FRANKRIJK EN IRAK: EEN LIEFDE VAN HEBZUCHT EN BEDROG

Notre allié Saddam door Claude Angeli en Stéphanie Mesnier 275 blz., Olivier Orban 1992, f 51,60 ISBN 2 85565 658 3

Saddam Hussein, Giscard d'Estaing, Mitterrand en Jacques Chirac staan broederlijk naast elkaar op de omslag onder de titel Notre allié Saddam, en dat doet het ergste vermoeden. Volgt dadelijk de onthulling dat Saddam Hussein bevriend is met de machtigste mannen van Frankrijk? Zou er al sinds jaren sprake zijn van een samenzwering tussen Frankrijk en Irak? Als lezer zet je je schrap, bedacht op spookverhalen, op complotten en op de slotsom dat voor geld alles te koop is. Desondanks is het een verbijsterende ervaring dit boek te lezen: zelden zullen politieke relaties zo zeer gedicteerd zijn door een perfect huwelijk tussen hebzucht en expansiedrang als in dit geval.

De vriendschap tussen Irak en Frankrijk kreeg z'n beslag in 1972. Op 16 juni van dat jaar kwam Saddam Hussein op bezoek bij president Pompidou. Officieel was hij nog geen dictator, in de praktijk had hij het toen al voor het zeggen in Irak. Dat hij toenadering zocht, stemde tot tevredenheid in Parijs. Het leek er op dat Irak net als Frankrijk wilde ontsnappen aan de keus tussen de Sovjet-Unie en Amerika. Zo was het opmerkelijk hoe Saddam wapens kocht bij Breznjev en tegelijk de communistische leiders in eigen land over de kling joeg.

Saddam wilde z'n leger moderniseren en de Fransen was geen moeite teveel om het hem naar de zin te maken. Behalve Pompidou ontmoette hij Chaban-Delmas, de premier, en voerde hij besprekingen met een aantal bewindslieden, waaronder Valéry Giscard d'Estaing, minister van financiën. Hij dineerde in de beste restaurants en aan de beleefdheidsfrasen kwam geen eind, want er moest veel geld zitten in het land dat z'n olie-inkomsten reusachtig had zien toenemen.

Na het bezoek van Saddam Hussein ontvingen allerlei Franse politici een uitnodiging voor een tegenbezoek, waarbij vooral de mindere goden aan de beurt kwamen. Ter plekke werd er niets aan het toeval overgelaten. De Franse gasten trokken van stad naar stad, schudden de hand van Saddam en zagen 's avonds op het journaal hoe ze die dag in het middelpunt van de belangstelling hadden gestaan. De een kwam voor een festival, de ander voor een studiereis, de derde voor een colloquium, maar allemaal reisden ze op kosten van Irak - geen wonder dat er al snel een gevoel van sympathie ontstond voor dit onbekende land.

ONLEESBAAR

In 1973 ging ook de socialist Michel Rocard naar Irak en behalve dat zijn poging mislukte om abonnees te werven voor het onleesbare Tribune socialiste, een noodlijdende partijkrant, verliep de reis voortreffelijk.

Een jaar later stond Jacques Chirac aan het hoofd van een Franse handelsdelegatie naar Bagdad. We hebben voor vijftien miljard contracten afgesloten, zei hij bij terugkeer en wie toen al vertrouwd was met Chiracs grootspraak, verbaasde zich toen bleek dat de premier het werkelijke cijfer met vijf had vermenigvuldigd. Maar toch: Franse bedrijven gingen in Irak een petrochemische installatie bouwen, een aluminiumfabriek en militaire hospitaals. Vormde Bagdad nog maar kort tevoren een dumpplaats voor uitgebluste diplomaten, nu gingen de beste mensen van de buitenlandse dienst naar de opkomende grootmacht aan de Golf.

De nucleaire samenwerking waar Saddam op aandrong bij iedere bezoeker uit Parijs was overigens een zaak die Giscard d'Estaing - inmiddels president - volstrekt onverschillig liet. De hele Arabische wereld kon hem trouwens gestolen worden; eerder ging zijn belangstelling uit naar Afrika met z'n uitgestrekte jachtgebieden. Bovendien voelde hij zich niet op z'n gemak bij een staatshoofd dat met het pistool op de heup rondliep en de contacten met Saddam Hussein worden daarom volledig door premier Chirac waargenomen.

In 1975 kwam Saddam Hussein opnieuw naar Parijs, waar hij weer werd ontvangen met uitzonderlijk eerbetoon. ""Vous êtes mon ami personnel,'' zei Chirac en tijdens de Golfoorlog zouden de Franse kranten deze woorden nog vaak afdrukken. De premier heeft een zwak voor Saddam. Die is in zijn ogen een echte staatsman en later zou hij, na ontmoetingen met andere dictators, nog verscheidene keren zeggen: ""Dit was toch geen Saddam Hussein.''

Over zijn wensen heeft Saddam nooit geheimzinnig gedaan. In Irak stond een kleine kerncentrale van twee megawatt die geleverd was door de Russen, en hij wilde een krachtiger centrale hebben. Kon Frankrijk hem soms helpen? Franse diplomaten wisten geen bezwaren te bedenken en bovendien had Frankrijk al eerder Israël geholpen met het maken van een atoombom. Het Franse commissariaat voor atoomenergie wilde dolgraag centrales verkopen en drong bij de regering aan op spoedige instemming.

Behalve de kerncentrale wenste Saddam dat Frankrijk het personeel opleidde en moest er in Irak een reactor worden gebouwd voor de aanmaak van plutonium. Het kostte deskundigen weliswaar moeite om Chirac uit te leggen wat het verschil is tussen plutonium en uranium, maar ook toen hij het eindelijk snapte, zag hij geen problemen.

EIGEN ATOOMBOM

Op het ministerie van buitenlandse zaken bestonden ondertussen wel degelijk reserves. Wat moest, zo vroeg men zich af, een land waar zoveel olie in de grond zit met kernenergie? Te vrezen viel dat Irak uit is op een eigen atoombom en dat zo de veiligheid van Israël in het gedrang kwam. Soortgelijke bezwaren waren te horen in Londen en in Washington, maar de regering negeerde ze en Chirac ging over tot ondertekening van de contracten. Spoedig zouden Franse aannemers beginnen met de bouw van Osirak, de door Saddam bestelde reactor.

Al onder president Pompidou in de jaren zeventig bestond er van Iraakse zijde belangstelling voor Franse wapens. Vooral het machtsvertoon van Mirages tijdens de Zesdaagse Oorlog was de Arabieren niet ontgaan. In 1973 kwamen Iraakse generaals met hele lijsten aanzetten: ze wilden raketten, helicopters, oorlogsschepen en vliegtuigen. Pompidou opereerde echter voorzichtig. Hij was huiverig voor de contacten die Irak met terroristen onderhield, en daarom willigde hij slechts eenvijfde deel van de wensen in.

De reserves verdwenen evenwel snel toen bleek dat Irak niet draalde met betalen. Was de prijs van een wapen eenmaal genoemd, dan was er geen sprake van verdere onderhandeling: vraagprijs was kooprijs. In 1975 liet Dassault Irak 38,5 miljoen frank per Mirage betalen, tien miljoen meer dan wat een Europees land er voor gaf. Een enkele keer was er een politicus die z'n stem verheft tegen de wapenhandel met landen als Irak en Libië, maar toen Dassault, Aérospatiale, Thomson en Matra er een gewoonte van maakten een deel van hun winst in de partijkassen te stoppen, behoorden protesten voor goed tot het verleden.

Ingenieurs, ambtenaren, diplomaten, generaals; eigenlijk was iedereen tevreden met de kooplust van Irak. Frankrijk houdt er een omvangrijke wapenindustrie op na, deels om de eigen politieke onafhankelijkheid te benadrukken, en deze geldverslindende politiek was slechts mogelijk dank zij klanten als Gaddafi en Saddam Hussein.

Vliegtuigen, helicopters, radars, tanks, kanonnen, raketten en een hele munitiefabriek; er kwam geen eind aan de bestellingen, en meteen al in 1973 was Frankrijk het land dat de meeste goederen aan Irak verkocht. Er werden zelfs wapens verscheept die het Franse leger zelf nog niet in gebruik had.

Het was niet alleen maar geldelijk gewin dat de Fransen in vervoering bracht, zodra de naam van Irak viel. Ook was er sprake van gevoelens van sympathie die moeilijk zijn te herleiden.

Bij Chirac was het allemaal wel duidelijk. In Saddam Hussein zag hij z'n evenknie, maar dan iemand die niet werd gehinderd door een parlement of een mandaat van kiezers. Bovendien bewees de Franse premier zijn peetvader Marcel Dassault een enorme dienst met de grootscheepse handel in vliegtuigen.

SENTIMENTEN

Ook onder diplomaten en op sleutelposities in de ambtenarij was overigens sprake van welwillendheid en zelfs van bewondering voor Irak. Er werden overeenkomsten gezien tussen de Baas-partij en het gaullisme, beide gegrondvest op nationalistische sentimenten en beide gekant tegen invloed van de kerk op de staat.

Bovendien begon de politiek van benvloeding die Irak nu al enkele jaren talentvol bedreef, effect te sorteren. Geduldig was in kaart gebracht welke politici en journalisten van belang waren, en in die richting bleven de uitnodigingen om door Irak te reizen uitgaan - en zelden keerde iemand met lege handen terug. Irak was nog net geen democratie, aldus de mensen die er geweest waren, maar dat kon nu ieder moment veranderen.

In 1980 was de oorlog tusen Irak en Iran nog maar drie dagen oud, en Tarez Aziz zat al bij Giscard op het Elysée. Saddam had hem naar Parijs gestuurd om op het allerhoogste niveau de bevestiging te krijgen dat leveringen gewoon door zouden gaan. Hij kon gerust zijn. Frankrijk zou alle afspraken nakomen en ook de wens om Mirages nu met Exocetraketten uit te rusten, werd ingewilligd.

Natuurlijk was er kritiek op de enorme omvang van de handel met Irak. Wie zou nog durven volhouden dat Saddam Hussein zoveel wapens nodig had om z'n land te verdedigen? Maar de Franse regering schaamde zich nergens voor. Ook de oorlog met Iran was voor Raymond Barre, de toenmalige premier, geen reden om de levering van uranium stop te zetten. Kreeg hij verwijten te horen, dan beet hij flink van zich af: ""Wat de handel in wapens betreft, hoeft niemand Frankrijk de les te lezen.''

Op hetzelfde moment lagen in Cherbourg schepen aan de ketting met wapens die door Iran waren besteld en betaald. Frankrijk had al partij gekozen. Aan de oorlogszuchtige mollahs zou onder geen beding geleverd worden en Amerika, Engeland en de Golfstaten waren daar in het geniep erg tevreden mee.

Niet bekend

Maar er verandert niets. Ook bij de socialisten bestond geen groter schrikbeeld dan dat nieuwe bestellingen uitbleven. Al snel na zijn verkiezing stuurde Mitterrand een hoge gezant naar Bagdad met de mededeling dat alle afspraken zouden worden nagekomen. En op hetzelfde moment vertrok Jacques Mitterrand, z'n broer en bovendien directeur van Aérospatiale, naar Riad om de Saoedische prinsen gerust te stellen.

OVERSTAG

Niet bekend

Voor de rest waren er ook voor de socialistische regering geen beperkingen. De wapenhandel kreeg zelfs een morele dimensie toen de oorlog tussen Iran en Irak zonder duidelijke beslissing bleef. Iran moest snel door de knieën, was het algemene gevoelen in Frankrijk, anders zouden de fanatieke moslims oprukken. Die mythe hielden Iraakse diplomaten met veel talent in leven.

In 1982 besloegen de verkopen aan Irak driekwart van de Franse wapenexport. Iraakse generaals waren evenwel onverzadigbaar en wilden nu ook de beschikking krijgen over Super-Etendards. Helaas, het roemruchte vliegtuig was juist uit produktie genomen. Er zat niets anders op dan dat de Franse marine haar eigen toestellen inclusief piloten beschikbaar stelde. Het feit dat er nu Franse militairen aan het front vochten, was een nieuwe mijlpaal die de Iraniërs niet zou ontgaan.

In oktober 1983 reed in Beiroet een vrachtwagen met 900 kilo TNT op een kazerne van VN-troepen in: vijftig Franse parachutisten kwamen om het leven. Twee jaar later werden in dezelfde stad vier Fransen gegijzeld, een drama dat uitliep op een slepende affaire die Franse politici langdurig zou bezighouden.

Toen Chirac in 1986 opnieuw premier werd, verplaatsten de aanslagen zich naar Parijs, de stad waar hij burgemeester was. Er ontploften bommen in de metro, in een winkelcentrum aan de Champs-Elysées en voor de deur van het textielwarenhuis Tati. De laatste aanslag was goed voor zeven doden en tientallen zwaargewonden. Het waren onverholen sancties van de zijde van Iran, maar opnieuw was Chirac niet te stuiten. Hij was nog geen week in functie, of het eerste miljardencontract met Irak was alweer getekend. Tanks, mortieren, duizenden Exocets, helicopters, radars en Frans personeel om de electronica te bedienen - alles werd meteen verpakt en verscheept.

Contante betaling behoorde toen inmiddels tot het verleden en Tarek Aziz had er een dagtaak aan om de Fransen tot hogere kredieten te bewegen. Zowel voor de levering van civiel als van militair materieel waren de schulden de tien miljard frank inmiddels gepasseerd en Irak zocht zijn toevlucht tot chantage. Er werd pas een oude rekening betaald als een nieuwe levering had plaatsgevonden.

Meer en meer nam Mitterrand afstand van z'n Arabische bondgenoten maar ""mon frère Jacques Chirac'' - de woorden zijn van Saddam Hussein - wist van geen wijken. Hij vocht als een leeuw voor steeds nieuwe leveranties en uit deze tijd stamt het vermoeden dat Chiracs campagne voor de presidentsverkiezingen van 1988 deels is gefinancierd door Irak.

BEKOELD

Toen de schulden zich echter bleven opstapelen, raakte de liefde eindelijk bekoeld. In 1989 gingen nog maar enkele zendingen in de richting van Irak. Voor de laatste keer stuurde Saddam een minister naar Parijs om meer wapens los te praten; op het Elysée werd hij niet eens meer ontvangen en er was geen fabrikant die nog een receptie gaf ter ere van de hoge gast. Saddam Hussein was woest. Wat waren dat voor manieren van het land waar hij de afgelopen vijftien jaar voor meer dan honderd miljard dollar inkopen heeft gedaan?

Op het moment dat de handel in 1990 volledig stil kwam te liggen, eindigt dit boek. Claude Angeli en Stéphanie Mesnier zijn redacteur van Le Canard Enchané en zijn hier in de geest van hun krant te werk gegaan. Er is veel onderzoek verricht, talloze interviews vonden plaats en samen met de toegang tot geheime stukken heeft dat een voorbeeldig verslag opgeleverd van de vriendschap tussen Frankrijk en Irak.

Nagenoeg alle bekende Franse politici komen op deze 275 pagina's in een ongunstig daglicht te staan. Niet eerder hebben ze zo eendrachtig opgetreden als in dit geval, en de verschrikkingen die de omslag beloofde, worden volledig bewaarheid: alles is ondergeschikt geweest aan de jacht op dollars - ook de minstens honderdduizend Iraniërs die zijn gedood door toedoen van Franse wapens.

Op 17 juli 1990 vond op de Iraakse ambassade in Parijs de traditionele receptie plaats om de machtsovername van de Baaspartij (?) te vieren. Zelfs Chirac was dat jaar afwezig. Twee weken later zou Pierre Bérégovoy met een Iraakse delegatie over de schuldenkwestie gaan spreken. Maar juist op die dag werd Koeweit binnengevallen en 's middags al kondigde de Franse regering een wapenembargo tegen Irak af.

Het zou nog ruim een half jaar duren voordat de Franse luchtmacht in Operatie Desert Storm kon beginnen met de vernietiging van de vijandelijke vliegtuigen, tanks, radars, bunkers, kanonnen, bruggen en munitiedepots - met het kapotschieten, kortom, van alle spullen die Frankrijk de afgelopen jaren voor veel geld aan Irak had verkocht.