Twee exposities over de Belgische avant-garde; In een hennehok slechts een haan

Twee exposities, in Antwerpen en in Brussel, geven een levendig beeld van de idealen en het elan van de Belgische avant-garde uit het begin van de eeuw. Aangevoerd door Paul van Ostayen van de "Heilige Kubistiese en Flamingantiese Kerk' manifesteerden de nieuwe kunstenaars zich in talloze stromingen en tijdschriften. “De meest essencieele wet is: een vlak animeeren zonder andere bedoeling dan de animatie zelve.”

Tentoonstelling Avant-Garde in België 1917-1929. T/m 6 dec. in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Leopold de Waelplein, Antwerpen en t/m 13 dec. in het Museum voor Moderne Kunst, Koningsplein 1-2, Brussel. Open dagelijks van 10-17 u, ma gesloten (en in Brussel op 1 en 11 nov.). Catalogus. Prijs: BF 980.

De Brusselse kring Doe Stil Voort en de Antwerpse Bond zonder gezegeld papier, beide opgericht in 1917, vormen het begin van een ware explosie van nieuwe kunstkringen en tijdschriften die na de Eerste Wereldoorlog in België losbarst. Een radicale vernieuwingsdrang, aangevuurd door nationalisme "gemengd met oorlogswalg', maakte zich meester van een groep jonge schilders, beeldhouwers, dichters en architecten. Het resultaat van deze koortsachtige activiteiten is te zien op de tentoonstelling Avant-Garde in België 1917-1929 die tegelijkertijd in Antwerpen en Brussel wordt gehouden.

In het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten wordt men in de eerste zaal van de tentoonstelling geconfronteerd met uiteenlopende stromingen en persoonlijkheden, zoals het futurisme (Jules Schmalzigaug), luminisme (Jan Cockx), expressionisme (Floris Jespers) en kubisme (Prosper De Troyer, Paul Joostens). Erg nieuw is dat omstreeks 1918 al niet meer. De kunstenaars zijn nog bezig zich het vooroorlogs modernistisch idioom eigen te maken. Joostens' portret van Asta Nielsen met pothoed (1917), geschilderd in kubistische kleuren, heeft ondanks de vaal groene tinten een felle uitstraling. Later droeg zijn vriend en stadgenoot Paul van Ostaijen een gedicht over deze Deense kinoster aan Joostens op (“zulke grote harem in dees ene ASTA/ niet Paul j?/ Ja Paul v O”).

Van Ostaijen was de gangmaker en theoreticus van de Bond zonder gezegeld papier, waar behalve Joostens ook Floris Jespers en zijn broer, de beeldhouwer Oscar, bij betrokken waren. Van Ostaijens plotselinge vertrek naar Berlijn in 1918 - om een gevangenisstraf wegens verstoring van een processie te ontlopen - betekende het einde van de bond.

Een andere belangrijke vernieuwer in het Antwerpse was Jozef Peeters. Als secretaris van de Kring Moderne Kunst organiseerde hij baanbrekende internationale tentoonstellingen en congressen. Zo deed Theo van Doesburg op een van zijn propagandatochten door Europa in 1920 Antwerpen aan om er een lezing over De Stijl te geven. Peeters was bovendien met Michel Seuphor redacteur van Het Overzicht. Toen dit blad in 1925 verdween, richtte hij met E. du Perron De Driehoek op.

Als schilder maakte Peeters een snelle ontwikkeling door van post-impressionisme tot geometrische abstractie. Zijn ideaal was de abstracte "gemeenschapskunst' - zuivere beelding, zonder literaire of symbolische inhoud. “De meest essencieele wet is: een vlak animeeren zonder andere bedoeling dan de animatie zelve.” Aldus Peeters in het Driehoek-Manifest voor de schilderkunst (1925).

Singernaaimasjien

Het "Geëmancipeerd kubisme' dat Van Ostaijen propageerde - zijn gevangenisstraf was hem kwijtgescholden en hij was in België teruggekeerd - vertoont veel overeenkomsten met Peeters' ideeën. Ook bij deze "constructieve richting in de nieuwe kunst' gaat het om de "innerlijke dynamiek' van het doek, zonder subjectieve, anekdotische of toevallige elementen. Toch komt het in 1925 tot een breuk tussen Peeters en Van Ostaijen, toen de laatste zijn vriend, de gematigde modernist Floris Jespers bij De Driehoek wilde betrekken. Peeters voelde daar niets voor en weigerde het Huldegedicht aan Singer af te drukken ("Singer/ Singer/ naaimasjien/ Hoort/ Hoort/ Floris Jespers heeft een Singernaaimasjien gekocht'). In een brief aan Peeters constateert Van Ostaijen dat hij in de redactie feitelijk niets te vertellen heeft: “Gij zijt de leider. In een hennehok slechts één haan. Dat is juist. De tweede haan stapt het af.” Uit deze brief klinkt teleurstelling, Van Ostaijens plannen voor een eigen blad, Sienjaal, had hij bij gebrek aan belangstelling moeten opgeven.

In een van de vitrines op de Antwerpse expositie ligt naast een abstracte aquarel van Van Ostaijen, maar die toeschrijving is omstreden, een ander merkwaardig document: de "bulla' waarmee de dichter, alias de Paus van Halensee, in 1920 de schilder Joostens verbande uit de "H. Kubistiese en Flamingantiese Kerk'. Joostens liet een heterogeen oeuvre na van wisselende kwaliteit. Terwijl hij als radicale vernieuwer collages, dadastische assemblages en abstract-geometrische constructies maakte, exposeerde hij tegelijkertijd op religieuze salons en tekende scabreuze prentjes. Hoer of madonna? Joostens' ambivalente houding tegenover vrouwen spreekt ook uit een kitscherig schilderij als De onschuldigen (1925), waarop drie "poezeloezen' zijn afgebeeld - kind-vrouwtjes met grote, vragende ogen. Overbodig te zeggen dat dit curieuze werk met avant-garde weinig meer te maken heeft.

De scheiding Antwerpen - Brussel heeft iets kunstmatigs. Er bestonden onderlinge contacten tussen de kunstenaars, ze publiceerden in elkaars tijdschriften en de meesten van hen namen in beide steden aan exposities deel. Zo is het werk van Brusselse schilders als René Magritte, Pierre-Louis Flouquet, Victor Sevranckx en Karel Maes die elkaar op de academie leerden kennen, in beide steden te vinden. Hetzelfde geldt voor de gebroeders Jespers, De Troyer, Peeters en Joostens.

De belangrijkste tegenhanger van Het Overzicht en De Driehoek was in Brussel 7 Arts. Oprichters van dit weekblad dat tussen 1922 en 1929 verscheen, waren de broers Pierre en Victor Bourgeois, Flouquet en Maes. 7 Arts streefde een nauwe samenwerking tussen de verschillende kunsten na. Kunst heeft een sociale functie en is “een "actieve' uitdrukking van de beschaving”, aldus het programma. De architect Victor Bourgeois benadrukte de parallellen tussen abstracte schilderkunst en moderne architectuur. Er is geen principieel verschil tussen de compositie van een façade of een abstract schilderij, beide gehoorzamen aan dezelfde wetmatigheden.

Interieurs

In Brussel is een verrassend mooie zaal gewijd aan de architectuur en toegepaste kunsten. Hier zijn onder andere ontwerptekeningen, een maquette en foto's te zien van de Cité moderne die Bourgeois in 1925 te Sint-Agatha-Berchem voltooide, ontwerpen voor appartementsgebouwen en interieurs van L.-H. de Koninck en decors en kostuums van Marcel-Louis Baugniet voor zijn vrouw, de danseres Akarova. De Antwerpse initiatieven op het gebied van de toegepaste kunsten wierpen niet zo veel vruchten af. Hier is geen aparte afdeling, de ontwerpen voor affiches, meubelen, textiel en interieurs van Peeters hangen min of meer verspreid door de tentoonstelling.

Levendig

De catalogus bij de tentoonstelling Avant-Garde in België biedt veel informatie over de achtergronden en doelstellingen van de verschillende (splinter)groepen en tijdschriften (meer dan dertig) die in de periode 1917-1929 soms maar korte tijd bestonden. Maar ook zonder die informatie geeft de tentoonstelling een levendig beeld van de bevlogen idealen en het elan van de Belgische avant-garde, al is niet elk abstract schilderijtje of lino even interessant of van hoge kwaliteit.

De belangstelling van het publiek voor dit soort kunst was in de jaren twintig niet groot. Paul van Ostaijen overleed in 1928, vrijwel onbekend, op 32-jarige leeftijd aan tuberculose. De meeste kunstenaars stopten, noodgedwongen of vrijwillig, met de abstracte schilderkunst. Zij gingen weer traditioneel-figuratief schilderen of zich met toegepaste kunsten bezighouden. Pas aan het eind van de jaren vijftig, toen de belangstelling voor deze periode opleefde, pakten een opvallend groot aantal van hen, Baugniet, Marthe Donas, Joostens, Maes, Peeters, Sevranckx de oude draad weer op.

Dit wil niet zeggen dat de tentoonstelling, die de periode tot 1929 bestrijkt, als een nachtkaars uitgaat. Integendeel. Magritte en E.L.T. Mesens zorgen met de oprichting, in 1927, van de Belgische surrealistische beweging voor nieuwe perspectieven. Met de schilderijen en tekeningen van Magritte uit 1926-28 en de foto's van Mesens eindigt de tentoonstelling in Brussel in majeur.