"De telefooncel zal nooit meer leeg zijn'

“Snap jij het?” Het is even stil. Janny Nozinovich speelt, uiterlijk onbewogen, met een bierfiltje. Maar als ze opkijkt staan er tranen in haar ogen. “Ik begrijp het niet. Ze verpest het beetje plezier dat ik hier nog kan hebben. Ze wil dat ik de hele dag bij haar op de kamer ben. Dat ik me net zo gedraag als thuis. Maar ik ben hier niet thuis”.

Sinds twee maanden verblijft Janny Nozinovich met haar moeder, haar tante Nura en haar broertje in het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch. Met Nura kan ze het nog steeds goed vinden maar de verwijdering tussen Janny en haar moeder wordt allengs groter. Op 17 september schreef ze in haar dagboek: “Gisteravond heeft moeder me geslagen. Ik kwam na middernacht terug uit het café en de hel brak los. Ze begon tegen me te schreeuwen dat ik niet naar buiten mag en met niemand mag omgaan. Ik mag alleen op de kamer zitten en naar haar kijken. Nou mooi niet.”

“Ik vind hem zo leuk”, zegt ze terwijl ze het bierfiltje op tafel legt. "Hem' is een jongen uit Den Bosch die naar Janny had gebeld om te vragen of hij langs mocht komen. Hij kwam op 23 september. “Een kanjer. Witte motor, bruin leren jack, spijkerbroek en een shawl om zijn nek. Met moeite heb ik hem uitgelegd dat mijn moeder me niet wilde laten gaan. Hij gaf zijn telefoonnummer. Ik zal hem steeds bellen zodat ik zijn stem hoor. De telefooncel zal nooit meer leeg zijn.” Een paar uur na zijn vertrek ging ze naar haar kamer. “Moeder las mijn dagboek. Doodse stilte, niemand zei een woord. Ik kleedde me uit maar ik kon niet slapen. We praten niet meer.”

Behalve de nachten lijken ook de dagen steeds langer te duren. “Alles is hetzelfde, er gebeurt niets. We gaan dood van verveling. We hadden beter in Kroatië kunnen blijven. Daar was het ook vervelend, maar niet elke dag. Had ik maar alcohol, dan zou ik me bedrinken en alles vergeten”, schreef ze vorige week in haar dagboek.

“Ze passen prima, nee ze zijn niet te groot”. Met forse stappen loopt Janny op haar nieuwe schoenen over de markt in Den Bosch. “Ik had net zulke in Zvornik”. Daar zijn de tranen weer. “Als ik er ooit terugkom zullen er nog maar weinig mensen zijn. Ik zou nu willen gaan maar ik heb er de kracht niet meer voor. Zelfs als ik geld had, zou ik niet alleen naar Zagreb durven gaan. Ik ben mijn zelfvertrouwen kwijt.”

Soms komen Joegoslavische vrienden uit Rotterdam langs. Dan wordt er gezongen en gitaar gespeeld. Of er komt familie over uit een Duits opvangkamp. Maar zij praten alleen maar over de oorlog en ze vragen zich af wie nog in leven zou zijn. “De wonden worden steeds pijnlijker voor Bosnië. De mensen houden het niet meer vol. Nog even en de Serven en de Kroaten hebben alles in handen en wij, moslims, hebben geen plek meer om te leven. We worden net als de Palestijnen. De wereld is tegen ons”, schreef ze op 20 september.

In een grote ruimte van het tijdelijk opvangcentrum luistert Janny samen met haar vrienden vaak naar muziek. Ze dansen en lachen. Aanvankelijk moest ze om tien uur 's avonds op de kamer zijn. “Dat is gelukkig voorbij. Moeder heeft mijn tijd verlengd tot elf uur”. Ze praten ook weer. Alleen, het helpt niet echt: “We praten een half uur en daarna doe ik toch weer de verkeerde dingen. Alleen om haar dwars te zitten. Maar ik stel mezelf een ultimatum: als ik niet binnen 15 dagen degene ben die ik ooit was, dan blijft er niets anders over dan een handvol pillen. Ik word steeds depressiever. Nog even en ze trekken me een gekkenhemd aan.”.

    • Anneke Visser