Het verhaal van Gerrit Kleinveld; De bittere erfenis van de oorlog

Deze week ging de film "De bunker' van Gerard Soeteman in première. De film behandelt hoofdzakelijk de wonderbaarlijke ontsnapping van de nu 77-jarige verzetsstrijder Gerrit Kleinveld uit het cellenblok voor ter dood veroordeelden in het concentratiekamp Amersfoort. Wie is deze Gerrit Kleinveld, waarom kwam hij in Amersfoort terecht en hoe kijkt hij op de oorlogsjaren terug? Een verhaal over verraad en vetes in het verzet die tot lang na de oorlog duurden.

Gerrit Kleinveld: ""De mensen kunnen ons niet altijd begrijpen. Als je in zo'n hel bent geweest, waar men je vernederde en folterde en doodhongerde, is dat bijna niet aan anderen over te brengen.''

Een dag na de première van De bunker werd Gerrit Kleinveld opgebeld door de schoonzoon en de dochter van de man die hem destijds verraden heeft. Het gesprek met de schoonzoon had hij nog wel kunnen opbrengen. Maar toen de dochter zèlf aan de telefoon kwam, was het niet meer te harden geweest. Hij schoot vol - evenals zij - en beëindigde het gesprek.

Het is nu allemaal vijftig jaar geleden, maar Kleinveld praat erover alsof het gisteren gebeurd is. Met woede en soms grote bitterheid, maar niet met spijt.

""Ja, ik zou het overdoen als ik nu voor dezelfde keus stond. Met alleen dit verschil dat ik mijn vrouw eerder zou meenemen in het verzet. Ik wilde haar juist beschermen omdat ze moeder van een kind was. Zij is pas ondergedoken na mijn vlucht uit de bunker van Amersfoort in 1943. Ze zat alleen ergens in Friesland en is ook opgepakt. Zij heeft het er ook na de oorlog verdomd moeilijk mee gehad en is er uiteindelijk aan onderdoor gegaan.''

Hij is tevreden over de film van Gerard Soeteman, al hadden de andere personages wat hem betreft meer geprofileerd mogen worden. ""Ik heb nooit een film gewild waarin ik als een soort boeienkoning van de kermis geportretteerd zou worden. Ik wilde dat die film vooral zou laten zien hoe en waarom die andere mensen er zaten en wat hun lot was. Dat zit er ook wel in, maar ik weet niet of het voldoende overkomt.''

Geëmotioneerd: ""Ik denk aan die 350 ter dood veroordeelden die op de Leusderhei en in de bossen rond het kamp zijn terechtgesteld. Allemaal zijn ze via de bunker afgevoerd. Ik heb een aantal van hen horen komen en gaan, ik heb ze gesproken, ik heb hun wanhoopskreten gehoord. Laat de film een ode zijn aan die mensen.

""Ik voel me schuldig tegenover die mensen'', voegt hij eraan toe, en het klinkt bijna wanhopig. ""Ik ben 77 jaar geworden en die mensen hebben zo jong het leven moeten laten. Ik weet wel dat ik me niet schuldig hoef te voelen, maar ik kom daar niet onderuit. Ik kom daar niet onderuit . Voor ik ontsnapte, heb ik geworsteld met de gedachte: als het lukt, dan wordt het hele kamp met twee dagen eten-inhouding gestraft. Maar ik had zelf niets te verliezen, ik kon hooguit doodgaan met wat meer pijn.

""Je hoorde bij die mensen. We huilden en scholden tegen elkaar, we pestten elkaar, we deden stoer, we praatten steeds weer over eten - allemaal manieren om jezelf overeind te houden. Wanhoopsgedrag.

""We hebben ook gewone gesprekken gevoerd. Vooral met Louis Schrander, net als ik een socialist, heb ik goed kunnen praten. Ja, dat ging door de muren heen. We zaten allemaal in afzonderlijke cellen en vijf van ons, onder wie ik, waren aan de muur geketend. Ook waren de cellen van die vijf volledig verduisterd. Als je ogen uitvallen, wordt je gehoor enorm verscherpt. Eerst is er alleen een hol gegalm van stemmen, maar langzamerhand leer je ze onderscheiden en ga je hele gesprekken voeren.

""Het stonk er vreselijk, de Duitse bewakers deinsden er voor terug. Je had altijd hongervisioenen. Ik heb er geleerd dat de wetten van de natuur veel sterker zijn dan alle normen en moraal. Honger kent geen moraal. Je geest vecht niet meer, maar je lichaam. Eten - dat was op het laatst het enige waar je nog aan kon denken. We kregen alleen afval te eten, koolbladeren. Het brood was vies en klef, het was afkomstig van een Amersfoorts bedrijf dat zich Het smulhuis noemde.

""De gelovige mensen waren mentaal het zwakst, ze waren in staat je te verraden - wat ik ze niet kwalijk neem.''

Hij is een boerenzoon uit het Utrechtse dorp Woudenberg die als jonge man radicaal voor een ander leven koos. Hij brak met het gereformeerde geloof van zijn ouders en werd socialist. Ook het boerenbedrijf trok hem niet; hij werd bouwkundig tekenaar.

Een socialist in Woudenberg? Dat kon niet de bedoeling van de Here Here zijn geweest. ""De mensen keken minachtend op ons groepje socialisten neer. Iedereen, ook mijn ouders, zei: "Daar hoor jij niet thuis.' De predikanten praatten de mensen angst aan voor het socialisme, dat het op hun godsdienst zou hebben gemunt. Voor mij was het socialisme een onontkoombare keus, want ik had oog gekregen voor de ellende van de werklozen temidden van de kapitalistische toestanden.''

Hij werd in 1937 voor de SDAP lid van de gemeenteraad, trouwde en kreeg werk op een architectenbureau in Doorn. ""Met politieke partijen wil ik me niet meer te veel identificeren'', zegt hij nu. ""U zult het misschien niet geloven, maar ik ben eigenlijk een pacifist. Ik liep voor de oorlog met het gebroken geweertje. In de oorlogsjaren ben ik bij ruwe dingen betrokken geraakt, maar in mijn hart ben ik pacifist gebleven. Ik ben ook tegen de doodstraf. Berg, de kampcommandant van Amersfoort die de doodstraf had gekregen, heeft mij gevraagd of ik zijn verzoek om gratie wilde ondersteunen. Dat heb ik geweigerd, en daar heb ik nog steeds spijt van. Ik weigerde omdat ik de overlevenden van de oorlog niet wilde kwetsen.''

Hij nam ontslag toen zijn werkgever in 1940 opdrachten van de Wehrmacht aannam. ""Dergelijke mensen beschouwden dat als normaal. In die tijd werd het vliegveld Soesterberg enorm uitgebreid. Er moesten bunkers komen om de vliegtuigen te beschermen. Op de Leusderheide kwam een munitie-opslagplaats. Duizenden Nederlanders hebben voor de Wehrmacht gewerkt.''

In zijn dorp richtte hij een illegale cel op en hij kwam in contact met bekende verzetsmensen als Harry Reeskamp en - vooral - Theo Dobbe, die de leiding van de groep zou krijgen. De groep-Dobbe verrichtte sabotagedaden, hielp onderduikers en werkte mee aan de verspreiding van Vrij Nederland.

Onder leiding van de charismatische Dobbe, een van de opmerkelijkste Nederlandse verzetsstrijders, werd in het Friese Joure op 14 oktober 1942 de eerste beroving in Europa van een distributiekantoor voor bonnen en bonkaarten uitgevoerd. Onder de zeven overvallers bevonden zich, behalve Dobbe, onder anderen Gerrit Kleinveld, diens zwager Evert van Voorthuizen en Dick van Veen, bekend van zijn werk voor Vrij Nederland.

De beroving leek geslaagd - de buit was spectaculair groot -, maar de nasleep van "Joure' was buitengewoon bitter voor de betrokken verzetsmensen. Praten met Gerrit Kleinveld betekent - vijftig jaar later - nog steeds wroeten in de door "Joure' veroorzaakte trauma's. De groep-Dobbe, afkomstig uit het westen en midden van Nederland, werd later immers verraden door Friese tipgevers aan de politie (tien mille voor een goede tip), overijverige Friese politiebeambten en joodse onderduikers die men nota bene had geholpen bij de onderduik.

Onder die politiebeambten waren er zelfs twee, Jaap Nieuwland en Sietse de Jong, die hadden geassisteerd bij de beroving, maar zich na verhoor door de Duitsers tot agent-provocateur lieten bekeren. Zij hielpen zeer actief bij de speurtocht naar Dobbe en de zijnen. En met succes: zo werden Kleinveld en Van Veen opgepakt na verraad door Nieuwland.

Gerrit Kleinveld: ""Ik heb altijd gevonden dat je een onderscheid moet maken tussen de mensen die doorslaan bij een verhoor en de mensen die een echte verradersrol gaan spelen. Voor het doorslaan moet je begrip hebben. De methoden van de Duitsers waren zodanig dat de doorsnee man of vrouw doorsloeg. Je denkt weerstand te kunnen bieden, maar het is niet zo. Er zijn er maar enkelen geweest die hun mond stijf dichthielden.''

De tactiek van de eerzuchtige Kriminalkommissar Walter Julius Horak van Abteilung V van de Sicherheitspolizei, belast met de leiding van het onderzoek, was vruchtbaar gebleken. Van meet af aan had hij geprobeerd een wig te drijven tussen de Nederlandse verzetsmensen.

""Die wig lukte'', zegt Kleinveld. ""De Duitsers maakten de groep-Dobbe verdacht, zij beweerden dat wij bonnen ten eigen bate hadden verkocht, en dat wij een stel zuiplappen en gewone criminelen waren. Ook de mensen van het Friese verzet, dat vóór onze komst overigens nauwelijks bestond, trapten er gretig in. Zij gingen meepraten met de Duitsers en rechtvaardigden op die manier hun verraad.''

De wig van Horak zou later nog diabolischer vormen aannemen. Horak wilde vooral één doel bereiken: de arrestatie van Theo Dobbe, die door de Duitsers als een van de belangrijkste gangmakers van het Nederlandse verzet werd beschouwd. Om dat doel te bereiken, was Horak bereid kleinere visjes te laten wegglippen, zoals de joodse onderduiker die als eerste de naam van Dobbe had genoemd. Hij mocht met zijn vrouw naar Zwitserland uitwijken.

Ten slotte slaagde Horak er zelfs in tweedracht te zaaien binnen de groep-Dobbe. Als Kleinveld daarover uitweidt, raakt hij nog steeds danig geëmotioneerd. Voor hem staat het onomstotelijk vast dat Dick van Veen, een van "de zeven van Joure', na zijn arrestatie in januari 1943 door de Duitsers een verrader is geworden. Ten gevolge van verraad door Van Veen zou Van Voorthuizen zijn opgepakt en bijna ook Dobbe.

Kleinveld: ""Een ordinaire verrader, die Van Veen. Een groot komediant en bluffer. Ik vind het jammer, hoor, ik heb hem ooit als een vriend beschouwd. Hij is bij Horak gaan capituleren. Ik zeg u dit keihard, omdat ik het kan bewijzen. Ik ga geen dingen zeggen die ik niet kan verantwoorden.''

Na de oorlog heeft Van Voorthuizen een officiële aanklacht tegen Van Veen ingediend, maar er werden onvoldoende gronden gevonden voor een vervolging. In kringen van oud-verzetsstrijders bleven Kleinveld en Van Voorthuizen hun aantijgingen tegen Van Veen rondstrooien. Het kwam in 1974 tot een nieuwe uitbarsting toen Sjoerd Leiker, een vriend van Van Veen, over "Joure' een tv-documentaire voor de NCRV maakte.

Kleinveld en Van Voorthuizen protesteerden al voor de uitzending tegen het scenario dat te veel op de lezing van Van Veen zou berusten. Leiker zou daarop een aantal wijzigingen hebben aangebracht. De verdachtmakingen isoleerden Van Veen in het wereldje van gewezen verzetsmensen en brachten hem op de rand van een instorting. ""Hij heeft mijn leven vernield'', heeft Van Veen (inmiddels overleden) zich eens laten ontvallen over Kleinveld.

Het staat vast dat de gearresteerde Van Veen in maart 1943 door de Duitsers is vrijgelaten op voorwaarde dat hij contact zocht met Dobbe - Jo Pellicaan, een vriend van Van Veen, fungeerde in de tussentijd als gijzelaar van de Duitsers. Van Veen vond Dobbe en bracht hem het volgende voorstel over: als Dobbe zichzelf zou aangeven, dan zouden de Duitsers een aantal andere arrestanten (inclusief Van Veen), vrijlaten.

Van Veen zei in een vijf uur durend onderhoud met Dobbe: ""Als jij werkelijk de historische figuur wilt worden die je voorgeeft te zijn, dan moet je je melden. Ik heb de indruk dat het je niet het leven zal kosten. Maar je moet het zelf weten. Alleen is nu de verantwoordelijkheid van mij af. En ik zal het spel met Horak blijven spelen, tot ik er geen nut meer in zie.''

Dobbe weigerde gedecideerd. ""Ik ben Jezus Christus niet'', reageerde hij. In tegenstelling tot Van Veen die Horak een eerlijk man noemde, vertrouwde hij de Kriminalkommissar niet. Dobbe bleef in de onderduik en zou pas in 1944 worden gepakt en geëxecuteerd.

Het verweer van Van Veen luidde later dat hij een spel met de Duitsers speelde: hij deed alsof hij hen behulpzaam was en probeerde op die manier tijd te winnen om de arrestanten los te krijgen. Dat zou de reden zijn geweest van zijn ontmoetingen met en brieven aan de Duitsers. Kleinveld echter: ""Van Veen is zwak geweest. Hij heeft uit eigen lijfsbehoud gedacht: dan maar Dobbe eraan wagen. Terwijl tegen Dobbe toen al een doodvonnis was uitgesproken. Hoe kun je dat nou maken?''

Van Veen heeft na de oorlog beweerd dat hij zijn contact met de Duitsers medio april 1943 afbrak, maar zijn laatste brief aan de Duitsers dateert van 19 juli 1943. Daarin schrijft hij: ""Ik heb werkelijk den indruk en werkelijk de overtuiging dat ik nu van twee kanten gezocht wordt, n.l. door de S.D. die mij niet vertrouwt en de illegale beweging die mij niet vertrouwt. Van beide zijden kan ik een dezer dagen een kogel verwachten en dat is geen prettig idee (...) De strijd die ik sinds 23 januari heb moeten voeren is meer geweest dan ik kan dragen. Het duurt niet lang meer of ik zal de strijd opgeven en mij aan een van beide partijen op genade of ongenade overgeven. Ik ben door en door vermoeid en op. Vol idealen om te werken voor het heil van mijn volk ben ik mijn illegale loopbaan begonnen en veel heb ik gedaan tot leniging van nood waar die heerschte. Ik ben de dupe geworden van mijn enthousiasme en van een egoïst. Mijn teleurstelling is groot. Mocht ik nog iets hooren, dan krijgt u bericht.''

Die egoïst - daarmee doelde hij op Dobbe. Kort na verzending van de brief moet Van Veen aan het Sneekermeer zijn ondergedoken. Van Veens brief is op het eerste gezicht zeer belastend - voor Kleinveld is het dan ook onderdeel van zijn bewijsmateriaal. Maar er is - en dat geldt voor al het belastende materiaal - ook een omgekeerde interpretatie mogelijk: de brief is dan simpelweg een tactische manoeuvre waarmee de Duitsers aan het lijntje werden gehouden.

Dr. L. de Jong schrijft in deel zes van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog: ""Wat Van Veen betreft, staat overigens ons inziens vast dat deze nimmer van plan geweest is, Dobbe aan Horak in handen te spelen; wèl vond hij dat op Dobbe de plicht rustte, zich bij de Sicherheitspolizei aan te melden om de levens van anderen te redden.''

Van Veen beweerde na de oorlog dat hij Dobbe heeft benaderd na ruggespraak met de kerngroep van Vrij Nederland. Wat vond men daar eigenlijk van zijn contacten met de Duitsers?

Arie van Namen, befaamd lid van die kerngroep, zegt desgevraagd: ""Wat zich precies tussen Van Veen en de Duitsers heeft afgespeeld, was ook voor ons moeilijk in te schatten en is eigenlijk altijd wat raadselachtig gebleven. Hij heeft ons inderdaad het voornemen voorgelegd om met Dobbe te gaan praten. Of wij hem daarvoor toestemming hebben gegeven? Dat is een te zwaar woord. Ik zou liever zeggen: het is met ons medeweten en na onze raad gebeurd. Wat er in de maanden daarna (na het mislukte gesprek met Dobbe - red.) tussen Van Veen en de Duitsers is gebeurd, is verder buiten onze controle omgegaan. Ik weet het niet zeker, maar ik geloof niet dat wij toen nog contact met Van Veen hebben gehad. Ik vertrouwde Van Veen overigens wel. En dat vertrouwen is ook na de oorlog ongeschokt gebleven.''

Kleinveld is daarentegen van mening dat de top van Vrij Nederland Van Veen heeft gesauveerd uit angst voor een smet op het roemrijke verzetsverleden van het blad. Hij vertelt hoe hij een poosje na zijn vlucht uit de Amersfoortse bunker op zoek is gegaan naar Van Veen. Met maar één doel: liquidatie.

Kleinveld: ""Dobbe zei: "hij moet van de wereld verdwijnen, anders maakt hij nog meer brokken'. Ik vond hem op een woonschuit aan het Sneekermeer. Ik kom daar en zie dat hij in gezelschap is van zijn verloofde Corrie. Maar ik ben geen moordenaar en... ik kan het niet... ik kan het niet.'' Hij huilt terwijl hij dit vertelt. ""Toen ik wegging heb ik hem gezegd: "Dick, ik ben met andere bedoelingen gekomen, je zult mij niet meer zien, want ik moet me voor jou in acht nemen. Je bent bij deze gewaarschuwd.' Hij vroeg me of ik gewapend was. Ik zei ja. Hij werd lijkbleek.''

Zelf heeft Kleinveld ook een poging ondernomen om met de Duitsers een spel te spelen. Als hij in de Amersfoortse bunker zit, schrijft hij op 14 januari 1943 Horak een brief waarin hij hem aanbiedt: ""Ik zal het mogelijk maken dat ome Jan (Dobbe) en Van Veen als hoofddaders gepakt worden.''

Kleinveld heeft nooit ontkend dat hij deze brief geschreven heeft. Ironisch genoeg is zijn verklaring ervoor identiek aan die van Van Veen voor diens manoeuvres: een tactisch spel met de Duitsers om vrij te komen.

Kleinveld: ""Horak had tegen mij gezegd: het is afgelopen met jou. Mijn hoop was dat hij na mijn brief contact met mij zou opnemen. Dan zou ik geprobeerd hebben hem te misleiden. Het is niet verkeerd om een spel met de Duitsers spelen. Maar als ze je eenmaal vrijlaten, moet je niet met ze meewerken, maar meteen onderduiken.''

Horak reageerde niet op Kleinvelds brief. Kleinveld besefte toen dat hem nog maar één weg overbleef: ontsnapping. ""Eigenlijk zag ik geen technische mogelijkheden'', vertelt hij. ""Ik had daarom het plan een bewaker te overmeesteren en met diens revolver proberen weg te komen. Maar die kans kreeg ik niet. Toen vond ik, en dat was een enorme inspiratie, in mijn cel een lepel van hard metaal. Die lepel was afkomstig van een SS'er die in de cel een korte straf had ondergaan omdat hij een jood tegen betaling diensten had bewezen.''

Met de lepel peuterde Kleinveld een tralie los. Ook schuurde hij met waar engelengeduld zijn boeien op de betonbodem open. ""Dat is het inspannendste geweest, het kostte me wel twee uur per dag. Ik moest dat slijpen doen op momenten dat er buiten lawaai was. Mijn mede-gevangenen vroegen wel eens: maak jij elke keer die herrie? Dan had ik altijd een smoes klaar. Bovendien waren er ook in andere cellen geluiden van kettingen over de grond.''

Op 1 maart 1943 - hij was op 17 december 1942 gearresteerd - bevrijdde Gerrit Kleinveld zichzelf uit de bunker van Amersfoort, waar hij weinig meer hoefde te verwachten dan executie of deportatie naar Duitsland. Hij dook onder en zou daarna ongrijpbaar blijven voor de Duitsers.

Aan het einde van Soetemans film merkt Kleinveld op: ""Het moeilijkste was mensen te doen geloven dat ik ontsnapt was.''

Inderdaad: is hij eigenlijk wel ontsnapt, of hebben de Duitsers hem, om welke reden dan ook, laten ontsnappen?

Wie uit Duitse gevangenschap ontsnapte, was per definitie verdacht. Kleinveld heeft zich dan ook enkele weken na zijn ontsnapping uitvoerig moeten verantwoorden voor een vierschaar van topmensen uit het verzet. Zijn verhaal werd geloofd. Korte tijd later werd Kleinveld een van de mede-oprichters van de Raad van Verzet, die het verzet moest coördineren. Ook Dick van Veen, zijn aartsvijand, heeft na de oorlog geen twijfel gewekt aan Kleinvelds relaas over de ontsnapping. Volgens hem was deze extreem moeilijke ontsnapping ook alleen maar uit te voeren door iemand met een hang naar monomanie - iets dat, aldus Van Veen, juist typerend is voor Kleinveld.

Noch door mede-gevangenen, noch door gearresteerde nazi's is het verhaal van Kleinveld later ooit tegengesproken. Integendeel, in een verhoor in 1947 bevestigde Kriminalkommissar Horak de ontsnapping van Kleinveld.

In lange gesprekken met Kleinveld valt steeds weer zijn verbittering op. Dat heeft zeker te maken met zijn vete met Van Veen. Maar er is méér dat hem in wrok doet omzien. Hij heeft met machteloze woede moeten toezien hoe de verraders van hem en de zijnen betrekkelijk lichte straffen kregen. In de jaren zestig begon De Telegraaf zelfs een onzinnige campagne voor eerherstel van niemand minder dan Horak - een campagne die bij gebrek aan respons van de lezers snel doodbloedde.

Na de oorlog kreeg Kleinveld een positie bij de Utrechtse politie, waar hij zou opklimmen tot chef van de Bijzondere Recherche. Misschien had hij beter een andere werkkring kunnen kiezen, want juist hij had niet zulke prettige ervaringen achter de rug met de Nederlandse politie. Toen hij in de eerste dagen van zijn gevangenschap in Amersfoort nog uit zijn raampje kon kijken, zag hij hoe de gevangenen steeds weer het kamp werden binnengeleid door Nederlandse politiemensen.

Het waren ook Nederlandse rijksrechercheurs, Noppen en Flipse, geweest die hem als assistenten van Horak voortdurend hadden belaagd. Hij heeft in 1943 zelfs de vrouw van Noppen ontvoerd om de arrestatie van zijn zwager Evert van Voorthuizen ongedaan te maken. Toen de Duitsers met represailles dreigden en allerlei familieleden van verzetsmensen oppakten, moest hij mevrouw Noppen weer vrijlaten. Het was, ook in kringen van het verzet, een omstreden verzetsdaad.

Eenmaal bij de Utrechtse politie hoorde Kleinveld nog meer verhalen. Over agenten die joden hadden mishandeld en geplunderd, over medewerking aan razzia's.

""Ik ondervond vijandschap'', zegt hij. ""Voor velen was ik een pottekijker, ik was hun slechte geweten. Die hele zuivering bij de politie is immers een paskwil geweest. De zuiveraars waren zelf niet zuiver op de graat. Ik werd gevraagd in Amersfoort in een zuiveringscommissie voor de politie zitting te nemen. Wie zat daar ook in? De toenmalige korpschef van Amersfoort, die zelf kilo's boter op zijn hoofd had. Ik ben meteen opgestapt.

""Nederland heeft eigenlijk zwaar gecollaboreerd'', vindt hij. ""Er was een houding van: bemoei je maar niet met die politiek. Dat ze uren moesten wachten voor distributiekantoren - dàt hield de mensen pas bezig.''