De spaarlamp van vader Drees

Normen en waarden, aflevering vier: Hoe dr. W. Drees het Rijksinkoopbureau de beginselen van het goed huisvaderschap bijbracht.

Drees had een legendarische kennis van de rijksuitgaven. Hij doorzag elke belangrijke post van alle begrotingshoofdstukken - zoals hij op zijn vijfennegentigste nog de hele structuur van de PTT-begroting integraal uit zijn hoofd kende en buitengewoon heldere begrotingsanalyses schreef in het malle blaadje Accent. Maar hij wist ook met een verbazingwekkende nauwkeurigheid de verkwistingen van de overheid aan te wijzen. Drees had een timmermansoog voor overbodige uitgaven, en hij kon daar op een innemend strenge manier moeilijk over doen. Zijn vertogen tegen verspilling hadden een stichtende punch-line, waarmee hij als het zo uitkwam ook ambtenaren van andere departementen om de oren sloeg.

Toen Drees al acht jaar onafgebroken premier was geweest joeg hij eigenhandig de geldwisselaars uit zijn tempel om de rijkslaaienlichters een lesje in spaarzaamheid te leren. Het waren twee ambtenaren van de Rijksinkoopcentrale die nieuwe bureaulampen voor hem hadden uitgezocht en hem de keus uit drie modellen hadden gegeven: een lamp van honderdvijftig gulden, een van tweehonderdvijftig gulden en een van driehonderdvijftig gulden. Hij keurde ze alle drie af, veel teveel geld voor een lamp, en de heren konden hun modellen weer inpakken. De maandag daarop riep hij één van zijn adviseurs bij zich, wees naar een nieuwe lamp op zijn bureau en zei: “Zo kan het ook”. De minister-president van de wederopbouw van Nederland had op zijn vrije zaterdag bij een buurtwinkel een standaarduitvoering van een bureaulamp gekocht voor de prijs van eentiende van de goedkoopste lamp die de rijksdienst kon leveren. “Zo gaat men hier met de rijksuitgaven om”, zei hij en deelde mee dat hij het met de lamp van vijftien gulden zou doen. (De uitvinding van de spaarlamp stond dus al op naam van vader Drees lang voordat ze in Eindhoven op die naam kwamen).

De geschiedenis van het departement van algemene zaken is een overvloedige bron van karaktervormende verhalen over de soberheid van Drees (ik voldoe hiermee aan een verzoek van een lezer, die schreef het liefst elke zaterdag een aflevering uit het Oude Testament van de sociaal-democratie te willen lezen). De Rijksautomobielcentrale heeft er vele malen aan moeten geloven wanneer ze met hem te maken kreeg. De RAC had al drie keer de grote "Amerikaan' waarin Drees zich in het begin van de jaren vijftig liet vervoeren, afgekeurd en hem een nieuwe Hudson aangeboden. Bij elke periodieke grote controlebeurt werd de auto als ondeugdelijk gekwalificeerd, maar Drees dacht er niet over een nieuwe te bestellen. Hij was zo aan zijn oude kavalje gehecht dat hij het niet over zijn hart kon krijgen er afstand van te doen. Bovendien zou het publiek er zich maar aan ergeren als de ministers zich nieuwe vervoermiddelen aanschaften terwijl de rest van het land het met afgetrapte auto's moest doen.

Dat verhaal beviel de Amerikaanse regeringsambtenaren die zich hier op de hoogte kwamen stellen van het uitgavenbeleid van de regering voordat ze een beslissing namen over de Nederlandse aanvrage voor de Marshallhulp bijna net zo goed als de mariakaakjes die Averell Harriman c.s. bij de premier thuis bij de thee werden gepresenteerd. Bij een volk dat door zo'n eenvoudig man werd geleid kon je met een gerust hart je geld achterlaten. En de anekdote over de tram deed het ook altijd goed. Een minister-president die bij voorkeur te voet naar zijn departement ging, maar een enkele keer de tram nam, “omdat je daar je nog eens wat hoorde”, dat was een waarachtig democratisch regeringsleider.

De moraal van dat vlagvertoon van soberheid was elke ambtenaar in die jaren bijna even vertrouwd als het geloof der vaderen: Drees hield van gezelligheid in kleine kring en hij was terwille van het goede voorbeeld bereid een straatje om te lopen als hij daarmee de gemeenschap geld kon besparen. Dat was de kleine moraal. De grote moraal was dat Drees met dat vertoon te kennen gaf niet alleen een voor alles verantwoordelijk departementshoofd te zijn, maar als bewindsman vooral baas in eigen huis te zijn. Hij liet zich niet de les lezen door de bureaucratie, hij las de bureaucratie de les.

Drees was de belichaming van het primaat van de politiek in een corporatief bureaucratisch stelsel. Dat wil niet zeggen dat de politiek in zijn tijd het rijk alleen had of dat zijn democratie niet genoeg te stellen had met de macht van de bureaucratie. In de jaren vijftig hadden de ambtenaren zo'n almachtige greep op de staat dat Nederland eerder een ambtenarenstaat was dan een politieke democratie. Maar waar Drees was, heerste het primaat van de politiek. Dat is wat de Engelse (voormalige Duitse) politicoloog Ralf Dahrendorf, schrijver van de door Ben Knapen op deze pagina geciteerde essaybundel Die neue soziale Frage over de gehele linie mist in de tegenwoordige democratieën: overal is de democratie doodgedrukt of doodgeknuffeld door het corporatisme, dat zich door een coalitie met de bureaucratie in het bestel heeft genesteld van de besluitvormingshandles waarmee de samenleving wordt bestuurd. Dat is wat ook Knapen mist: de democratie is niet meer in staat tot verweer tegen de bureaucratische krachten die het op haar wurging aanleggen ("Het grote ongenoegen' in NRC Handelsblad van 12 september). Knapen gelooft niet meer dat dat proces nog gestuit kan worden. De democratie heeft zich door de bureaucratisch-corporatistische machten laten inmetselen. “Een verstikkend vergadercircuit heeft zich als een dinosaurus in de democratische instituties gevestigd.”

Wat aan die visie op de geschiedenis ontbreekt is het oog voor de wederopstandingskracht van de democratie. Of zoals de voormalige regeringscommissaris voor de reorganisatie van de rijksdienst, de tegenwoordige voorzitter van de Eerste Kamer, H.D. Tjeenk Willink, in de jaren bij herhaling van de daken heeft geschreeuwd: de wederopstanding van de democratie begint bij het herstel van het primaat van de politiek. Dat vergt ministers die weten wat zij willen en die als beheerder van een departement baas in eigen huis willen zijn (zie Drees), maar ook politieke partijen die deze doelstelling tot prioriteit verheffen. Blz. 8 tot en met 32 van het Jaarbericht 1983 van de Regeringscommissaris voornoemd. Als de nieuwe voorzitters van de Partij van de Arbeid nu eens alle tijdelijk bemande koffiekarretjes uit de treinen van de Nederlandse Spoorwegen terugroepen en hun krachten wijden aan een systematische verkenning van de werking van de overheidsbureaucratie en van hun vervlechting met de andere netwerken van de macht, dan zou er een begin van inzicht kunnen ontstaan in de krachten van de draak. Als ze die tegenstander te lijf zouden gaan en hem in zijn hol zouden opzoeken, zouden de kiezers weer bij duizenden komen aanlopen om een handje mee te helpen.