IBERISCHE VLUCHTROUTE

Het verheugt mij zeer dat drs. Herman Speyer de persoon van J.W. Kolkman, Nederlands consul te Perpignan, ter sprake bracht (in uw boekenbijlage van 12 september jl.). Gaarne wil ik daarop een aanvulling geven.

In 1942 woonde in de stad Sète (havenstad dichtbij Montpellier) een uit Den Bosch afkomstige Nederlands-Joodse familie Cohen (ouders, zoon en dochter). Kolkman, die een hoge ethische opvatting van zijn taak had - zulks in schrille tegenstelling tot bepaalde andere figuren in de buitenlandse dienst - meende dat het tijd was de familie Cohen in veiligheid te brengen. Duits-Joodse vluchtelingen werden uit het zogenaamd onbezette Frankrijk al gedeporteerd en Duitse ambtenaren bemoeiden zich al met het doen en laten van de Franse politie.

Er was echter een moeilijkheid: zoon Cohen was bijna 21 jaar oud en Spanje liet geen dienstplichtige vluchtelingen toe die immers tegen Duitsland konden gaan vechten. Geen nood. Kolkman vond een Franse arts bereid zwart op wit onder ede te verklaren dat zoon Cohen, die door de arts nimmer onderzocht of zelfs maar gezien was, aan een ongeneeslijke hartkwaal leed. Een en ander werd op gezegeld papier vastgelegd. Vervolgens werd de medische verklaring in het Spaans vertaald, wederom op gezegeld papier door een beëdigd deskundige.

Met die documenten kwam de familie Cohen ongehinderd en op legale wijze Spanje binnen. Enige dagen later werd heel Frankrijk bezet. De familie Cohen was gered. Die zoon was ik.

    • Edward Cohen