Zelfoverschatting ligt als hypotheek op de Britse politiek

Groot-Brittannië heeft nog altijd last van een zekere mate van zelfoverschatting en dat fnuikt zijn positie momenteel in het Verenigd Europa. De Britten moeten bekennen dat de Duitsers hun economische meerderen zijn, maar daar hebben ze de grootste moeite mee. Oude sentimenten spelen op. Bovendien is premier John Major veel loyaler tegenover de leden van zijn kabinet dan zijn voorgangster, Margaret Thatcher, en dat heeft tot gevolg dat hij daarmee regelmatig op gespannen voet komt te staan met de politieke opportuniteit.

LONDEN, 2 OKT. De Britse regering heeft de diepe nationale en internationale crisis waarin zij verkeert over zichzelf afgeroepen. Al sinds de laatste Britse verkiezingen, op het nippertje gewonnen door de Conservatieven, staan misplaatste opvattingen over de Britse rol in de wereld, misplaatste hardnekkigheid en misplaatste persoonlijke loyaliteiten een Real-politiek in de weg. De wankele positie van de Britse minister van financiën, Norman Lamont, de diepe recessie waarin de economie verkeert en de ruzie met Duitsland zijn geen ongelukkige incidenten, maar een rechtstreeks gevolg van het onvermogen bovengenoemde drie misvattingen te onderkennen.

Misvatting 1: Nog steeds schijnt de psyche van de Brit moeilijk te kunnen aanvaarden dat de tijden van het Empire definitief voorbij zijn. Dat de loop van de geschiedenis Groot-Brittannië definitief tot hooguit Middelgroot-Brittannië heeft gereduceerd. Enkele voorbeelden van dit historisch onwerkelijkheidsbesef: Groot-Brittannië is het enige Westeuropese land dat zich in de recente geschiedenis nog een oorlog durfde te veroorloven met een land aan de andere zijde van de aardbol (Argentinië) om het Britse gezag over een paar eilanden (de Falklands) te herstellen. De goede afloop van dit avontuur voor de Britten komt voor een belangrijk deel op het conto van de Verenigde Staten, die Groot-Brittannië van onmisbare logistieke steun voorzagen. Margaret Thatcher was zo dankbaar voor die hulp dat zij op haar beurt de Amerikanen toestemming gaf om van Britse militaire vliegbases gebruik te maken om het Libië van Gaddafi een lesje te leren. Een dankbaarheid die zich later nogmaals uitte door het toekennen van een hoge Britse onderscheiding aan de toenmalige Amerikaanse minister van defensie, nu Sir Caspar Weinberger.

Ook in de recente Golfoorlog liepen, na de Amerikanen, de Britten voorop om in de wereld orde op zaken te stellen. Het leek opnieuw een demonstratie van de krampachtigheid waarmee Britten trachten vast te houden aan hun mondiale rol. Aandoenlijk en onthullend was eerder al de mate waarin Margaret Thatcher glorieerde in en koketteerde met haar rol van bemiddelaar tussen de grote mogendheden, de Verenigde Staten en (toen nog) de Sovjet-Unie. Haar persoonlijke ambitie om Groot-Brittannië (weer) te laten meetellen in de wereld beroerde een snaar in de harten van miljoenen Britten. Tientallen keren is haar uitroep op een partijcongres van de Conservatieven in 1987 opnieuw uitgezonden: "Great Britain is great again'. Dat was in de tijd dat er geen grenzen aan de economische groei van Groot-Brittannië schenen te bestaan.

Haar opvolger, John Major, is een bescheidener mens, maar gaat in zijn diepste wezen gebukt onder een zelfde psycho-historische belasting. Hij richtte zijn oog, noodgedwongen, op “het continent”, dat wil zeggen het vasteland van Europa. Groot-Brittannië zou bij de inrichting van het nieuwe Europa voortaan “in het hart” staan, zo verzekerde hij de Britten en de rest van de wereld de afgelopen twee jaar herhaaldelijk. Opnieuw hield hij het publiek een Britse voortrekkersrol van importantie voor, weliswaar niet op het wereldtoneel maar - second best - op het "continentale platform'. Groot-Brittannië was toen al aan het afglijden in de diepste economische recessie van na de Tweede Wereldoorlog.

Misvatting 2: De misplaatste hardnekkigheid. Het was John Major zelf, die in 1990 als minister van financiën het pond sterling met een tegenwaarde van DM 2.95 het wisselkoersmechanisme van het Europese Monetaire Systeem (EMS) binnenloodste. Overleg over die hoogte met de Europese partners vond hij niet nodig. Volgens een aantal gezaghebbende economen was DM 2,95 veel te ambitieus. Een lagere waarde zou echter impliciet een nog grotere erkenning hebben ingehouden van de superioriteit van de Deutschmark, en dus van de Duitse economie. En wat Duitsland groter maakt in Europa, maakt Groot-Brittannië kleiner.

Het onvermogen om zich los te maken uit dit denkraam breekt de Britse regering onder leiding van John Major nog steeds op. (Al wil de ironie dat de huidige minister van financiën, Norman Lamont, sceptisch stond tegenover de toetreding tot het EMS.)

Het vervolg van deze zelfoverschatting door toetreding op een irreëel niveau is bekend. Major, die zich ten doel had gesteld de altijd weer opkomende golven van inflatie in de Britse economie voor eens en voor altijd uit te bannen, sloeg zijn anker achter het EMS. Was Duitsland, ondanks alles, niet het land waarin de economie floreerde dankzij een stevige beheersing van de inflatie? Een streep door zijn rekening was dat eerst de Britse economie en toen ook die van de Verenigde Staten in een recessie terechtkwam.

Een tweede misrekening was dat in Duitsland door de hereniging inflatie de kop opstak. De Bundesbank reageerde daarop door de rentetarieven te verhogen. Alle partners in het EMS werden daarin meegezogen. Om het pond sterling op koers te houden, konden Major en Lamont onvoldoende manipuleren om de Britse economie een injectie te geven: de rente kon niet voldoende omlaag.

Half augustus werd steeds duidelijker dat het pond, zwevend boven zijn vloer in het EMS, de afgesproken koers niet kon volhouden. Desondanks formuleerde de regering-Major geen alternatief economisch beleid. Ook toen Duitsland in september een herschikking van valutawaarden binnen het EMS voorstelde, was dit voor John Major kennelijk niet acceptabel. Herschikking zou in feite een devaluatie van het pond sterling hebben betekend; voor een land met een voortrekkersrol in het hart van Europa een politieke degradatie en een enorm gezichtsverlies.

John Major, gevangene van zijn eigen hardnekkigheid, gokte verkeerd. Toen het pond op Zwarte Woensdag (16 september) ongecontroleerd door de vloer van het EMS zakte, was het bankroet van zijn financieel-economisch beleid - en daarmee van zijn buitenlands beleid ten aanzien van Europa - een onloochenbaar feit. Niet echter voor het duo Major-Lamont. In eendrachtige hardnekkigheid legde het de schuld voor het Britse debâcle bij de boze buitenwereld. De internationale geldhandel had op ongekende wijze de aanval op het pond geopend, zo ongeveer redeneerden ze, waarbij Duitsland voor onvoldoende rugdekking had gezorgd.

Voor de Britse boulevardpers betekende deze houding een prachtige mogelijkheid om de oplagecijfers te vergroten door het aanwakkeren van latente anti-Duitse gevoelens. De V-1's en V-2's scheerden weer over Londen, gericht op Downingstreet, en het gerommel van de Dikke Bertha's viel pagina's lang te beluisteren. En had Norman Lamont de Duitsers excuses voor zijn uitlatingen aangeboden? Had hij “gecapituleerd”? Nee, zo verzekerde Lamont, er was een misverstand ontstaan. Hij had niet gecapituleerd. De boulvardpers en haar trouwe lezersbestand konden opgelucht ademhalen. Een heel leger slachtoffers van de recessie, onder wie bijna drie miljoen werklozen, had alle tijd om hetzij deze Brits-Duitse schermutselingen te volgen hetzij over te schakelen naar een andere zender voor zo'n leuke Tweede-Wereldoorlog-propagandafilm over de heldendaden van de Britse strijdkrachten tegen “de Hun”.

Deze sfeer van “nazi's voor de Bundesbank” bleef in Duitsland niet onopgemerkt. Dr. Helmut Schlesinger, president van de Duitse Bundesbank, bekend als een integer mens, een “gentleman” bijna, moet zich diep gekwetst hebben gevoeld door dit soort uitlatingen. Gisteren was het de beurt aan de Duitsers om een misverstand uit de weg te ruimen. Onder de verantwoordelijkheid van de Duitse ambassadeur in Londen met de in deze omstandigheden ongelooflijke naam Baron von Richthofen (een directe nazaat van de Rode Baron von Richthofen die als gevechtsvlieger in de Eerste Wereldoorlog de Britten enorme verliezen toebracht) lekte een geheime briefwisseling uit tussen de Bundesbank en de Bank of England. Major en Lamont waren furieus, omdat ze voor de tweede keer op hun gezicht gingen. Daags ervoor nog was Major persoonlijk naar president Mitterrand gegaan en had hij Douglas Hurd naar Bonn afgevaardigd om de haarscheurtjes in de Europese betrekkingen te dichten.

De geschiedenis kreeg de aspecten van een volmaakte klucht. Eerst werd de Duitse ambassadeur naar het Foreign Office ontboden, een lot dat gewoonlijk beschoren is aan de diplomatiek vertegenwoordiger van Irak. Vervolgens bood de Duitse regering haar diepe en welgemeende verontschuldigingen aan.

Maar vanmorgen liet Schlesinger zelf weten dat het wel degelijk de bedoeling was dat iedereen van zijn verweer op de hoogte werd gebracht: de Britten hadden hun gezichtsverlies en de diepe val van het pond door eigen hardnekkigheid over zich afgeroepen. Inmiddels hebben beide regeringen verklaard dat ze terugwillen naar normalisering van de betrekkingen.

Ook de boulevardpers draagt haar steentje bij. The Sun schreef vanmorgen dat er ook goede Duitsers zijn, getuige het feit dat het een Duitse krant was die de UEFA tipte over onrechtmatige opstelling van een speler in de voetbalwedstrijd Leeds United-Stuttgart. Leeds maakt daardoor kans op hernieuwd optreden in het Europese voetbal.

Misvatting 3: De misplaatste persoonlijke loyaliteit. Na ex-premier Thatcher is dit een nieuw fenomeen in de Britse politiek. Margaret Thatcher placht rigoureus de bijl te hanteren bij het geringste vermoeden van obstructie. John Major is uit ander hout gesneden. Hij behandelt zijn kabinet als een collectief met gezamenlijke verantwoordelijkheid. Als leider geeft hij iedere individuele minister absolute rugdekking. Frappant voorbeeld: zelfs toen de positie van David Mellor onhoudbaar was geworden door een buitenechtelijke relatie en het aannemen van 20.000 pond uit PLO-kring, weigerde Major nog zijn vriend te laten vallen.

Bij Major gaat persoonlijke loyaliteit boven politieke opportuniteit. Het riep de vraag op of die eigenschap zijn politiek beoordelingsvermogen niet te veel hinderde. Voor het vasthouden aan Norman Lamont geldt hetzelfde. Aan diens functioneren wordt al getwijfeld sinds ver vóór de verkiezingen. Na Zwarte Woensdag wordt Lamonts positie nu zelfs door de Financial Times onhoudbaar geacht. Hetzelfde patroon van persoonlijke loyaliteit en gekwetstheid als die niet wordt beantwoord, was in de crisis met Duitsland te zien. Major beschouwde Kohl als zijn belangrijkste bondgenoot in Europa en had van het begin af aan alle moeite gedaan om Kohls persoonlijke vriend te worden. In Majors optiek liet Helmut Kohl hem persoonlijk vallen.

    • Hieke Jippes