ANATOMIE VAN EEN ROMANTISCHE STADSREBELLIE

De stad in eigen hand. Provo's, kabouters en krakers als stedelijke sociale beweging door Virginie Mamadouh 320 blz., geïll., Sua 1992, f 48,50 ISBN 90 6222 220 X

Wie wil weten waar het in Amsterdam om draaide, in die merkwaardige periode van 12 juli 1965 tot 21 december 1984, hoeft niet ver te zoeken: bij het sluisje tussen St. Anto-niebreestraat en de Jodenbreestraat is het allemaal in één oogopslag te zien. Aan de ene kant van de brug staat een enorm betonnen bouwsel, het zogenaamde "Maupoleum', een lange, grijze kantoormuur langs de aanzet van wat ooit een brede verkeersweg naar binnenstad had moeten worden. Over de brug is de weg opeens versmald tot de intieme straten en pleintjes van de nieuw opgebouwde Nieuwmarktbuurt, vriendelijk voor voetgangers, slecht voor auto's, kleinschalig, bijna ouderwets rustig. Precies daar ligt het breukvlak tussen de twee werelden die in die jaren telkens opnieuw op elkaar botsten.

De data die ik hierboven noemde markeerden ook een breuk, al was het een meer symbolische. Op die 12de juli 1965 werd het eerste nummer van het tijdschrift Provo op straat gebracht, en vrij algemeen wordt dat moment beschouwd als de officiële start van de provo-beweging. 21 december 1984 kan gezien worden als het einde van de kraakbeweging, toen de krakers burgemeester Van Thijn bij een werkbezoek uit de Staatsliedenbuurt verjoegen en zichzelf daarmee in een compleet politiek isolement manoevreerden. Over die laatste datum valt te twisten, maar na het lezen van Virginie Mamadouh's minutieus beschreven geschiedenis van twintig jaar Amsterdamse stadsrebellie, waarop deze sociaal-geografe afgelopen dinsdag promoveerde, neem ik alles van haar aan.

WIE, WAT, WAAR

De Stad in eigen hand van Virginie Mamadouh is een unieke studie. Al eerder zijn er pogingen gedaan om de provo-, kabouter-, Nieuwmarkt-, en kraakbeweging te beschrijven, maar tot nu toe betrof het altijd deelgebieden en min of meer autobiografische geschriften. In wetenschappelijke beschouwingen werden provo's en krakers voornamelijk gezien als exponenten van een tegencultuur. Men legde het accent op de uiterlijke verschijnselen: het lange haar, de muziek en wietlucht van de provo's; en de kale koppen, de leren jasjes en het "no future' van de krakers. Virginie Mamadouh, geboren in Grenoble en sinds tien jaar woonachtig in Amsterdam, heeft echter met de frisheid van een betrekkelijke buitenstaander veel van deze vaak zweverige analyses terzijde gelegd.

Zij hanteert een ander, beperkter en meer concreet uitgangspunt. Zij ziet de provo's en de krakers in de eerste plaats als exponenten van stedelijke sociale bewegingen. Het waren typisch stedelijke groeperingen, zo houdt ze haar lezers voor, hun doelstellingen lagen primair op het gebied van verkeer, woningbouw, behoud en herstel van de openbare ruimte. En al reikten de dromen en theorieën van de provo's tot de hemel en al werden de krakers tot ver over de grenzen als exponenten van de Nieuwe Jeugd gezien, in de praktijk bemoeiden beide bewegingen zich voornamelijk met vraagstukken en politieke kwesties op plaatselijk niveau. Houdt het simpel en helder, dat lijkt Virginie Mamadouh's ongeschreven motto te zijn geweest bij haar jarenlange spitwerk in de meest recente stadsgeschiedenis.

En het resultaat is ernaar: geen ander heeft tot nu toe zo rustig, nuchter en systematisch het "wie, wat, waar, wanneer en waarom' van die twee roerige decennia op een rij gezet. Eindelijk is iets van de chaos van die jaren geordend. Hoe zag het eerste kraakmanifest, het Witte Huizenplan van Provo, eruit? Op welk punt barstten de sluimerende conflicten tussen de kabouterbeweging, Dolle Mina en marxistische studentengroepen als de SJ, de SVB en de ASVA eindelijk naar buiten? Wat was precies de relatie tussen De Lastige Amsterdammer en de actiegroep Nieuwmarkt? Hoe werkte het alarmsysteem van de kraakbeweging, de beroemde telefonische "sneeuwbal'? Wat was het verschil tussen de "politieke krakers', de "woonkrakers', de "lolkrakers' en het "barricadenvolk'? Dankzij het spitwerk van Virginie Mamadouh kunnen, aan de hand van vaak nauwelijks bekende feiten, dit soort vragen eindelijk een beetje zinnig worden beantwoord.

PRAKTIJKGERICHT

Haar onderzoek brengt ook voor het eerst naar buiten hoe de verbindingslijnen tussen de vier onderzochte bewegingen precies lagen - waarmee ze tegelijk aantoont dat de provo- en kraakbeweging nauw aan elkaar verwant waren, ondanks de uiterlijke, culturele verschillen. Zo blijken er bijvoorbeeld hechte banden geweest te zijn tussen de Provo- en de Nieuwmarktbeweging via de Stichting De Straat, een gesubsidieerd provo-experiment met een speel-woon-leef-werkstraat, die toevallig in de Nieuwmarkt was gesitueerd. Daardoor raakten "praktijkgerichte' provo's als Rob Stolk en Luud Schimmelpennink al in 1967, 1968 betrokken bij de problemen van de Nieuwmarkt. Van de kabouter-ideologie moesten de Nieuwmarkters niets hebben, daar waren het teveel "doeners' voor, al werd er incidenteel wel samengewerkt.

Bij de ontwikkeling van de latere kraakbeweging speelden de krakers uit de Nieuwmarkt een grote rol. Een deel van de Nieuwmarkt-krakers, waaronder een van de bekendste "bonzen' uit de kraakbeweging, Theo van der Giessen, verhuisde na de ontruiming van de Nieuwmarkt naar de Staatsliedenbuurt, die in de jaren tachtig zou uitgroeien tot het machtigste kraakbolwerk van de stad. Parallel daaraan hielden ook de kabouterbeweging en de daaraan gelieerde actiegroepen zich intensief bezig met het kraken van panden, een activiteit waarmee men al begonnen was in de provo-tijd onder het motto "Redt un pandje, bezet un pandje'. Ook zij hebben veel van hun mankracht en know-how aan het eind van de jaren zeventig overgedragen aan de jongere generatie krakers.

Toch waren het niet alleen praktische ervaringen en persoonlijke relaties die deze rebelse stadsbewegingen bonden. Hun onderlinge verwantschap lag vooral in hun diepgewortelde afschuw jegens het Maupoleum-achtige denken dat in de jaren zestig de stad domineerde, en hun sympathie voor het kleinschalige utopia van de huidige Nieuwmarkt. ""De mooie, oude, romantische stad is er om in te wonen en naar buiten te kijken en bomen te zien'', zo beschrijft een van de kaboutergeschriften de ideale stad. ""Om op straat te spelen. In de grachten te vissen, je kunt er palingen vangen en eten als in Vinkeveen.''

Alle vier de bewegingen huldigden, ondanks hun grote onderlinge verschillen, eenzelfde cluster van opvattingen: tegenover de bureaucratie zetten ze het zelfbestuur; tegenover het credo van de economische groei het credo van de leefbaarheid; tegenover grootschalige sloop en nieuwbouw de waardering en het behoud van het bestaande; tegenover de massaconcumptie het, soms nostalgisch, stimuleren van de buurtcultuur; tegenover het bevorderen van het verkeer de bereikbaarheid van al het nodige op loopafstand. Door alle vier de bewegingen liepen en lopen dergelijke lijnen, van het kunstwerk New Babylon tot het krakersverzet tegen de Stopera, van het Witte Lijkenplan uit 1966 - een alternatieve straf voor "verkeersmoordenaars', die met een beitel in het asfalt de silhouet van het slachtoffer moesten uithollen en met witte specie vullen - tot de actiegroepen die vandaag pleiten voor een autovrije binnenstad.

GEHEIMZINNIGHEID

De "romantische' visie op de stad, zo noemt Mamadouh deze denkwereld, in tegenstelling tot de "functionalistische' visie van het Maupoleum aan de andere kant van de brug. Het functionalisme ziet de stad als een organisatie die dient om bepaalde functies te vervullen. De romantiek vindt de stad een geheel van bewoners, een collectief dat een eigen geschiedenis en persoonlijkheid heeft. Zowel de provo's als de kabouters en de Nieuwmarkt-actievoerders hadden in haar ogen een typisch romantische visie op de stad, en de opvattingen van de krakers over de stedelijke inrichting noemt ze zelfs extreem romantisch. Maar, zo voegt ze daar haastig aan toe, dat wil niet zeggen dat de functionalistische opvattingen van de bestuurders en stedenplanners realistischer waren dan de romantische ideeën die de actievoerders van "hun' stad koesterden.

Over de werkelijke omvang van deze "romantische' stadsbeweging blijft echter ook na deze studie een waas van geheimzinnigheid hangen. Een indicatie van de publieke steun voor Provo geeft de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van op 1 juni 1966, waarbij lijst 12 van Provo ruim dertienduizend stemmen trok, maar het aantal werkelijk actieve provo's was maar klein. Over het aantal krakers is helemaal nooit duidelijkheid gekomen - ook omdat er nogal wat "wilde' of "stille' krakers waren die geen deel uitmaakten van de kraakbeweging. Alleen de oplage van het kraakweekblad Bluf! - later NN - geeft een aanwijzing: ongeveer vijfentwintighonderd op het moment dat de beweging op zijn top was. De harde kern was echter vele malen kleiner. Toch wist die betrekkelijk kleine groep jarenlang het politieke debat in de stad te beheersen.

Hoe was dat mogelijk? Anders gezegd: wat is de sociale en politieke "chemistry' geweest die de tegenstellingen tussen functionalisme en romantiek uitgerekend in deze periode in deze stad deed exploderen?

Uit het boek van Virginie Mamadouh valt ook dat enigszins te reconstrueren. Allereerst was er het dynamiet van de geboortegolf. In het midden van de jaren zestig werd Amsterdam een typische jongerenstad. De na-oorlogse jeugd ging zelfstandig wonen, trok naar de stad; dankzij de pil en de vrouwenemancipatie stelden velen het stichten van een gezin nog enige tijd uit, en zo ontstond een groep oudere jongeren voor wie de openbare ruimtes van de stad een tweede thuis werden. Het was bovendien een generatie die in haar jeugd weinig of geen grote materiële ontberingen had gekend en daarom andere, niet-materiële zaken belangrijker vond dan haar ouders.

AFKOPEN

Daarbij kwam een ontstekingsmechanisme: de stad zelf. De gebouwde omgeving in Amsterdam was eind jaren zestig toe aan een ingrijpende vernieuwing en herinrichting. Veel gebouwen in de binnenstad stonden op inzakken, woningen waren klein en uiterst schaars, straten en grachten stonden vol wachtende en geparkeerde auto's. Er moest iets gebeuren, en toen deze rebelse tijd begon werden er geen andere dan functionalistische beleidskeuzes gemaakt. De stad zou opnieuw ingericht worden door sloop van de meeste oude wijken, er zouden overal snelwegen komen, de Nieuwmarkt zou vervangen worden door een kantoorwijk, de Jordaan door een soort moderne tuinstad.

Dat daar een hevige reactie op volgde, en dat die vooral van de jongeren afkomstig was, is in dat licht niet meer dan logisch, en dat die reactie effect heeft gehad kan iedereen constateren die vandaag door de Amsterdamse binnenstad loopt. Het is een succes dat voor een belangrijk deel te danken is geweest aan hetzij de brede groep sympathisanten (vooral bij provo), het uitgebreide netwerk (kabouter en Nieuwmarkt), hetzij de omvang en de intensiteit van allerlei vreedzame en minder vreedzame straatacties (de kraakbeweging).

Na 1984 ging het snel bergafwaarts met de stadsrebellen. Deels vanwege het politieke en maatschappelijke isolement waarin de laatste generatie, de krakers, door haar gewelddadige acies was beland. Deels omdat de extreem romantische visie van de krakers op de stedelijke samenleving wel ten onder moest gaan vanwege haar innerlijke tegenstrijdigheden - aan de ene kant erkende men geen overheid, aan de andere kant werd alle hulp en steun van "de gemeente' verwacht. Deels ook omdat de eisen van de krakers veel beperkter en concreter waren dan die van bijvoorbeeld de provo's en daarom de overheid een unieke kans boden om ze af te kopen. Virginie Mamadouh noemt tegen het slot van haar boek reeksen voorbeelden van problematische kraakpanden die door de gemeente simpelweg werden opgekocht en daarmee gepacificeerd. Het meest navrante voorbeeld van deze pacificatietactiek was het voormalige gebouw van het Algemeen Handelsblad dat drie dagen voor de kroning van koningin Beatrix op 30 april 1980 door de gemeente, tegen alle ambtelijke adviezen in, werd aangekocht ten behoeve van jongerenhuisvesting. Maar toen kookte de stad al zo, dat er geen houden meer aan was.

"Koken', schrijf ik, en opeens realiseer ik me dat dit eigenlijk het enige is wat ik aan het boek mis: de factor E. In een stad kan sfeer hangen, een stemming op straat, die meer bepalend voor het verloop van bepaalde gebeurtenissen is dan alle geschriften en handelingen van acievoerders en bestuurders bij elkaar. Bijna mechanisch beschrijft Mamadouh bijvoorbeeld het verloop van de gebeurtenissen van die beruchte dertigste april, maar daarmee vat ze slechts een deel van de realiteit. Die explosie van straatgeweld werd grotendeels beheerst door irrationele krachten, maar ze waren wel zo reeël dat iedereen in de stad deze kladderadatsch op een of andere manier aan voelde komen. Het emotionele, irrationele in deze zo reeële stad in het algemeen en bij deze stadsrebellen in het bijzonder, in de werkelijkheid die Virginie Mamadouh schetst lijkt het allemaal nauwelijks te bestaan. Nuchterheid, helderheid en precisie staan bij haar bovenaan. Het zijn, kortom, romantische bewegingen, gezien door de ogen van een functionaliste. Maar wat zeur ik. Ook het Maupoleum biedt een prachtig uitzicht op de Nieuwmarkt.

    • Geert Mak