Loonkostensubsidies hebben hun langste tijd gehad

ROTTERDAM, 3 OKT. Minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid gooide gisteren, aan de vooravond van de algemene beschouwingen over de Miljoenennota 1993, de knuppel in het hoenderhok. Banenpools, loonkostensubsidies, werkervaringsplaatsen - de minister suggereerde dat het allemaal weinig helpt om mensen te laten doorstromen naar een echte, "gewone' baan.

Vorig jaar bond de minister in zijn nota Werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid de kat reeds de bel aan. En een maand geleden publicerde het Sociaal en Cultureel Planbureau een analyse van het arbeidsmarktbeleid die er ook al niet om loog.

Het planbureau sprak van “overproduktie van beleid” en “overbevissing”. De twaalf onderzochte instrumenten - op het vlak van scholing, werkervaring en loonkostensubsidie - richten zich op doelgroepen die elkaar vaak overlappen. Jongeren, een populaire doelgroep uit de jaren tachtig, zijn in 1992 welhaast schaars geworden op de arbeidsmarkt.

In 1986 kostten alle twaalf instrumenten samen 867 miljoen gulden, in 1990 opgelopen tot 1.467 miljoen. Recenter cijfers zijn niet voorhanden. Maar de begroting voor 1993 laat zien dat bijvoorbeeld voor de banenpools, die in 1991 123 miljoen gulden kostten en dit jaar 378 miljoen, volgend jaar 428 miljoen gulden wordt uitgetrokken. De kosten van het jeugdwerkgarantieplan lopen op van 64 miljoen in 1991 via 127 miljoen dit jaar naar 189 miljoen gulden volgend jaar.

Maar helaas, de analyse van het Sociaal en Cultureel Planbureau over het nuttig effect van deze miljoenendans is vernietigend. Het bereik van de maatregelen blijkt gering: als 15 procent van de doelgroep wordt bereikt is sprake van een goede score. Extra laag is het bereik onder allochtonen; etnische ouderen boven de 50 jaar doen zelfs bijna geen beroep op de regelingen.

Liefst tweederde van de langdurig werklozen komt in de praktijk domweg niet voor plaatsing in aanmerking. Soms spelen gezondheidsklachten een rol: relatief veel werklozen kampen hiermee. Soms is het gebrek aan scholing, werkervaring of taalkennis (allochtonen) zó groot, dat zelfs arbeidsmarktinstrumenten te hoog gegrepen bleken. Maar evenzeer speelt een gebrek aan motivatie een rol. Al te vaak komt het voor dat men er in inkomen op achteruit zou gaan als men zou deelnemen aan een gesubsidieerd project. Strenge sancties voor werkweigeraars, zoals in Zweden, ontbreken.

De Vries pleitte vorig jaar al voor strengere sancties. Hij constateerde dat slechts twee op de tien arbeidsbureaus een actief sanctiebeleid voerden. Maar veel verder dan een pleidooi kwam hij niet.

Wat de financiële prikkel betreft pleitte De Vries, ook toen al, voor een verhoging van het arbeidskostenforfait, de belastingvrije som voor werkenden. Op die manier maak je het verschil tussen loon en uitkering groter. Binnen het kabinet stuit dat streven echter op onbegrip.

Maar wat wil De Vries nu met zijn arbeidsmarktbeleid? In deze krant schuwde hij gisteren de term “afschaffing” niet, met name met betrekking tot de diverse loonkostensubsidies. Maar, natuurlijk, eerst is “aanpassing” aan de orde.

Hoe dan ook, de Wet Loonkostenreductie op Minimumloonniveau (WLOM), ingevoerd halverwege 1990, lijkt een kort leven beschoren. Deze wet zorgde voor een subsidie van tien procent. Echter, het grootste probleem wordt niet gevormd door de kosten op het minimumloonniveau, maar door het gebrek aan kandidaten. De vacatures zijn er wel, het ontbreekt aan belangstelling. Loonsubsidies zijn dan niet alleen duur, maar ook overbodig.

Voor de Wet Vermeend/Moor, die uit 1986 dateert en later werd opgenomen in de Kaderregeling Arbeidsinpassing, ziet het er beter uit. Hier gaat het om werklozen die drie jaar zonder werk zitten. Een nieuwe werkgever wordt gedeeltelijk vrijgesteld van betaling van sociale premies, wat neerkomt op een subsidie van bijna 20 procent. De regeling blijkt een succes.

De Vries wil nu ook werklozen die nog maar een half jaar zonder werk zitten van Vermeend/Moor laten profiteren. Dan bestrijd je niet alleen langdurige werkloosheid, je voorkomt het ook. De subsidie moet dan wel omlaag, maar lagere subsidies zouden even effectief werken als hogere.

Het allerbelangrijkst lijkt nu echter een groter verschil tussen werken en niet-werken, tussen loon en uitkering. Maar dat is een hoofdstuk apart.

    • Kees Calje