Verdachtenbank

OP GEBIEDEN WAAR ze niet exclusief bevoegd is treedt de Gemeenschap slechts op wanneer de beoogde doelstellingen niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en daarom beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt.

Dit voornemen is overeenkomstig het beginsel van subsidiariteit. Wat hier staat is een samenvatting van het kernstuk van artikel 3 B van het Verdrag van Maastricht. En wie dit artikel moet uitvoeren, heeft een probleem, zoals elke lezer van deze regels kan vaststellen.

Niet ten onrechte zijn ambtenaren aan het werk gezet om dit artikel handen en voeten te geven, zij het dat die handen en voeten onder de gegeven omstandigheden niet tot onderdeel van het verdrag kunnen worden gemaakt. Het zal dus straks waarschijnlijk gaan om een protocollair vastgelegde werkafspraak. Inmiddels zijn de contouren daarvan bekend geworden. Lidstaten zouden de mogelijkheid moeten krijgen om de Raad van ministers om een oordeel te vragen zodra de Commissie een voorstel voor regelgeving bij de Raad heeft ingediend. Alvorens aan een inhoudelijke behandeling te beginnen stelt de Raad vast of het voorstel op grond van het beginsel van subsidiariteit al dan niet "ontvankelijk' moet worden verklaard.

Uitgaande van doelmatigheid kan er geen reden zijn om niet te beoordelen op welk niveau van overheidsactiviteit een vraagstuk moet worden aangepakt. Maar waar het bewuste verdragsartikel de beoordeling met zoveel woorden laat bij de Gemeenschap zelf, verleent de ambtelijke uitwerking ervan een enkele lidstaat de mogelijkheid het in het verdrag van Rome neergelegde initiatiefrecht van de Europese Commissie in een vroeg stadium te verlammen. Bovendien, het beginsel van subsidiariteit suggereert de heerschappij van een soort waardenvrije logica waar volgens deze uitwerking slechts willekeurige politieke beslissingen, eventueel zonder enige onderlinge samenhang, mogen worden verwacht.

TEN ONRECHTE wordt de indruk gewekt dat in Brussel een monster huist dat van zijn macht misbruik maakt om goede en gewaarmerkte nationale wetten, gewoonten en tradities de grond in te boren. Dat monster zou aan banden moeten worden gelegd. Maar de werkelijkheid is dat het beginsel van subsidiariteit sinds het ontstaan van de Gemeenschap al in zijn volle betekenis wordt toegepast. De Raden van ministers zijn namelijk niets anders dan ontmoetingspunten van de vertegenwoordigers van de lidstaten. Als het erom gaat of beleid "top-down' of "bottom-up' tot stand komt, geldt in de Gemeenschap beslist het laatste. Als de Commissie, vertegenwoordigster van de gemeenschappelijke, uitvoerende macht heeft toebedeeld gekregen, is dat gebeurd door een Raad van ministers.

Het beginsel van subsidiariteit dreigt nu in zijn praktische toepassing te gaan betekenen dat het nationaal gewenste geen uitleg en verdediging behoeft en het principe van Europese integratie bij voorbaat in de verdachtenbank moet plaatsnemen. In dat geval zou Europa daadwerkelijk de weg terug inslaan. De unanimiteitsregel zou immers verkapt kunnen terugkeren op gebieden waar de verdragen besluitvorming bij (gewogen) meerderheid voorschrijven. Als dat de bedoeling is, moet het hardop kunnen worden gezegd. Sprookjes over technomonsters mogen dan achterwege blijven.