Wethouder bepleit meer bijverdiensten bij bijstand

DEN HAAG, 2 OKT. Mensen met een bijstandsuitkering moeten meer kunnen bijverdienen zonder dat ze daarvoor worden "gestraft' met een korting op hun uitkering. Dit zegt de Haagse wethouder van sociale zaken en werkgelegenheid C.V. Martini (PvdA). Hij vindt bovendien dat, “Als je praat over mensen met een minimuminkomen, je niet alleen naar hun inkomen moet kijken, maar ook naar het sociale isolement waar ze vaak in terecht komen, hun soms grote schulden en hun in verhouding hoge woon- en energielasten. Maar de enige echte oplossing is iedereen die kan werken weer aan een baan helpen.”

Het beeld van zijn stad bevestigt de resultaten van het onderzoek van Konsumenten Kontakt en van de vakcentrale FNV naar de koopkracht van mensen met een laag inkomen. Maar Martini is bang dat de uitkomst dat 20 tot 30 procent van de mensen met een minimuminkomen in financiële moeilijkheden verkeert, niemand meer schokt. Hij vreest dat de reactie eerder een bagatelliserende zal zijn, in de trant van “daar beginnen ze weer over tienden van procenten te zeuren”. Martini wijst erop dat dan vergeten wordt dat een paar procent voor iemand met een laag inkomen het verschil kan betekenen tussen wel of niet kopen van het broodnodige paar schoenen.

De gemeente Den Haag is aan het einde van de jaren tachtig afgestapt van een puur inkomensbeleid voor de minima. “We constateerden in 1988 dat één op de drie inwoners moest rondkomen van een inkomen of uitkering op minimumniveau. Dat zijn voor deze gemeente bijna 150.000 mensen. We zoeken nu naar wegen om mensen weer aan het werk te krijgen, want dat is de beste manier om te ontsnappen aan de armoede en het sociale isolement dat daar vaak het gevolg van is.” Door bijstandsambtenaren nauw te laten samenwerken met arbeidsbureaus en veel te doen aan scholing en werkprojecten, probeert Den Haag de mensen aan het werk te krijgen. Met de stedelijke kortingskaart, de ooievaarspas, wil de stad de laagste inkomens de mogelijkheid geven tegen gereduceerde kosten deel te nemen aan het maatschappelijke leven (sport, cultuur en recreatie).

Martini pleit voor een grotere marge bij mensen met bijstand om bij te mogen verdienen. Nu wordt bij iemand die honderd gulden bijverdient 75 gulden gekort op de uitkering. Wanneer er een vrije marge komt van twee- of driehonderd gulden per maand, krijgt hij de kans het beetje extra te verdienen dat hij nodig heeft. Maar volgens de wethouder voelt de landelijke overheid daar niet voor. “De minister zegt dat de controle veel te moeilijk is, maar die is nu al moeilijk. Het is een kwestie van willen. Je maakt zo ook een deel van het grijze circuit wit en dat scheelt weer in de regels en de handhaving. En de mensen die naast hun uitkering werken, kunnen functies vervullen die nodig zijn, maar nu onbezet blijven, wegens de kosten.”

“Het nationaal inkomensbeleid is als fictie fantastisch, maar de werkelijkheid moet anders worden geregeld”, aldus Martini. “De sociale diensten in de grote steden voelen de hitte van het veld en je merkt dat het Rijk vaak opereert van een te grote afstand. Het weet onvoldoende wat het voor een stad als Den Haag betekent om 36.000 alleenstaanden of gezinshoofden te hebben met een inkomen op minimumniveau.” Hij wijst ook op de grote problemen rond de uitvoering van de verhaalsplicht, waarbij het rijk pas na lang aandringen aan de gemeenten tegemoet kwam.

In 1990 bleek uit een Haags onderzoek dat 45 procent van de mensen niet op de hoogte is van de mogelijkheden voor financiële vergoedingen. Daarom richt de stad op een tiental punten advies- en informatiecentra in waar ambtenaren aanwezig zijn met een breed overzicht en die hulp op maat kunnen geven. Vier van zulke "civic information centers' bevinden zich al bij stadsdeelkantoren en kantoren van de sociale dienst. In foldertjes als informatiemedium gelooft Martini niet meer. En de krant is een van de dingen waar iemand met een minimum-inkomen het eerst op bezuinigd.

Positief aan het rapport over de koopkracht van mensen met een laag inkomen vindt Martini dat het duidelijk maakt “dat het zo niet langer kan” en dwingt om keuzen te maken. “Het systeem kan het niet blijven dragen als een groot aantal inwoners uit het sociale verband van je stad valt. Dat tast de fundamenten aan.”