Docenten bezorgd over toekomst MAVO; De MAVO heeft veel van zijn aanzien en kleur verloren.

EDE, 3 OKT. “We zijn het zat om altijd genegeerd te worden. De MAVO is een fatsoenlijke onderwijsvorm. Maar de politiek heeft geen aandacht voor ons, zodat het idee ontstaat dat er iets mis is met de MAVO. Ouders sturen hun kinderen daarom liever naar de HAVO.” J.J.W.M. Ras, directeur van de Sint Jan MAVO in Oss, maakt zich ernstig zorgen over de toekomst van zijn schoolsoort. En hij is niet de enige. Ruim tweehonderd docenten en directeuren van MAVO's namen gisteren deel aan een landelijke conferentie in Ede, waar zij pleitten voor een reveil van hun school.

De MAVO, waar zo'n 250.000 leerlingen naar toe gaan, heeft aanzien en kleur verloren. Veel zelfstandige MAVO's zijn verdwenen of opgegaan in een scholengemeenschap. Ook de leerlingengroep is veranderd; aan de bovenkant wordt de MAVO "afgeroomd' door de HAVO en aan de onderkant is de MAVO veel breder geworden door de instroom van leerlingen uit het lager beroepsonderwijs.

De MAVO heeft nieuw elan nodig, daarover waren de aanwezigen het eens. Maar hoe dit vernieuwde imago te bereiken, daarover verschilden de meningen. Drie sprekers schetsten even zoveel modellen voor de toekomst. L. Bol, oud-voorzitter van de roomskatholieke MAVO-vereniging, pleitte voor het handhaven van de traditionele MAVO. “We moeten behouden wat we hebben, maar het op een kwalitatief hoger plan tillen”, aldus Bol. “Een achterhaald voorstel”, reageerde de zaal.

Ingrijpender was het plan gelanceerd door de ex-rector T. van Hoogbergen. De oudste wettelijk geregelde onderwijssoort gaat aan zijn eigen succes tenonder, stelde hij. “Het ULO heeft in de vorige eeuw en begin deze eeuw een geweldige emancipatorische betekenis gehad. Maar die functie is na de Tweede Wereldoorlog gaandeweg overgenomen door het VWO/HAVO.” Hoogbergen wees er op dat er in de jaren vijftig nog bijna duizend ULO-scholen waren. Tegenwoordig zijn er nog slechts 450 zelfstandige MAVO's, waarvan 250 onder de opheffingsnorm vallen. Kortom, een verloren zaak, aldus Hoogbergen die voorstelde om brede scholengemeenschappen in te voeren, zonder onderscheid naar schooltype.

De meeste steun van de aanwezigen kreeg het voorstel van E. Schüssler, directeur van het Landelijk Steunpunt Basisvorming in Lelystad. Hij pleitte voor een MAVO-nieuwe stijl. “De MAVO mikt nu te veel op de modale leerling die via een extra steuntje het walhalla van HAVO 4 bereikt. Maar de modale leerling gaat naar het middelbaar beroepsonderwijs of naar het leerlingwezen - om daar te ontdekken dat de programma's gebrekkig aansluiten.” De uitvalcijfers onder MAVO-leerlingen die voor deze vervolgopleidingen kiezen, zijn 30 tot 40 procent. Daarom stelde Schüssler voor de MAVO-indeling in een C- en een D-niveau te vervangen door drie programma's; een vooropleiding voor het MBO, één voor het leerlingwezen en één als basisopleiding voor werk. Een voorstel dat algemeen bijval kreeg.

Gedurende de conferentie werden ijverig pamfletten uitgedeeld door een vereniging van veertien zelfstandige MAVO's. Onlangs gingen zij samen de strijd aan voor het behoud van hun zelfstandigheid. “Het wordt echt tijd dat we een eigen geluid laten horen”, aldus het appel aan onderwijsbonden en aan staatssecretaris Wallage. “Wordt er nu eindelijk eens gewezen op de kracht en waarde van de categoriale MAVO?”

B. van Drongelen, adjunct-directeur van de zelfstandige MAVO 't Lichtschip in Dronten, maakt zich minder ongerust dan zijn collega's. Zijn school telt vierhonderd leerlingen en hij denkt niet dat er een fusie in het verschiet ligt. “Maar in andere plaatsen is het moeilijker”, erkent hij. “Daar zijn scholen gedwongen te fuseren.” Van Drongelen zit nu dertig jaar in het onderwijs. Dat er iets moet gebeuren met de MAVO, daarvan is hij overtuigd. “Maar die veranderingen moeten niet van boven af opgelegd worden. Het zal bij onszelf vandaan moeten komen.”

Ook zijn collega P. Blommers, docent Engels aan de christelijke scholengemeenschap Overvoorde in Den Haag, meent dat de MAVO “meer aan de weg moet timmeren”. “Misschien zijn wij MAVO-leraren te bescheiden”, oppert hij. “Op mijn school zijn we de grootste afdeling, maar er wordt veel meer nadruk gelegd het prestigieuzere HAVO/VWO-gedeelte. Daar moeten we iets aan doen.” Hij voelt nog het meest voor het model met drie programma's zoals dat is geschetst door Schüssler. “Maar je zit hier nu wel samen en geeft elkaar gelijk, uiteindelijk moet je het toch binnen je eigen school oplossen. Want er bestaat nu eenmaal niet één MAVO, er zijn zoveel MAVO's als er scholen zijn.”

    • Birgit Donker