Het zwarte gat van Zolder; De laatste Belgische mijn is dicht

De kompels kwamen deze week in Zolder voor het laatst bovengronds. Want de mijnen mochten dan al lang niet meer rendabel zijn, de Vlaamse kolenwinning bleef tot nu toe doorgaan. Uit angst voor de woede van de mijnwerkers. In Zolder heeft het militante verzet tegen de sluiting echter plaats gemaakt voor berusting. Riante premies verzachtten de pijn. En de jeugd reageert apathisch op een toekomst van werkloosheid. Vruchtbare grond voor het Vlaams Blok.

Jefke Boekx komt uit Herentals, dat zo'n vijftig kilometer verderop ligt. Maar nu de laatste kolenmijn van België in Zolder wordt gesloten, bezoekt de 70-jarige als ware hij een bedevaartganger al de derde dag de plek waar hij 28 jaar ondergronds als eenvoudige maneuver (handlanger) werkte, ""want de mijn laat je niet los''.

Bij zich heeft hij een doosje met het opschrift "Ereteken van de arbeid 1e klas'. Dat is een medaille die hij kreeg voor zijn nijvere werk dat duurde tot hij in 1976 werd gepensioneerd. "Bekwaamheid, zedelijkheid' staat op de medaille.

Hij heeft ook het strookje van zijn maandelijks pensioen op zak, want ze mochten hem bij de mijn eens niet herkennen als een vroegere kompel. Hij krijgt 31.328 frank per maand (ruim 1700 gulden), wat voor een vrijgezel niet kwaad is. Omdat hij ook nog voor 30 procent stoflongen heeft, die hij opliep door het inademen van het kolenstof, krijgt hij uit een speciaal fonds nog eens 6.000 frank (330 gulden) per maand er bovenop. Alleen na het eten, als het hart wat meer inspanning moet leveren, heeft hij een bekneld gevoel op de borst. Voor de rest geniet dit vrolijke manneke van slechts weinig turven hoog, gestoken in knalrode schoenen, van het leven.

""De eerste jaren moest ik met de schop de kolen in een wagentje laden. Dat is later gemechaniseerd. Ze joegen achter je aan en riepen: rapper, rapper. Maar de kameraadschap daaronder was heel goed, we hebben ook veel plezier gehad.'' Een dan begint hij midden in het café, dat tegenover de mijn ligt, een liedje te zingen dat gaat over "Jozefien in het vliegmachien'. Als hij alle strofen heeft afgewerkt en zijn goulash met frieten koud zijn geworden, lacht hij zijn gehavende tanden bloot.

Polsstok

Op het terras van hetzelfde café zit Hans Hofer die vijfenzestig jaar is. Hij is in mijnwerkerstenue gestoken, compleet met helm en zweetdoekje, in welke dracht hij als gids mensen rondleidt in het mijnmuseum in Beringen. Hij was in de mijn blijven hangen toen hij na de oorlog als Duitse krijgsgevangene er verplicht werd tewerkgesteld. Hij trouwde een Belgisch meisje, vandaar. Eenenveertig jaar heeft hij erop zitten, het laatst als hoofd van de opleiding van jonge mijnwerkers.

Hij heeft een stok in de hand. Het is van essehout en het heeft een koperen hamertje als handvat. Het is een verfraaide uitvoering van de zogenoemde polsstok, waarmee men in de mijnen al kloppend tegen het "dak', dat wil zeggen het plafond van de pijler waarin de kolen werden gedolven, kon horen of de steen los zat. Het essehout geleidde de trillingen perfect en dan wist men of er instortingsgevaar dreigde. Als je het handvat van het stokje afdraait, komt er een dun glazen buisje uit, waarin sterke drank heeft gezeten.

""Hoeveel stof hebt gij?'' vraagt Hofer en als blijkt dat hij Jefke met bijna dertig procent overtreft, is hij gerust, want de beroepsziekte wordt als een lastige maar eervolle zaak beschouwd. Zij levert Hofer per maand 17.000 BF extra op uit het stoflongenfonds. Zijn pensioen bedraagt 24.000 BF per maand. ""Niet kwaad, maar de mannen die nu worden gepensioneerd krijgen meer.''

Op de longafdeling van het Sint Barbaraziekenhuis in Lanaken, hoort men ze, zegt longarts dr. J. Verhaert, ook nauwelijks klagen. ""Eén op de drie mijnwerkers werd met stoflongen opgezadeld. Maar men beschouwt het als een ziekte die erbij hoorde. Er was geen ander werk: men was dus tot de mijn veroordeeld en bovendien betaalde het goed.''

Bij antraco-silicose, de wetenschappelijke naam voor stoflongen door kolenstof, zetten de kleinste deeltjes steenstof zich vast op de longen, waar ze ontstekingen veroorzaken met als ergste gevolg vernietiging van het longweefsel. Om nog wat adem te krijgen, is men op gezette tijden aangesloten op een zuurstoffles, die men nu in gemakkelijke meeneemverpakking kan krijgen. ""Na tien passen lopen is men doodmoe, men is dus bijna continu bedlegerig'', aldus Verhaert. ""Ze gaan dood aan complicaties, zoals hartritmestoornissen, tbc-infecties of longontstekingen. De laatste jaren komen er veel minder gevallen bij omdat de omstandigheden in de mijnen aanzienlijk zijn verbeterd. De patiënten die wij hebben werkten vijfentwintig jaar geleden in de mijn.''

Tegenwoordig worden de te winnen kolenlagen van tevoren met water geïnjecteerd, wordt er geregeld water gesproeid en wordt stof door een betere ventilatie sneller afgezogen. Bovendien gebeurt het winnen van kolen aan het zogenoemde kolenfront overwegend machinaal. Pikhouweel en afbouwhamer zijn verleden tijd.

Hofer heeft gewerkt in de mijn van het naburige Beringen, die eind jaren tachtig met die van Zolder werd geïntegreerd op het moment dat de eerste tekenen van het naderende einde zichtbaar werden. Het delven van de kolen kostte op 't laatst 500 gulden per ton, terwijl men er maar 90 gulden voor kreeg, zo vermeldt bij het waslokaal in de mijn van Zolder het verslag van de ondernemingsraad van juni jl. Volgens de mijndirectie was die verhouding drie op één. In het verslag van de ondernemingsraad wordt ook de vraag gesteld of het waar is dat bij gebrek aan vervangend werk mensen van de Kempense Steenkolenmijnen (KS) op fruitplukken zijn gestuurd. Sinte Barbara, de patrones van de mijnwerkers, heeft er een beeldje en kijkt goedertieren op haar jongens neer. "Putheks' Leyn Wecks (in België noemt men een mijn een put) waart hier volgens de overlevering ergens onder de grond rond en heeft nu bijna het rijk voor zich alleen.

Bodemloze put

Vanaf deze week heeft België geen enkele mijn meer, worden de zes schachten van Houthalen, Zolder en Beringen in het Westelijke kolenbekken met in totaal 36.000 kubieke meter beton volgestort en zal op den duur het water bezit nemen van het onderaardse labyrint, waarin volgens directeur ondergrond ir. A. van Parijs nog voor ten minste 500 miljoen ton aan winbare kolen zit. Dat is evenveel als in bijna negentig jaar werd gewonnen.

Daarmee is een einde gekomen aan een bijna negentigjarige geschiedenis, die Belgisch Limburg aanvankelijk voorspoed bracht, maar waarin ook honderden dode mijnwerkers waren te betreuren. Op het laatst waren de mijnen meer gaan lijken op een bodemloze put, waarin ten minste 16,5 miljard gulden staatsgeld werd gestort.

""Een epoque is voorbij, maar economisch gezien kon het niet anders'', zei deze week tijdens een afscheidsetentje secretaris-generaal F. van Craeynest van de Kempense Steenkolenmijnen, die sinds 1967 de Belgisch-Limburgse mijnen exploiteerde. En toen was er champagne en een koud buffet. Niet overal in de Mijnstreek ziet men dat uiterlijk vertoon even graag.

Er wordt schande gesproken over het afscheidsfeest met open dagen in het voorbije weekeinde dat tussen de 60 en 80 miljoen frank (tussen de 3 en 4 miljoen aan Nederlandse guldens) zou hebben gekost en 70.000 bezoekers trok. Opzichter Hubert van Bilzen van de mijn in Zolder zit er ook een beetje mee: ""Het is eigenlijk een begrafenis.'' ""Voor een bedrijf dat sterft, hoort men een krans te leggen en geen champagne te drinken'', zegt de 50-jarige oud-mijnwerker Mimoun Abdelmalek, een Marokkaan. Maar in deze streken is het gewoon om na het teraardebestellen van een dierbare dode een flinke pint te vatten.

Van de reconversie, het scheppen van vervangend werk, is tot nu toe niet bijster veel terechtgekomen, zeggen critici. Oud-mijnwerkersleider Luc Cieters: ""Nadat de staat in 1968 had beloofd de verliezen te zullen dekken, hebben de particuliere eigenaren de verliezen opgevoerd en miljarden franken in de zak gestopt. Dat eindigde pas in 1982. Dat geld is allemaal voor de reconversie verloren gegaan.''

Schepen Richard Heyligen, gepensioneerd mijnmeter van de mijn in Beringen: ""De KS doet weinig aan de reconversie. In onze gemeente is er niet één nieuw bedrijf gekomen.'' E. Beliën, directeur personeelszaken van KS: ""De KS heeft vijftien dochters opgericht, die samen aan vijftienhonderd mensen werk bieden. Over tien jaar zullen we ten minste tienduizend nieuwe arbeidsplaatsen hebben geschapen. Wij hebben daarvoor de middelen: dertien miljard frank om mooie dingen te doen. Natuurlijk is het niet niks als er in een paar jaar tijd 16.000 arbeidsplaatsen vervallen (anderen spreken over 20.000 plaatsen, MP), maar als je beziet dat de werkloosheid in Limburg de laatste jaren sterk is gedaald, kun je toch moeilijk volhouden dat de reconversie niet is geslaagd.'' De Limburgse Investerings Maatschappij in Hasselt, die met reconversiegelden nieuwe bedrijvigheid lokt, meldt dat er sinds de oprichting in 1987 zo'n 2.000 nieuwe arbeidsplaatsen zijn gerealiseerd.

Wurgingspolitiek

Opnieuw doet dezer dagen de complottheorie de ronde. Zij komt erop neer dat de Generale Maatschappij, die belang had in de Belgische steenkolen en dat nog heeft in de staalindustrie en de elektriciteitsbedrijven, via Petrofina kolenvelden kocht in de Verenigde Staten en aldus de Belgische steenkool de nek omdraaide. Cieters: ""Op die manier werd er een wurgingspolitiek gevoerd.''

Beliën van de KS: ""Complotten of niet: de economische realiteit dwong ons de mijnen te sluiten. Op zes miljoen kolen maakten we per jaar een verlies van vijftien miljard frank. De gemeenschap wenste dat niet meer te betalen. Daar moeten we mee leren leven.''

De Brusselse hoogleraar in de economie dr. W. van den Panhuyzen: ""Er is veel te lang veel te veel geld gestopt in een bedrijfstak die alleen maar verlies opleverde. De angst voor de mijnwerkers heeft de politiekers ervan weerhouden om op tijd de mijnen te sluiten. Daardoor is er te weinig van de reconversie terechtgekomen. Wat er aan nieuwe arbeidsplaatsen is, is spontaan gekomen zonder dat het door een reconversiebeleid werd gesteund. Er is vooral de laatste jaren nogal royaal met geld gesmeten. Honderd miljard frank is gestoken in sociale maatregelen, die hun gelijke in België niet kennen: wie vrijwillig vertrok kreeg een gouden handdruk van achthonderdduizend frank (ongeveer 45.000 gulden). Ondergronders met 20 dienstjaren en bovengronders met 25 dienstjaren hebben een goed pensioen gekregen, ook al zijn ze soms nog maar vijfendertig jaar oud. Wie zich laat omscholen krijgt twee jaar lang zijn volle salaris door de KS uitbetaald. Met dat alles is de sociale onvrede afgekocht. Maar de voorkeursbehandeling heeft in andere sectoren, zoals de staalindustrie, scheve ogen gegeven.''

Er heerst somberheid over de toekomst, vooral voor die van jonge migranten. De gemeente Heusden-Zolder heeft 30.000 inwoners. Van hen behoren er 6.000 tot wat in Nederland de etnische minderheden worden genoemd; daarvan zijn 4.000 van Turkse afkomst. Men ziet ze overal zitten in hun koffiehuizen, die namen dragen als "De Laatste Mijn' of "De Mijnwerker'. Sommigen hebben er een eetgelegenheid. Men ziet ook nogal wat aanzienlijke auto's rijden, gekocht van de oprotpremie.

De helft van de werknemers bij de mijnen in Belgisch Limburg, schat Raf Nulens van het Integratiecentrum van Heusden, was buitenlander. In 1945 al had België in ruil voor steenkool 30.000 Italiaanse arbeiders laten overkomen. Daarna kwamen er Polen en in het begin van de jaren zestig, toen steeds minder Belgen bereid waren het vuile werk op te knappen, de Turken en Marokkanen. In de hoogtijdagen werkten er 40.000 mensen in de Limburgse steenkolenmijnen.

Het Integratiecentrum probeert de omstandigheden van de allochtonen te verbeteren onder meer op het gebied van huisvesting en scholing, want, aldus Nulens, ""veel kinderen op de lagere school hebben al een achterstand van drie, vier jaar omdat ze de Nederlandse taal niet meester zijn. De ouders zaten in de mijn, dus gingen de kinderen er haast vanzelfsprekend ook heen. Daardoor werd in de migrantengezinnen minder aandacht aan een goede scholing besteed, de toekomst was toch verzekerd. Totdat de KS in 1986 stopte met aanwerven. Toen vielen ze in een diep, zwart gat.''

Opleiding

Mimoun Abdelmalek, die bij het Integratiecentrum als vrijwilliger werkt en de Turkse en Marokkaanse gezinnen opzoekt, kan zich nog herinneren dat hij in 1963 na enige omzwervingen door Europa in Zolder terechtkwam en daar ""als een koning'' werd ontvangen. Zelf heeft hij zijn vier kinderen een goede opleiding laten volgen. Maar toen een van zijn zonen in Hasselt een kamer zocht werd hij, ondanks zijn Belgisch paspoort, door de huisbaas afgewezen op grond van zijn naam.

Volgens Nulens en Abdelmalek zijn de gevolgen van de werkloosheid al te zien. ""Ze zitten thuis of hangen wat rond op straat, ze vervelen zich. De criminaliteit en het gebruik van drugs, ook van hard drugs als heroïne, nemen toe. Het gokgedrag begint verontrustende vormen aan te nemen. Dat is allemaal voor een deel te wijten aan hun slechte scholing en aan het gebrek aan toekomstperspectief nu ze niet meer bij de mijnen terechtkunnen. En als ze wel goed geschoold zijn, komen voor dezelfde baan eerst de Belgen en dan de Italianen en Polen in aanmerking. Ze zijn een restgroep aan het worden.'' De voedingsbodem voor rechts-extremisme lijkt vruchtbaar. ""Men hoort nu al zeggen dat het werk eerst voor de Belgen is. De mannen van het Vlaams Blok beginnen zich hier al te roeren. De politiekers zijn er voor een groot deel zelf schuldig aan, want de reconversie is een misleiding: een mooie doos met een zwierige strik erom maar niks erin.''

In de mijnen wilde het nog wel lukken met de verstandhouding tussen bruin en blank. "Onderin' was immers iedereen zwart. En voor iedereen was het gevaar even groot. De vrouw van mijnmeter Heyligen uit Beringen: ""Je zat thuis altijd in angst als je man ondergronds was. Je kunt het vergelijken met de vrouwen van zeelieden, die zich ook steeds afvragen of het schip wel veilig zal terugkeren.''

Onverschillig

Op straat kreeg men tijdens de open dagen van het afgelopen weekeinde niet de indruk dat er spanningen zijn. Autochtonen en allochtonen liepen vredig en vrolijk door elkaar heen toen in de straten van Heusden markt werd gehouden. Volgens Jos Evens van de gemeentelijke dienst voor tewerkstelling in Heusden is dat ""gedeeltelijk schijn die bedriegt. Volgens mij wordt het gebrek aan werk voor de jongere migranten in de toekomst het grootste probleem. Ik krijg hier jonge mensen aan het loket die volstrekt onverschillig zijn als je zegt dat je geen werk voor ze hebt; dat geldt trouwens voor Belgische jongeren ook. De Kempense Steenkolenmijnen heeft zelf een begeleidingsdienst opgericht om ex-mijnwerkers aan ander werk te helpen. Dat loopt goed, maar het werk is van korte duur, dus biedt het geen structurele oplossing. Ze worden weer op straat gezet en dan voelen ze zich nog meer overbodig.''

""Bovendien'', zeggen Nulens en Abdelmalek, ""worden de jongeren thuis ook niet gestimuleerd. Er zijn vaders, die door de sluiting van de mijnen al met vijfendertig jaar met pensioen zijn gegaan en die 's morgens lang in hun bed blijven liggen. Dan zeggen de kinderen al vlug: waarom zou ik naar school gaan als je zonder opleiding ook geld kunt verdienen?''

Voor het openhouden van de mijnen tot de laatste snik heeft België een zeer hoge tol betaald. Tussen de jaren vijftig en nu heeft de staat er 300 miljard frank (16,5 miljard gulden) in gestopt. Dat is gedeeltelijk een gevolg van een in 1967 gedane belofte dat mijnen pas zouden worden gesloten als er ander werk zou komen. Zo niet, dan zou de staat het verlies op de kolenwinning financieren.

Men kan in dit verband spreken van het Zwartberg-syndroom. Zwartberg is het Oostlimburgse mijndorp, waar in 1966, toen besloten was de mijn als eerste te sluiten, de mijnwerkers wekenlang slag leverden met de Rijkswacht. Daarbij kwamen twee mensen om het leven. De doden zouden martelaren worden van de Limburgse mijnwerkersgemeenschap. Deze week legde een groep van naar schatting tweehonderd mijnwerkers uit Zolder kransen neer op hun graven.

Zwartberg werd gesloten, daarna volgden er meer mijnen in het Oosten. In de roerige jaren tachtig, toen in het Oosten de laatste drie mijnen dicht gingen, zijn er vele veldslagen geleverd. Boze mijnwerkers trokken gehelmd en met knuppels gewapend op naar de provinciehoofdstad Hasselt of naar Brussel om er flink huis te houden. Gevechten van man tegen man met de Rijkswacht eisten aan beide kanten vele gewonden. De schade was aanzienlijk. De mijnwerkers verloren langzamerhand het krediet bij het publiek.

Fricties

Mijnwerkers, die in het Oostelijke bekken niet met een premie van 800.000 frank vertrokken of nog niet voor pensionering in aanmerking kwamen, konden in het Westelijk bekken hun tijd volmaken totdat ze voldoende pensioenjaren hadden opgebouwd. Dat leidde soms tot fricties, want elke mijn heeft haar eigen eergevoel en de nieuwkomers werden als indringers beschouwd, die bovendien de spoeling dun maakten als het straks op geldverdelen aankwam.

Op het toneel was toen de veel besproken Thyl Gheyselinck verschenen. D'n Ollander, zoals men in België zegt, omdat hij een Nederlandse moeder had, of in minder vleiende bewoordingen "de koele rekenaar', de "wurger van Limburg' en "de slager'. Maar Gheyselinck, inmiddels uit KS-dienst en adviseur in Tsjechoslowakije bij het privatiseren van de steenkool- en bruinkoolmijnen, zag direct na zijn aantreden dat sluiting van de mijnen de enige remedie was.

Volgens zijn redenering zou hij, als hij in staat was de mijnen eerder te sluiten, "van de laatste enveloppe' van 99 miljard frank aan Belgische staatssteun, geld overhouden. Geld waarmee vervangend werk zou kunnen worden verschaft. Hij had een gigantisch themapark voor ogen in Eisden in het Oostelijk kolenbekken, waar misschien wel 4.000 mensen een baan zouden kunnen vinden. Nu nog houdt hij vol, zo meldt het streekblad "Het Belang van Limburg' in een vraaggesprek, dat alles gereed was om het project van de grond te brengen, maar dat de directie van de KS er op het laatste nippertje van afzag. Het project zou nu in sterk verkleinde vorm worden opgezet, maar in de straten van de Limburgse mijngemeenten twijfelt men ook daar sterk aan. "Er is al zoveel beloofd.'

Nog ziet men hier en daar in de Mijnstreek leuzen hangen met "Gheyselinck buiten'. Bij de mijn van Zolder was afgelopen zondag een sticker aangebracht: "Vandaag de flater, morgen de kater'. Leden van de linkse splinterpartij Partij van de Arbeid werden bij de ingang van de mijn in Beringen verwijderd, omdat ze de toestroom van het publiek zouden belemmeren. Waarschijnlijker is dat ze werden geweerd omdat ze voortdurend kritiek hebben geleverd op mijndirecties, vakbonden, regering en hoofdopzichters, die op het laatst de machtigste belangengroep binnen de KS werden. Kris Hertogen van de PVDA: ""Ge moet in Genk in het Oostelijk bekken eens gaan kijken wat er van de jeugd terecht is gekomen. Daar wemelt het in het shoppingcentrum van de drugsverslaafden.''

Twee bovengrondse mijnwerkers op het mijnterrein van Zolder kijken peinzend omhoog naar de schachtwielen: ""Sinds 1987 heeft de KS 99 miljard frank gehad. Waar zijn die gebleven?'' Over het mijnterrein lopen Turken in groepjes bijeen, de handen op de rug. ""Het is voorbij, voorgoed voorbij.'' De hese stem van Adamo, de zoon van een uit Italië afkomstige mijnwerker, schalde zondag tijdens de open dag door luidsprekers over het mijnterrein van Zolder. Hij zong over "la blanche solitude'.

Een beetje bitter is óók Hans Hofer. ""Vanavond'', zei hij woensdagmiddag toen KS-directeur J. van den Broeck onder in de mijn gevoelige woorden had gesproken, waarbij hij de mannen bedankte en de doden herdacht, ""houden ze in een tent bij de mijn een groot sluitingsfeest. Daar komen alleen de hoge heren. Ons eenvoudige mijnwerkers heeft men niet uitgenodigd, we zijn allemaal vergeten.''

    • Max Paumen