastige vragen te stellen over onderdrukking of economisch wanbeleid. De dagen van de onvoorwaardelijke hulp zijn echter voorbij.

OSLO, SEPT. Afgelopen zomer was het geduld van de Noorse regering met een van haar vroegere troetelkinderen, de Namibische president Sam Nujoma, op. Het staatshoofd van het straatarme land had het nuttig geoordeeld om voor zichzelf voor 30 miljoen dollar een Falcon 900B-vliegtuig aan te schaffen, uitgerekend hetzelfde toestel dat de Noorse regering voor zichzelf had willen kopen maar van het eigen parlement niet mocht omdat dat als onnodige luxe werd bechouwd. De toenmalige Noorse minister voor ontwikkelingssamenwerking, Grete Faremo, liet Nujoma daarop weten dat deze niet meer op nieuwe noodhulp voor de bestrijding van de gevolgen van de droogte in zijn land hoefde te rekenen.

Kort daarna liet Faremo, die begin september minister van justitie werd, tevens alle hulp aan Malawi stopzetten omdat daar de mensenrechten op grote schaal werden geschonden. Eerder had Oslo al de hulp voor Sri Lanka, een van de concentratielanden van de Noorse ontwikkelingshulp, laten verminderen omdat ook daar de mensenrechten steeds meer met voeten werden getreden.

Nog steeds beroemen de Noren zich erop dat hun land tot de gulste ter wereld behoort op het gebied van de ontwikkelingshulp - dit jaar is daar 1,09 procent van het BNP voor begroot. Maar de dagen dat de ontwikkelingslanden bijna onvoorwaardelijk op een stevige portie Noorse hulp konden rekenen zijn voorbij. “Er is inderdaad iets veranderd”, zegt Olav Myklebust, een hoge ambtenaar van de afdeling ontwikkelingssamenwerking op het Noorse ministerie van buitenlandse zaken. “Niet alleen wat Noorwegen betreft trouwens, we schenken meer aandacht aan het binnenlandse beleid van de ontvangende landen, aan het respecteren van de mensenrechten en aan de democratische ontwikkeling. Bovendien letten we op hun prioriteiten. Als zij bij voorbeeld extra veel aan militaire zaken willen uitgeven, heeft het volgens ons geen zin om hulp te geven. Als we op deze terreinen een positieve trend zien in een land, blijven we hulp geven. Anders niet.”

Myklebust noemt in dit verband ook het voorbeeld van Zambia. De Noren besloten extra hulp aan het in grote economische problemen verkerende land te geven, nadat de toenmalige president Kenneth Kaunda een akkoord met het Internationaal Monetair Fonds had bereikt over een aanpassingsprogramma. Toen Kaunda hiervan echter na enkele maanden afweek, zette Noorwegen de extra steun onmiddellijk stop. “Het is van belang om een soort contract-relatie met de ontvangende landen op te bouwen”, zegt Myklebust, “volgens het principe: als u niet handelt zoals afgesproken, dan doen wij dat ook niet”.

Vroeger was Noorwegen, zoals trouwens ook andere belangrijke donorlanden als Zweden en Nederland, gevoelig voor het argument van Derde wereldlanden dat er niet aan hun eigen souvereiniteit mocht worden getornd. Nu waait er echter ook in het eerbiedwaardige, oude gebouw waarin de afdeling voor ontwikkelingshulp in Oslo zetelt een andere, voor veel regimes in ontvangende landen minder gunstige wind. “We tasten hun souvereiniteit helemaal niet aan, maar het is onze verantwoordelijkheid om er op toe te zien dat onze hulp goed wordt besteed. Vroeger letten we vaak alleen op wat er gebeurde op het niveau van de afzonderlijke projecten, maar we kwamen tot de conclusie dat ook de projecten uiteindelijk alleen succes kunnen hebben wanneer het beleid op landelijke schaal deugt. Dat verklaart voor een deel het gebrek aan succes van de vele projecten in een land als Tanzania, het beleid van de Tanzaniaanse regering bevorderde lange tijd economische groei niet.”

Een paar maanden geleden presenteerde de Noorse regering een uitgebreide nota over het ontwikkelingsbeleid voor de komende jaren, die qua omvang nauwelijks onderdoet voor de dikke pil waarmee de Nederlandse minister Pronk de leden van de Tweede Kamer twee jaar geleden verraste. De door Myklebust gesignaleerde beleidsveranderingen zijn hier voor een deel in verwerkt, maar critici menen dat de kentering in het Noorse denken over ontwikkelingshulp niet ver genoeg gaat. Een deskundige bron die goed is ingevoerd op het Noorse ministerie maar anoniem wil blijven: “Dit dikke boekwerk verhult meer dan het laat zien. De nota voorziet in geringe aanpassingen, maar het ministerie wil feitelijk het oude beleid voortzetten. Het wekt niet de indruk zich bewust te zijn van de reusachtige problemen in het ontwikkelingswerk in de jaren negentig. Er ontbreken aanzetten tot een nieuw denken”, aldus deze bron.

Volgens deze deskundige is de Noorse hulp veel te veel versnipperd over een groot aantal landen en zou men zich meer moeten toeleggen op een klein aantal, zorgvuldig uitgezochte staten. Ook moeten de beleidsmakers zich er meer rekenschap van geven dat de hulp de afgelopen tientallen jaren weinig heeft uitgehaald en dat het wegnemen van handelsbarrièrres een veel belangrijker impuls voor de ontwikkelingslanden zou kunnen zijn. Volgens hem heeft Noorwegen veel te lang zijn hulpprojecten los gezien van de algemene economische toestand van de ontvangende landen. “We bleven vasthouden aan de onaantastbaarheid van de projecten”, aldus de bron.

Intern is er wel kritiek op het Noorse beleid, veel ontwikkelingswerkers zijn gefrustreerd door het uitblijven van tastbare successen, aldus de deskundige. Kritiek is er hier en daar ook op het sturen van grote aantallen Noorse experts naar de Derde wereld, terwijl er in de ontwikkelingslanden zelf vaak al meer dan genoeg eigen, veelal werkloze deskundigen zitten. Maar men voert de discussie zoveel mogelijk binnenskamers, in de hoop dat de steun bij de Noorse bevolking niet afbrokkelt. Volgens sommige opiniepeilingen vertoont de populariteitscurve van de hulp desondanks al een knikje naar beneden.

    • Floris van Straaten