40 procent is profetie, 60 procent is het leven

MOSKOU, 3 OKT. Niets is in Rusland moeilijker dan voorspellen. De weerman ten tijde van Jozef Stalin wist dat al. Op een vraag van de partijleider hoeveel kans hij had op een goede prognose van het weer, antwoordde de meteoroloog: “veertig procent”. Waarop Stalin repliceerde: “Waarom voorspel je dan niet altijd het verkeerde weer?” Een scherpe analyse van Josif Vissariovitsj Dzjoegasjvili, zij het dat die wat al te keurig in de kraam van zijn eigen zwart-wit-denken paste met alle rampzalige gevolgen vandien.

Het probleem is in de halve eeuw, die inmiddels is gevolgd en zoveel heeft veranderd, desondanks niet wezenlijk opgelost. De kwestie is hooguit verschoven: ze ligt nu op het bord van de Westerse "waarnemers'. Die beoordelen alles wat er in het Rusland sinds de perestrojka gebeurt bij voorkeur vanuit een helder schema. Liberalisering van prijzen is goed, staatsinterventie fout. Baltisch, Oekraïens en Moldavisch zelfbewustzijn is vooruitgang, Russisch nationalisme regressie. Waarnemend premier Jegor Gaidar is dan ook "onze' man in Moskou en zijn voornaamste Angstgegner Arkadi Volksi logischerwijs de "hunne', dat wil zeggen, van de apparatsjiks. Dat er in het hele land amper leiders zijn te vinden die niét uit datzelfde apparaat komen, is daarbij een ongemakkelijk detail dat vaak wordt opgelost door de partijgeschiedenis te laten beginnen in 1991, na het aftreden van Sjevardnadze en de couppoging in Litouwen.

In feite gaat deze veronderstelling uit van het idee dat je het weer in Rusland nog steeds maar op één manier goed en dus ook maar op één manier verkeerd kan voorspellen. Zo werkt het echter niet. Gaidar zelf is de eerste om dat toe te geven. Hij heeft tot nu toe alles verloren wat hij maar kon verliezen. Zijn monetaristische beleid had moeten uitmonden in een convertibele roebel met een koers van één op tachtig ten opzichte van de dollar en uiteindelijk zelfs tot een wisselkoers van één op dertig. Want dat is de echte waarde van de Russische munt, wist Gaidar een half jaar geleden. Sinds eergisteren krijg je in Moskou voor een dollar niettemin liefst 309 roebel. De schuld ligt bij president Viktor Gerasjtsjenko van de centrale bank die zijn dollars meer wil lozen terwille van een “stabiele roebel”.

En toch is Gaidar nog steeds waarnemend premier. Zoals ook Andrej Kozyrev nog altijd als minister van buitenlandse zaken rondtrekt hoewel er bijna niemand meer in de regering is te vinden die het eens is met zijn op West-Europa en de Verenigde Staten geïnspireerde anti-Servische beleid. Hoe vaak zijn beiden al niet afgetreden in de politieke weerprognoses? Het is niet meer te tellen.

De voorspellers houden desondanks niet op met voorspellen. Volgende week moet in het Russische parlement dé politieke kraker van het seizoen worden opgevoerd. Dinsdag zal president Jeltsin spreken over beleid en regering. Het aantal ministers dat die rede wel eens niet zou kunnen overleven, nadert wederom de vingers van één hand. Behalve Gaidar en Kozyrev zouden ook Pjotr Aven (buitenlandse handel), Anatoli Tsjoebais (vice-premier voor de privatisatie) en, bij wijze van zoenoffer aan deze "linkse' slachtoffers, Aleksandr Titkin (industrie) op de nominatie staan te moeten verdwijnen. De kans dat deze voorspelling fout uitpakt, is zestig procent.

Wat te doen? Ook daar hebben ze in Rusland een antwoord op. En wel in het allerverste noordoosten van Siberië, daar waar de Tsjoektsji leven. De Tsjoektsji zijn in de ogen van de geciviliseerde Rus een soort rondtrekkende, van rendieren levende, Lappen. In de grappenmakerij van alledag zijn ze daarom de Belgen of de Schotten van het Russische Rijk.

Maar eigenlijk zijn ze het verstandigst van allemaal. Eén van de vele anekdotes over hen illustreert dat. Een Tsjoektsjka komt naar Moskou om toelatingsexamen te doen voor de staatsuniversiteit aldaar, de meest prestigieuze academie van het land. De man wordt scherp ondervraagd. Vooral over de negentiende-eeuwse literatuur uiteraard. Wat hij vindt van Fjodor Dostojevski, met name in het licht van de eeuwigheid der Russische ziel, wil de examinator weten. “Dostojevski? Nooit van gehoord”, antwoordt de Tsjoektsjka. Of hij dan wat kan zeggen over de progressieve aspecten in het werk van Lev Tolstoj of desnoods Ivan Toergenjev. “Wie zijn dat”, is de reactie. Verbouwereerd vraagt de examinator: “Hoe denk je hier te kunnen studeren als je zo weinig van de literaire tradities van dit grootse land weet?” De Tsjoektsjka is echter allerminst uit veld geslagen. “Wij Tsjoektsji”, zegt hij, “wij lezen niet, wij Tsjoektsji schrijven.”

Zo is het. Hoe populair de Westerse kopieermachines in Rusland thans ook mogen zijn, de politiek, de economie, kortom, het leven, gaat er gewoon zijn eigen gang.

    • Hubert Smeets