Zelfs de zon is niet meer dan een schaduw; De sporen van Guido Gezelle in Vlaanderen

Waarom worden de gedichten van Guido Gezelle weer veel gelezen? Vorig jaar werd de publikatie van het verzameld dichtwerk voltooid, en in Brugge wordt in oktober een Gezelle-manifestatie gehouden met voordrachten en tentoonstellingen. Een zoektocht naar herinneringen aan de Vlaamse priester-dichter. “Er is in de loop der jaren al veel geschreven over de avantgardistische muzikaliteit van Gezelle's werk, en over het sociale en Vlaamsgezinde karakter ervan, maar dat valt allemaal in het niet bij zijn religiositeit.”

Guido Gezelle. Verzameld Dichtwerk. Redactie J. Boets. In acht delen verschenen bij uitg. De Nederlandsche Boekhandel/Pelckmans, Antwerpen.

Mijn dichten, mijn geliefde. Een keuze uit de poëzie van Guido Gezelle. Samengesteld en ingeleid door Piet Couttenier. Uitg. Poëziecentrum, Gent.

Christine D'haen: De wonde in 't hert: Guido Gezelle: een dichtersbiografie. Uitg. Lannoo, Tielt.

Michel van der Plas: Mijnheer Gezelle. Biografie van een priester-dichter. Uitg. Lannoo, Tielt en uitg. Anthos, Baarn.

Gezelle en de Engelsen, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent.

Het leven van Guido Gezelle (1830-1899) heeft in de loop van deze eeuw bijna mythische vormen aangenomen. In Vlaanderen is hij zo ongeveer een heilige, in Nederland kent vrijwel iedereen een regel van hem uit zijn hoofd, en de commentaren en interpretaties zijn niet meer bij te houden. Wie was de ware Gezelle? De beste karakterisering is vermoedelijk van Albert Verwey, die al in 1899 schreef: “Zijn hart schijnt nooit droog, zijn geest nooit dof, zijn hand nooit ledig van het vangen van rijmen. Vast en stil midden door de bedrijvigheid van zijn dagelijks leven gaat onvermoeid de dichtende geest.”

Guido Gezelle werd op 1 mei 1830 geboren in Brugge, als oudste zoon van een tuinier en een boerendochter. Zijn geboortehuis ligt aan de rand van de stad en is sinds 1926 ingericht als een museum. De huiskamer is zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Er staat een tafel met vier stoelen, en tegen de muur het ledikant waarin Gezelle is geboren. Aan de muur hangt een klok en op de schoorsteenmantel staan tinnen borden. Het geheel maakt een sobere indruk, maar de tuin is schitterend, en wie er even rondwandelt begrijpt al gauw iets meer van Gezelle's geëxalteerde liefde voor de natuur.

Het museum ligt vlak bij een molen waar Gezelle als kind vaak speelde, en die nog steeds in bedrijf is. De molen moet op de jonge Gezelle een onuitwisbare indruk hebben gemaakt; het is een van de krachtigste beelden uit zijn werk. Kort voor zijn dood schreef hij over de molenaar Gevaert, die hem en zijn vriendjes zo vaak had voorgelezen uit de preken van de Duitse mysticus Tauler en uit de Bijbel, en over diens dochter Gonzaga die naar het klooster ging. Het is ook het onderwerp van de allerlaatste regels die hij in zijn leven heeft geschreven. Het zou me niet verwonderen als de uren die Gezelle er doorbracht de kiem voor zijn dichterschap hebben gelegd. Ga er heen en zie hoe het klauwijzer in stelling wordt gebracht, de as gaat draaien, de tandwielen in elkaar grijpen, het graan in de groeven schuift, tussen de twee molenstenen wordt geplet en als bloem weer tevoorschijn komt - de molen is een treffende metafoor voor de eeuwige wisseling der dingen.

Wat trok Gezelle aan in het priesterschap? Zijn neef Stijn Streuvels schreef ooit dat hij misschien beter het ambacht van zijn vader had kunnen voortzetten, "ontlast van tribulaties, problemen en inwendige kommernissen, werkend in Gods vrije natuur, midden in zijn bomen en planten die hij liefhad en zijn vrienden waren'. Maar dat heeft Gezelle niet gedaan. Hij verhuisde als jongen naar het Klein-Seminarie in het dertig kilometer verderop gelegen stadje Roeselare. Het seminarie bestaat nog steeds en het telt ongeveer achttienhonderd leerlingen (alleen jongens, van wie driehonderd intern). Gezelle maakte er als student een moeilijke tijd door. Hij kwam uit een arm gezin en om zijn schoolgeld te kunnen betalen was hij portier en boodschappenjongen voor de leraren. Later keerde hij er terug als leraar. Gezelle was bij zijn leerlingen zeer geliefd, meer dan door collega's en ouders op prijs werd gesteld. Hij propageerde de Vlaamse taal, richtte met studenten een geheim godsdienstig genootschap op en schreef samen met hen gedichten. Hij heeft in Roeselare ook mooie regels geschreven over de Mandel, het riviertje dat in zijn tijd vlak langs de leraarskamers stroomde. De Mandel stroomt sinds 1902 vanwege de stank ondergronds. Boven het riviertje is een tuin aangelegd, en in een perk staat een borstbeeld van Gezelle. Pas even voorbij het seminariegebouw duikt het riviertje weer op, bruin en vies. Binnen ademt de school nog steeds de geest van het roomse leven; in de refter, de bibliotheek en de slaapzalen, en in de ontvangstruimte met de portiersloge, van waaruit Gezelle als zestienjarige de voordeur bediende, en waar hij toen al, als verwoed filoloog, begon met het verzamelen van woorden en uitdrukkingen.

Gezelle moet een buitengewoon vroom man zijn geweest, op het extatische af. Hij staat wijd en zijd bekend als de wijze priester die dagelijks al brevierend door de velden ging, maar het vrome zat er al vroeg in. In de gedichten uit zijn jaren in Roeselare wordt Gezelle niet moe uit te roepen hoe groot voorrecht het is om de dagelijkse eer aan God te bewijzen, en hij schrijft enthousiast over altaarbel, orgelspel, consecratie, de kaarsen voor het tabernakel, wierook, het buigen en bidden en zingen, kortom de hele liturgische rimram. Waren deze gedichten misschien bedoeld als aansporing aan zichzelf om tot een dieper geloof te raken? Je zou het haast denken. Uit veel gedichten spreekt een hang naar versterving en onthechting, en een goed voorbeeld daarvan zijn ook een paar voornemens die Gezelle, in het latijn, maakte tijdens een retraite op het Groot-Seminarie in Brugge, waar hij op 22-jarige leeftijd zijn priesteropleiding voltooide.

Ik zal vroeg opstaan en dadelijk, zonder enig excuus tenzij om zeer zware redenen

Ik zal mijn karakter overmeesteren, mijn gewoonte van melancholie, mijn eenzaam melancholisch karakter zal ik versterven

Ik zal hun liefde niet vangen

Ik zal nooit over mijzelf spreken

Ik zal met de voeten naast elkaar zitten

Ik zal mijzelf gemakkelijkheden in het zitten ontzeggen, bijvoorbeeld de handen in de zakken

Dat liegt er niet om. Er is in de loop der jaren al veel geschreven over de avantgardistische muzikaliteit van Gezelle's werk, en over het sociale en Vlaamsgezinde karakter ervan, maar dat valt allemaal in het niet bij zijn religiositeit. Gezelle wilde God loven en verder niets, de Schepper van hierboven, de eerste oorzaker zonder wie de bomen niet botten en de bloemen niet bloeien, de nachtegaal niet zingt, het varkensgras niet kruipt en de abeelen niet wikkelwaaien. Als motto voor een gedicht uit de late bundel Tijdkrans dienen de woorden van Paulus, uit de brief aan de Korinthiërs: Per fidem enim ambulamus, et non per speciem. (want wij wandelen door het geloof, en niet door het aanschouwen). Dat is de priester-dichter ten voeten uit. Gezelle geloofde in God de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, die nedergedaald is ter helle etcetera. Zijn gedichten wemelen van toespelingen op liturgische teksten, bijbelboeken, kerkvaders en ook wel klassieke auteurs als Homerus, Vergilius en Horatius, want Gezelle was een belezen man.

Gezelle's grote ambitie was om missionaris te worden. Hij wilde als jongeman naar Engeland, waar hij inmiddels de nodige mensen had leren kennen. Hij schreef twee smeekbrieven aan de bisschop van Brugge om een benoeming los te krijgen, maar de bisschop wilde hem niet laten gaan. Een carrière als hoogleraar zat er ook niet in. Na zijn vruchtbare leraarschap in Roeselare is Gezelle nog wel enkele jaren professor en vice-rector geweest van het Engels Seminarie in Brugge, maar daarna werd hij benoemd tot onderpastoor, eerst in Brugge en daarna in Kortrijk, en hij sleet de rest van zijn leven met het lezen van de mis, het voorbereiden van preken, het afnemen van de biecht, het bezoeken van parochianen, en het redigeren van zijn tijdschriften 't Jaer 30, Rond den Heerd, Biekorf en het filologische blad Loquela. Gezelle heeft tot zijn verdriet jarenlang geen gedichten geschreven, in 1876 omschreef hij zichzelf in een brief als "den litterariter si non litteraliter-overleden G. Gezelle'.

Hoewel Gezelle bijna twintig jaar in Kortrijk heeft gewoond, zijn de herinneringen in deze stad schaars. Het huis waar hij het langst verbleef, vlak bij de door hem vaak bezongen rivier de Leye, is gesloopt en heeft plaats gemaakt voor een parkeerterrein. Het is niet waarschijnlijk dat Gezelle met deze bestemming tevreden zou zijn geweest; de bezielde lyricus vond een fiets al minderwaardig omdat zo'n ding niet uit zichzelf kon bewegen, en hij had eigenlijk aan alle techniek een broertje dood. Op het huis waar hij zijn laatste vijf jaren in Kortijk heeft gewoond is een gedenkplaat aangebracht, maar te bezichtigen is het niet. Wel te bezoeken is de Onze Lieve Vrouwe-kerk, waar Gezelle zeventien jaar kapelaan is geweest. Zijn biechtstoel staat niet meer op de oorspronkelijke plaats, maar in een schemerige Maria-kapel die licht krijgt door half-abstracte glas-in-lood-ramen. Buiten de kerk staat hetzelfde borstbeeld van Gezelle als dat in Roeselare. Tijdens het poseren ervoor schreef Gezelle een gedicht dat zijn onverwoestbare drang tot relativeren goed illustreert, en waarin hij bedenkt dat hij nu wel in pottebakkers aarde wordt nagepoetst, maar dat de mens toch eigenlijk op een veel grootsere manier een aarden vat is in de handen van God:

Een vat, ja, heeft u God gemaakt,

maar niet zoo andere vaten,

die ijdel staan: een ijdel vat

en heeft u God gelaten.

Een' geest heeft Hij u ingevoegd,

een kracht u aan doen

kleven,

die thuisbehoort in 't eeuwige, en

die 't vat zal overleven.

Gezelle haakte naar de eeuwigheid. Zijn gedichten staan bol van het verlangen om in God op te gaan, en die hang naar het mystieke werd er met de jaren niet minder op. In de vroege gedichten is Gezelle wat zijnservaringen betreft nog snel tevreden; verbluft als hij zichzelf weerspiegeld ziet in het water, opgelucht dat hij samen met de maan, de sterren, de heesters en de koeien deel uitmaakt van de schepping. In zijn latere gedichten volgt op zulke euforische regels meestal de bezinning, de overtuiging dat zo'n afbeelding in dit dal van tranen nooit meer is dan badinerie, voorspel, oefeningen voor de enige afbeelding die er werkelijk toe doet, de afbeelding door de dood. In een gedicht uit de late bundel Rijmsnoer vindt de dichter het wel indrukwekkend om op een lentedag door het doorbrekende zonlicht onverwacht als schaduw te worden verdubbeld, maar meteen volgt daarop de gedachte dat zolang we niet bij God zijn, zelfs de zon niet meer dan een schaduw is. Gezelle heeft mooie beelden geschetst van het eeuwige leven, zoete beloften van een wereld waar de tijd zal zijn getemd, beroofd van zeis en tijdglas, en waar wij als bloemen zullen bloeien in een eeuwig licht. Of zoals hij het in een van zijn latere gedichten omschrijft:

Mijne ooge zal

eens vol U zien, en varen

zoo 't druppelken

in zee, dat is versmoord:

zij zal U zien,

verafgrond in de baren

der ziende zee,

die bedde en heeft noch boord!

Gezelle stierf op 27 november 1899, in het Engels Klooster in Brugge, waar hij enkele maanden daarvoor tot rector was benoemd. Het klooster ligt vlak bij zijn geboortehuis, en uit zijn kamer zag hij de wieken van zijn geliefde molen draaien. Ook hier herinnert een plaquette aan Gezelle. Hij overleed aan de gevolgen van een infectie in de hersenen, van zijn elleboog overgebracht door de hand waarmee hij op zijn hoofd placht te krabben. Een bevriende arts die hem in Roeselare had leren kennen, opende een dag na zijn dood de schedel en haalde zijn hersenen eruit voor onderzoek. In zijn onderzoeksrapport werd het uitzonderlijke gewicht vermeld (1674 gram), en verder dat de voorhoofdskwabben buitengewoon groot waren en dat de Rolandsgroef ver naar achter was gelegen. Gezelle's hersenen stonden lange tijd bij iemand op de schoorsteenmantel en zijn later overgebracht naar het museum van de Geneeskundige Faculteit in Leuven. Daar kan niemand ze meer vinden.

Gezelle ligt begraven op de Stedelijke Begraafplaats in Brugge. Zijn grafmonument is formidabel groot en wordt in hoogte alleen overtroffen door het monument dat precies in het midden van het kerkhof staat, een vijf meter hoge Christus aan het kruis. Gezelle's graf wordt omgeven door een linde, een goudenregen en enkele coniferen. In het monument staan Gezelle's publikaties gebeiteld, en zijn regels:

Uit de diepten roepe ik, Heere,

hoort, ik bidde U, naar mijn' stem!

wilt uwe oor te mijwaard keeren,

die om bijstand biddend bem!

(Bem is volgens Gezelle een oude vorm van: ik ben).

Boven de sarcofaag, die ligt in een met stenen paaltjes en ijzeren kettingen omheind perk, torent een drie meter hoog, verweerd kruis. Het wordt geflankeerd door twee heiligen, en om het kruis heen loopt de tekst van een van Gezelle's zogeheten kleengedichtjes, uit de bundel Gedichten, Gezangen en Gebeden:

Met 't Kruis in top

zoo varen wij

door 't wereldtij

ten hoogen hemel op.

Het is een passend grafschrift voor een dichter, die zo aanstekelijk getuigde van zijn geloof in het hiernamaals.

    • Arjen Schreuder