LEGER IN DE LAGE LANDEN

"De militie van den staat'. Het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden door H. L. Zwitzer 256 blz., Van Soeren & Co 1991, f 49,90 ISBN 90 6881 020 0

Het leger mag zich in de Nederlandse samenleving niet in veel aanzien verheugen. Ook de historici zijn er nooit zeer in genteresseerd geweest. De verrichtingen van de wapenen van de Republiek worden slechts spaarzaam beschreven. Een traditie van serieus onderzoek naar het leger als maatschappelijk lichaam ontbreekt aan de universiteiten geheel.

In de inleiding van zijn proefschrift De militie van den staat meet Zwitzer deze verwaarlozing van het leger breed uit. Een aantal van de artikelen waaruit het boek bestaat, zijn gewijd aan het rechtzetten van misvattingen die een hardnekkig leven leiden in de literatuur. Zo weerlegt hij de wel verdedigde opvatting dat het particularisme van de Republiek er onder extreme omstandigheden toe kon leiden dat het leger in zeven provinciale legertjes uiteenviel. Dat was in werkelijkheid nooit het geval, ook al berustte het gezag over het leger altijd bij veel lichamen.

Bekender is de voorstelling dat het leger van de Republiek grotendeels bestond uit buitenlandse huurlingen, aangevoerd door vreemde adel. Alleen het uitschot van de Nederlandse samenleving en zwarte schapen uit de regentenfamilies zouden voor het leger gekozen hebben. Aan het nuanceren van deze voorstelling besteedt Zwitzer veel aandacht.

In de vroeg-moderne tijd bestonden alle Europese legers uit soldaten die betaald werden. Vaak werden soldaten alleen voor de maanden waarin veldtochten gehouden konden worden aangeworven, als een soort seizoenarbeiders. De Republiek nam haar soldaten voor langere tijd aan. Na de legerhervormingen van Willem Lodewijk en Maurits zou het verspilling zijn geweest om het zorgvuldig getrainde krijgsvolk telkens af te danken. Het is beter te spreken over een staand leger van beroepssoldaten.

Wèl waren de soldaten van de Republiek overwegend buitenlanders. In tijd van oorlog huurde men van buitenlandse mogendheden regimenten. Aan het eind van de Spaanse successieoorlog, toen het Staatse leger zijn grootste omvang bereikte (120.000 man), bestond het voor bijna twee derde uit zulke troepen. Ook van het staande leger van de Republiek, gedurende de 18de eeuw zo'n 40.000 man, maakte altijd een aantal vreemde regimenten deel uit. De eigenlijke Nederlandse regimenten bestonden, voor zover dat te bepalen valt, voor zo'n 40% à 60% uit Nederlanders.

De oorzaak voor deze lage recrutering vindt Zwitzer in economische en demografische factoren, eerder dan in de wel veronderstelde zachtmoedige en vredelievende landsaard van de Nederlanders. Bij de verovering van de oost bleek daar weinig van. De bevolking van de Republiek was gewoon te klein om aan de behoefte van het leger aan manschappen te kunnen voldoen.

Van de officieren was ongeveer driekwart Nederlander. Het officierenkorps als geheel bestond in 1789 voor nog geen 10% uit edelen. Bij de hogere rangen was dat anders. Daar was (afgezien van de technische eenheden als de artillerie, de ingenieurs en de mineurs en sappeurs) slechts een derde van de officieren van burgerlijke afkomst.

Nog veel meer kwantitatieve gegevens over de soldaten en officieren van het leger van de Republiek worden ontvouwd in een groot aantal bijlagen. Die bijlagen maken, samen met de noten, literatuurlijst en het uitstekende register, bijna de helft van het boek uit. Verder biedt het boek nog een artikel over de manier waarop de begroting voor het leger werd opgesteld en de wijze van uitbetaling van de soldaten.