Zever in pakskes; Dorpsverhalen van Geertrui Daem

Geertrui Daem: Boniface. Uitg. Dedalus, 130 blz. Prijs ƒ 29,90

In de Vlaamse kritiek wordt in de laatste weken gesproken van een nieuwe, een vrouwelijke Boon. Dat is een wat opzichtige en ook niet helemaal juiste manier om Geertrui Daem aan te kondigen. Goed, ze komt uit Aalst, net als Boon, ze heeft een buitengewoon verteltalent en een even buitengewone handigheid om net op het goede ogenblik de volkstaal te pas te brengen. Maar als de naam van Boon valt, is de eerste gedachte toch aan grote romans als De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren, en er is nog geen aanwijzing dat Geertrui Daem met de lange adem van Boon kan wedijveren. Haar debuut bestaat uit zeven korte verhalen en als er een vergelijking met Boon gemaakt moet worden dan zou dat met de Boon van Mijn kleine oorlog moeten zijn.

De verhalen spelen in de jaren zestig in een gehucht dat potdicht zit voor invloeden van buiten. De verhalen hebben daardoor allemaal iets claustrofobisch. De figuren zijn voornamelijk meisjes van elf tot zeventien die op dat geïsoleerde stukje grond door de puberteit heen moeten en maar moeten zien wat ze daarvan maken. Op enige voorlichting, advies of zelfs maar verstandig commentaar kunnen ze niet rekenen. Het schooltje, aan de rand van een geheimzinnig moeras, wordt geregeerd door nonnen die zich een goddelijke almacht hebben aangemeten. Een van hen, zuster Boniface, wordt bij alles wat ze de meisjes vertelt, gedreven door een seksuele frustratie die ten slotte uitloopt op algehele hysterie. De bundel is naar haar genoemd en dat wekt het vermoeden dat Boniface niet de enige was die zo hard en wreed tegen de meisjes optrad.

Van enig contact tussen school en huisgezin is geen sprake en er is maar een enkel spoortje van contact tussen de gezinnen onder elkaar. Ieder leeft afgezonderd van de ander. Wel hebben de meisjes vriendinnen en vriendjes, maar de laatsten zijn niet meer dan instrumenten om wat seksuele ervaring mee op te doen. Op één uitzondering na komt echte verliefdheid niet voor ook al proberen de meisjes zich die wel eens in te praten. "Maar misschien is Eddy wel de man van mijn leven,' roept Linda in "De zusjes' uit. "Allemaal zever in pakskes', zegt haar zusje daarop. Op diezelfde dag is Linda haar onschuld aan Eddy kwijtgeraakt - "als uit één mond schreeuwden ze' - en ook op diezelfde dag schrijft ze hem een briefje van één zin met de mededeling dat het uit is tussen hen. Als ze naar huis terugloopt, zwiert haar rokje van de opluchting, maar met de onschuld is het gedaan.

In bijna alle verhalen speelt het verlies of de bedreiging van de onschuld een grote rol. Het is een onderwerp dat door vele anderen al vele malen is beschreven maar niet vaak zo van binnenuit en zo direct als hier. In het titelverhaal wordt de onschuld van een meisje van elf evenzeer belaagd door de onbegrijpelijke tirades van zuster Boniface als door de grijphanden van de jongens. "Bidt in bekoringen en gevaren. Het vlees is zwak.' Wie onkuise gedachten heeft, moet aan Paulus denken en bij het wassen het hemd aanhouden. Niets begrijpt het meisje ervan. Wat zijn onkuise gedachten, wat is dierlijke wellust? Ze probeert zich af te sluiten in een eigen wereldje waarin ze Sneeuwwitje tekent, en de kleine zeemeermin en vrouw Holle. Als zuster Boniface die één voor één verscheurt en in de kachel verbrandt en haar dan gillend verbiedt haar aan te kijken, is dat voor de lezer bijna even huiveringwekkend als het voor het meisje geweest moet zijn.

Toch is dat verhaal niet een wraakzuchtige aanval op Boniface. Het wordt niet gezegd maar het is wel duidelijk dat de non door de vertelster eerder als een zielepoot en ziektegeval wordt gezien dan als een opzettelijke kwelgeest. De verhalen zijn nooit agressief maar getuigen van een sterk ingehouden maar ook heel zuiver gevoel van medeleven. En bovendien, als zuster Boniface van nature al overgevoelig was voor alles waar de meisjes mee te kampen hebben, dan is het geen wonder dat ze gek werd, want het is niet mis wat daar in het dorp gebeurt. Een meisje kan nog geen bal van achter een auto terughalen of de man achter het stuur laat haar "een grote, vlezige, paarse stamper' zien. Zelfs een doodzieke oude man probeert nog de hand van een buurmeisje onder de dekens te leiden. En als de oude mannen en de jongens zich even rustig houden, nemen de meisjes zelf de leiding, zoals Jenny in "Een huis in de rij', die twee welbewuste pogingen doet om zich van haar onschuld te bevrijden: de eerste mislukt omdat de jongen niet durft, de tweede, met de minnaar van haar moeder, slaagt maar al te goed. Het dorp van Geertrui Daem lijkt hoofdzakelijk bevolkt door potloodventers, kinderlokkers en hitsige meisjes.

Humor

In dergelijke verhalen ligt de melodramatiek voortdurend op de loer, maar altijd wordt die heel behendig omzeild. Hoe emotioneel geladen de situaties ook zijn, steeds worden ze gerelativeerd door de humor van de volkstaal en de ironie van de vertelster. Merkwaardig in dit opzicht is het laatste verhaal van de bundel. Wie alleen de titel ziet, "Gelijkgestemde zielen', weet nog niet of hij met een cliché te maken heeft of met een ironisch gebruik daarvan, maar de eerste zin: "Mijn vrouw begrijpt me niet' is zo'n plompe gemeenplaats dat er alleen nog maar ironie op kan volgen. Het is het verhaal van een meisje van een jaar of zeventien dat dwaas verliefd is op een leraar die haar bedwelmt met de ene afgetrapte frase na de andere. Hoe serieus het verhaal ook verteld wordt, het clichématige ervan wordt heel geraffineerd door kleine ironische seintjes aan de kaak gesteld, alsof de vertellersstem wil zeggen: wat een onzin allemaal, wat een stom gedoe, allemaal zever in pakskes. Het is een passend sluitstuk van een bundel bijzonder gave verhalen.