Bloemenland, eenzaam ideaal tussen de Birmese woudreuzen

Sinds 1948 voeren in het oosten van Birma strijders van de Karen en andere etnische minderheden een guerrilla tegen het centrale gezag. Heel langzaam moeten ze terrein prijsgeven aan het regeringsleger, dat na een adempauze wegens de regentijd naar verwachting volgende maand de strijd zal hervatten. In Manerplaw, tussen de woudreuzen, ligt het hoofdkwartier van het verzet.

MANERPLAW (Birma), 3 OKT. Flarden psalmgezang klinken door de halfgeopende blinden van het gemeenschapshuis in guerrillakamp Manerplaw. Karen-recruten krijgen onderricht in militaire tactieken en ideologie. Aan het eind van de les zingen ze geestelijke liederen onder aanvoering van hun leiders, overwegend christenen, die de oecumene in praktijk brengen: katholieken, protestanten, anglicanen, alles loopt door elkaar.

Ba Thin - een baptist - is secretaris-generaal van de Karen National Union (KNU), de politieke beweging van de Karen. Drieënveertig van de vijfenzestig jaar die hij oud is vecht Ba Thin al voor Kawthoolei, Bloemenland, zoals de Karen hun land noemen, en nog is hij niet moe. Met zachte, gedreven stem zet Ba Thin in de oostelijke jungle van Birma de "idealen van het volk' uiteen. “De verzoening die de SLORC zegt na te streven is spel. Hun enige doel is onderwerping van de minderheden.” - SLORC, Staatsraad voor Herstel van Orde en Gezag, is de newspeak naam die de militaire junta vier jaar geleden aannam.

“Waren de Britten er nog maar”, verzucht de Karen-voorman, “tot 1948 mochten we onze eigen taal gebruiken en hadden we eigen scholen. Na de onafhankelijkheid werd ons dat afgenomen en hadden we geen andere keus dan te vechten.” De Karen en de andere minderheden hoeven niet zo nodig een eigen staat wat Ba Thin betreft, hem staat een federatie van alle Birmese volkeren voor ogen, die niet zoals nu, wordt gedomineerd door de etnische meerderheid van Birmanen en door de junta.

Manerplaw kan vanuit Thailand alleen via de diep uitgesneden rivier de Salween worden bereikt. Dat is nu nog tamelijk eenvoudig, grenscontrole is er niet. In de Thaise grensplaats Mae Sam Laep, 250 kilometer ten zuidoosten van Chiang Mai, neme men een snelle punter naar de overkant, daar is het buitenland. De Salween is in dit jaargetijde een woest stromende rivier met versnellingen en verraderlijke ondiepten. De krachtige dieselmotor van onze boot buldert, de steven zwiept in de golven op en neer. Maar de schipper kent de route op zijn duimpje; hij weet precies aan welke kant de platbodem moet varen om draaikolken en net onder de oppervlakte liggende rotsen te ontwijken. De boot vaart soms recht op de met lianen en bomen overwoekerde rotsen af die loodrecht uit het water oprijzen. Net voor de dreigende klap gooit de schipper het roer om.

Op het kruispunt van de Salween en de Moei ligt een wachtpost van de Karen, een drijvend platform dat bij het betreden half onder water stroomt. Jonge guerrillastrijders vragen vriendelijk om papieren en wuiven de boot verder. We passeren Chwipawi Kyo, de Heuvel van de Slapende Hond, 1.585 meter hoog, waar het afgelopen voorjaar zwaar om is gevochten. De berg is nu verdeeld: regeringstroepen beheersen de landzijde, de Karen hebben nog de controle over de kant aan de rivier. Mocht de Slapende Hond vallen tijdens het te verwachten najaarsoffensief, dan beheersen de SLORC-militairen de rivier en kunnen ze de belangrijkste toegangsweg naar Manerplaw afsluiten.

Na een uurtje varen doemt, hoog boven de waterspiegel, een hut met de letters checkpoint op. De schipper knikt, hier is het. Een klauterpartij langs glibberige treden, inspectie door een verlegen bewaker: Manerplaw. De militaire basis - enige tientallen halfsteens barakken, houten woonhuizen en gemeenschapsruimten - ligt er midden op de dag ingeslapen bij. De enige geluiden zijn die van tsjirpende krekels, een gillende aap en van een enkele passerende motorboot.

Het kamp wordt vrijwel uitsluitend bewoond door mannen, de vrouwen zijn elders ondergebracht. Jongens volgen er een militaire en ideologische opleiding, de oudere mannen gebruiken Manerplaw als uitvalsbasis. Het aantal zichtbaar gedragen wapens is opvallend klein, vermoedelijk niet uit bescheidenheid, maar door gebrek. Uniformiteit in kleding en hoofddeksels is er niet. De vier militairen die om zes uur op het middenterrein plechtig de vlag strijken zijn, op hun aanvoerder na (camouflagepak), gekleed in een allegaartje uit de zak van Max. De een draagt een pothelm, de ander een oude baret en de derde is blootshoofds.

Ba Thin zat de volgende morgen, zoals afgesproken, om acht uur op de veranda van zijn paalwoning te wachten. Een rustige man, draagt een blauwgeruite sarong met grote etensvlekken. Poetst de armleuningen van de houten stoelen met wc-papiertjes, want het heeft de voorbije nacht hard geregend en de meubelen zijn klam uitgeslagen. Aan de muren van de woning, annex kantoor, hangen portretten van Bo Mya, de militaire aanvoerder van de gezamenlijke verzetsgroepen en van Ba Thin zelf.

De leider, die namens de KNU ook deel uitmaakt van de Democratische Alliantie van Birma (DAB), een overkoepelende raad van verzet, belooft door te vechten tot het bittere einde. “Het hele Karen-volk vecht mee. We hebben een voortdurende aanvoer van mensen”, zegt hij.

De secretaris van de KNU, Ganewy, schetst met een potlood ruwweg de kaart van Birma op een servetje en wijst de negen brigades aan waarover het verzet zegt te kunnen beschikken. “Wij controleren acht provincies”, zegt Ganewy trots, Hij voegt er haastig aan toe dat controle niet betekent dat het leger geen aanvallen uitvoert. Daar staat tegenover dat het verzet ook in uitgesproken bolwerken van de SLORC actief is. “Zelfs in Rangoon hebben we onze mensen, zegt Ganewy.

De politieke doelstellingen van de KNU zijn tamelijk vaag. Ba Thin zegt dat eerst de SLORC moet worden verdreven, “daarna zullen ze wel verder zien”. Al jaren praten de verzetsgroepen over het opstellen van een eigen grondwet; het is er nog niet van gekomen.

Volgens Ba Thin worden de SLORC-troepen bijgestaan door Chinese adviseurs; Peking is ook de belangrijkste wapenleverancier van het Birmese bewind. Dit jaar werd voor een miljard dollar aan Chinese wapens aangeschaft. De junta financiert de oorlog door de verkoop van teakhout en vooral door haar betrokkenheid bij de opiumhandel uit de beruchte gouden driehoek. De Karen zijn op geen enkele manier betrokken bij drugstransacties, zegt Ba Thin.

Hij beklaagt zich over het gebrek aan financiële middelen door die zuivere levenswandel en over de geringe buitenlandse steun. De wapenvoorraad van de Karen wordt voornamelijk aangevuld door overvallen op regeringsdepots en door de buit na gewonnen veldslagen.

Zo werd tussen 25 juli en 19 augustus even ten noorden van Manerplaw zwaar gevochten. Blijkens documenten van de KNU sneuvelden 89 regeringssoldaten en negen manschappen van de Karen Nationale Bevrijdingsleger (KNLA), de militaire arm van de KNU. De Karen geven een gedetailleerde lijst van veroverde wapens; onder meer mortieren, mijnen, bazooka's, machinegeweren, een kompas, een kijker en een vlag. [Ik kwam het hoofd van de afdeling juridische zaken van de KNU, Htoo Htoo Lay, tegen in Mae Sam Laep; hij was voor “zaken” in Thailand, zei hij; hij sprak berichten dat de Karen via Thaise handelaars wapens van het Cambodjaanse verzet kopen niet tegen.]

Ondanks de strijdbare termen die de Karen gebruiken weten ze dat hun zaak er niet zo best voorstaat. Het leger rukt, zij het soms maar honderd meter per jaar, almaar verder op en drukt het verzet steeds dieper de rimboe in. Gannedy pakt een walkie-talkie om contact op te nemen met een van de commandanten in de jungle.

Manerplaw zelf lag dit voorjaar zwaar onder vuur, het leek er zelfs even op dat de basis zou vallen, tot het regeringsleger het offensief opschortte en de Karen even op adem konden komen. Wanneer eind volgende maand het regenseizoen ten einde loopt, zal naar verwachting het beleg van de verzetsbasis worden hervat.

Behalve de aanvallen van het regeringsleger, vallen de etnische groepen over en weer bij herhaling ten prooi aan interne twisten, al willen Ba Thin en Ganewy daar niets over horen. Onenigheid voeren zij terug op acties van “spionnen voor Rangoon”.

De Schotse hulpverleenster Shona zegt in het gastenverblijf echter dat er regelmatig wordt geruzied. Shona werkt voor het Birma Relief Centre, een instantie die vanuit de Noordthaise stad Chiang Mai Birmese vluchtelingen bijstaat. Het centrum heeft nu besloten ook steun te geven aan de KNU, ter waarde van twee miljoen baht per jaar (140.000 gulden). De hulp wordt voornamelijk verstrekt in de vorm van voedsel en medicijnen. “Maar we geven ook baar geld”, zegt Shona veelbetekenend.

Eerder dit jaar werden in de noordelijke deelstaat Kachin ten minste 15 studenten van het Birmese Democratische Studentenfront (ABSDF) geëxecuteerd door hun eigen kameraden. (Het ABSDF ontstond na de bloedige onderdrukking van de democratische beweging in Birma, in 1988, en sloot zich aan bij het verzet in het oosten.) De geëxecuteerden zouden spionnen zijn geweest van de SLORC.

Hoewel het incident niet in Manerplaw plaatshad kan Ba Thin de motieven van de studenten begrijpen. “Overal zitten spionnen voor de SLORC, ook hier. Het meest verdacht zijn de militairen die zich zogenaamd bij ons willen aansluiten. Hier hebben we ook drie studenten gehad die een aantal maanden bleven, weer verdwenen en vervolgens in het openbaar in Rangoon opdoken, waar ze tegen ons gerichte lectuur verspreidden.”

Shona houdt er rekening mee dat een kwart tot eenderde van de inwoners van Manerplaw spion kan zijn. Wanneer ik opper dat het, zoals met zoveel conflicten in de wereld, misschien ook hier moeilijk is onderscheid te maken tussen de goeden en de kwaden, steigert ze. “De SLORC is een van de meest onderdrukkende regimes ter wereld, in 1988 zijn tienduizenden mensen gedood en kijk eens naar alle dragers die gedwongen voor het leger moeten werken en na gedane arbeid worden vermoord.” Ze geeft toe dat er studenten zijn geëxecuteerd. “En ze waren zo stom daar melding van te maken aan de pers. Maar het is gewoon een feit dat twintig, dertig procent van de studenten spioneert voor de SLORC”, zegt Shona vergoeilijkend. Ze neemt ter afkoeling een bad, met de mandi.

De gerenommeerde Birma-specialist Bertil Lintner, een in Bangkok woonachtige journalist voor de Far Eastern Economic Review, trekt de lezing over de spionage ernstig in twijfel. Lintner acht bewezen dat de SLORC verklikkers heeft in de rijen van het verzet, maar de genoemde aantallen acht hij onmogelijk. Zelfs tien procent noemt hij in zijn blad een “ongeloofwaardig getal”. Het etiket spion wordt volgens Lintner vooral gebruikt om conflicten in de politieke en persoonlijke sfeer te beslechten.

Hoe kan een guerrillabeweging nog functioneren als zoveel mensen niet te vertrouwen zijn, vraag ik aan Ba Thin. Hij moet erom lachen. “Wij weten niet wie het zijn, dus maakt het niet uit. Wel weet ik zeker dat KNU-leden zelden voor de SLORC werken. Tot het moment dat het tegendeel blijkt is voor mij iedereen loyaal.” Ontdekte spionnen worden door een tribunaal berecht, dat zich, zo verzekert Ba Thin, aan internationale rechtsregels houdt. “We hebben niet eens gevangenissen. De veroordeelden moeten vijf jaar corveediensten verrichten en we zeggen hen niet weg te lopen.” Maar zij die betrokken zijn geweest bij moord, verkrachting of drugshandel krijgen de doodstraf. Hoeveel dat er per jaar zijn, zegt de Karen-leider niet.

De verzwakking van de verzetsrijen door spionage wordt ten dele gecompenseerd door de vrijwillige steun van Shona en andere Westerlingen. De Canadees Kevin is onderwijzer van beroep. Twee jaar geleden kwam hij naar Karen-gebied. Hij gaf les aan een schooltje in een klein Karen-dorp tot de SLORC-troepen alles platbrandden. Sindsdien wijdt Kevin zich als regelaar aan de revolutie. Een wapen draagt hij niet, hij doet het administratieve werk van het verzet. Ba Thin geeft hoog van hem op, Kevin zelf praat liever niet over zijn ervaringen.

Caroline wil dat wel, maar dat is gemakkelijk, zij heeft nog niets beleefd. De roodharige vrouw, een Australische van Schotse origine, is het type van de zoekende, rusteloze dertiger. Ze was op vakantie in Thailand, kwam er Shona tegen en besloot met haar mee te gaan om Engelse les te geven aan de Karen, zegt ze onder het vale licht van de tl-buizen in het gastenhuis. Caroline weet niet wat haar te wachten staat, “dat zie ik wel als het dag wordt”. Ze neemt nog een fikse slok van de meegebrachte Thaise rijstwhisky. Het licht wordt nog valer, de stroom voor vandaag uit de eigen generatoren van de Karen is bijna op.