MARABAR (I)

E.M. Forsters boek A Passage To India draait om een mysterie dat niet wordt opgehelderd. De Britse jongedame Adela Quested beklimt samen met de Indiër Aziz de Marabarheuvels. Op een gegeven ogenblik denkt Adela aan Ronny Heaslop, de Britse ambtenaar met wie ze over enkele dagen gaat trouwen. Houdt ze van hem, vraagt ze zich af. Neen.

De ontdekking is zo plotseling gekomen dat ze zich voelt als een bergbeklimmer wiens touw breekt, vertelt Forster. Meer geërgerd dan ontzet blijft ze staan. Zij en Ronny respecteren elkaar, en er is ""dierlijk contact in de schemering'', maar niet het gevoel dat beide verbindt.

Adela klimt verder, en haar blik valt op Aziz. ""Wat is hij toch een knappe kleine oosterling'', denkt ze. En tegelijkertijd realiseert ze zich dat zij noch Ronny fysiek begeerlijk zijn.

De lezer volgt nu Aziz, de nederige Indiër die zich uitslooft om het zijn gasten, die hij heeft uitgenodigd voor een picknick op deze heuvels, naar de zin te maken. Aziz gaat een van de vele grotten van Marabar binnen om een sigaret aan te steken. Als hij er weer uit komt is juffrouw Quested nergens te vinden. Hij ziet haar aan de voet van de heuvel in een auto stappen. Even later wordt hij gearresteerd wegens aanranding.

Tijdens de rechtszaak verklaart de aanklager ""dat de gekleurde rassen zich fysiek voelen aangetrokken tot het blanke ras, maar niet vice versa''. Dat is geen reden voor bitterheid, voegt hij toe. Hij is een beschaafde, hoffelijke man: ""Het is geen reden voor hatelijkheid, maar domweg een feit dat elke wetenschappelijke onderzoeker kan bevestigen''.

Of het juist deze uitspraak is die Adela ertoe brengt haar aanklacht in te trekken is niet duidelijk. ""Ik ben bang dat ik een fout heb gemaakt'', zegt ze.

Welke fout; wat is er dan gebeurd in de grotten van Marabar? Heeft er een ontmoeting plaats gevonden tussen twee mensen, een blanke vrouw en een oosterling? Of is Adela alleen geconfronteerd geraakt met haar eigen erotische fantasie, en heeft dit haar, vanwege de Victoriaanse moraal waarin ze leeft, in totale verwarring gebracht?

Het beeld van de ontmoeting in de grot wordt ook door Paul Bowles gebruikt in zijn boek The Sheltering Sky. Ook hij is er van overtuigd dat de samenkomst van culturen een sensuele aard heeft, en anders onmogelijk is. De Amerikaanse Kit wordt door haar minnaar Belqassim naar zijn huis gebracht: een chaos van gangen, trappen en bochten, zwarte ruimten, kleine hofjes. Ergens in de doolhof is er een kamer waarvan het plafond zo laag is dat men er niet rechtop in kan staan. De deur wordt op slot gedaan en er is een klein raampje met tralies ervoor. Toch is het geen gevangenis. In deze donkere ruimte wordt een liefde bedreven die het daglicht niet kan verdragen. Kit is er beschermd tegen de haat en de woede van de zwarte echtgenotes van Belqassim; ze is er veilig voor de agressie die opgewekt wordt door de interculturele genegenheid, of ruwer: het interraciale geslachtsverkeer.

Het verschil tussen Adela en Kit is het verschil tussen de Victoriaanse en de moderne moraal: in A Passage To India uit 1924 is de vrouw zo geschokt door de gebeurtenissen, die zich waarschijnlijk alleen in haar fantasie voordoen, dat ze het uitschreeuwt. Ze wordt gek van de echo. In The Sheltering Sky uit 1949 daarentegen ondergaat Kit de seksualiteit met plezier, en daarom geluidloos. De "dierlijke' kant van de culturele uitwisseling, zou je kunnen zeggen, is per definitie woordeloos. Kit wordt pas gek als Belqassim haar verder in zijn cultuur sleept en haar tot zijn vierde vrouw neemt.

Hoe zit het eigenlijk met die inter-etnische liefde, wie begeert wie en waarom is er in de literatuur zo raadselachtig over gedaan? Het probleem is, denk ik, dat men in het Westen twee soorten van liefde onderscheidt: een hogere en een lagere, een meer spirituele en een dierlijke. Er is een hemelsbreed verschil tussen de diepere gevoelsuiting - die communicatie en een zekere culturele overeenkomst veronderstelt - en het ""vulgaire vleselijke verlangen''. Het is moeilijk dit laatste weer te geven zonder in pornografie te vervallen, en het is nog moeilijker om de begeerte van de blanke vrouw voor het zwarte lichaam te beschrijven zonder de indruk te wekken dat zij onbeschaafd of pervers is. Zeker binnen de Victoriaanse moraal is de blanke vrouw deugdzaam, en dus frigide. Het beeld van de grot is dan een uitstekend foefje om er alles en niets over te zeggen. De grot is een duistere, zinneprikkelende plek waar je dingen kunt laten gebeuren die je niet in woorden hoeft te verklaren.

Toch is het een algemeen gegeven in de ontmoeting tussen culturen dat men, voor men elkaar verstaat, het met elkaar wil doen. Het is een fascinatie die ten grondslag ligt aan de antropologische wetenschap. De eerste antropologen bijvoorbeeld, de zogenaamde "ontdekkingsreizigers', rapporteerden vooral wat de vreemde volkeren aten en of de vrouwen gewillig waren.

Hoe hebben de eerste vrouwelijke antropologen het aangepakt? Wolf Kielich geeft daar in zijn boekje Vrouwen op Ontdekkingsreis mooie beschrijvingen van. Het meest dramatische geval is Alexandrine Tinne, een vrouw uit de hogere kringen van Den Haag, die op haar twintigste met haar moeder naar Egypte ging. Dat was in 1855, en Alexandrine raakte zo betoverd door de exotische omgeving dat zij steeds verder wilde: naar Khartoum, naar Centraal-Afrika, naar de plekken waar de echte barbaren woonden in gebieden die van Europeanen nog geen naam hadden gekregen.

Alexandrines reislust grensde aan waanzin. Haar moeder ging dood aan de ontberingen, evenals haar twee kamermeisjes. Het moet een vertoning zijn geweest, zo'n jonge blanke juffrouw in een lange rok en een tot de hals dicht geknoopte blouse, midden in de woestijn, omringd door kamermeisjes en tientallen bedienden. Alexandrine reisde in stijl: ze nam uitgebreid de tijd voor haar ontbijt en haar toilet en liet alle spulletjes die ze daarvoor nodig had sjouwen door maar liefst vijfhonderd dragers.

Maar wat zocht ze in Afrika? Het antwoord is in feite tragikomisch. Alexandrine had het boek van de Fransman Henri Duveyrier gelezen, waarin hij een geheimzinnig volk beschreef dat als de schrik van de Sahara werd beschouwd: de Toearegs. Het waren krijgshaftige nomaden die Arabieren, Turken en Fransen hadden weerstaan. Formidabele kameelruiters en zwaardvechters, trotse en grootmoedige mannen die, schreef Duveyrier, in veel opzichten deden denken aan de ridders uit de middeleeuwen.

Dat was het doel van de ontdekkingsreizigster Alexandrine Tinne: ze was op zoek naar de Toearegs. Deze moedige vrouw die de beklemmende Victoriaanse moraal in Europa trotseerde in naam van wetenschap en emancipatie was tenslotte gewoon op zoek naar haar ridder.

Ze vond de Toearegs ook, ze was de eerste blanke vrouw die door deze stam als gast werd ontvangen. ""Wat een krijgshaftig voorkomen'', schreef de drieendertig-jarige Alexandrine: ""als zij zo, in volle glorie naar Europa zouden komen, ben ik er zeker van dat het hart van menig jong meisje sneller zou slaan voor de knappe Toearegs, barbaren als ze zijn.''

Een paar dagen later werd ze door dezelfde Toearegs op gruwelijke wijze vermoord.

Een recentere ontdekkingsreizigster met eenzelfde fascinatie als Alexandrine Tinne is Agnes Sommer. Maar Agnes verhoudt zich tot Alexandrine als Kit tot Adela, al heeft zij niet het geluk ontvoerd en langdurig opgesloten te worden in een kleine kamer. Ze is in haar boek Houden van Afrikanen zo openhartig, dat het provocerend wordt. De eerste keer dat ze met een zwarte naar bed gaat loopt ze een geslachtsziekte op. Maar het weerhoudt haar er niet van op zoek te gaan naar haar ideale Afrikaan, de Masai-krijger, hoewel ze iedere lichamelijke toenadering afweert. Met grote spijt, weliswaar, want ze maakt op een nogal botte manier duidelijk hoe graag ze het met een van deze ""fraaie exemplaren van het menselijke ras'' zou willen doen. Toch komt ze veel te weten. De "beachboys' van Kenia worden namelijk achtervolgd door horden Europese dames, "bondgenoten', zoals Sommer ze noemt, en die geven een tamelijk ontnuchterende kijk op de de Masailiefde: ""snel even copuleren waarbij je elkaar zo min mogelijk aanraakt''.

Maar daarmee is het mysterie alleen groter geworden: de fascinatie van de blanke vrouw voor de zwarte man is kennelijk niet gebaseerd op zijn lichamelijke kunnen, maar op haar verbeeldingskracht. En zo komen we toch heel dicht bij wat Forster beschreef als de echo in de grot van Marabar. In het verlangen naar het lijfelijke contact met de vreemde loopt de blanke vrouw de sensuele duisternis in, waar ze alleen zichzelf ontmoet.

    • Anil Ramdas