Opinie

    • Youp van ’t Hek

Supporters

Afgelopen winter was ik toch in Albertville en daarom heb ik Bart Veldkamp zijn gouden plak op de tien kilometer zien halen. Tussen de gouden rit van Bart en de Ceremonie Protocollair zat een uurtje of zes en heb ik heel rustig naar het Nederlandse supporterslegioen kunnen kijken. Mijn bek viel open.

Een Nederlands vlaggetje op de wangen getekend, een oranje pruik, klompen in die kleur, zelf gebreide truien met heel veel rood, wit en blauw, enzovoort, enzovoort. Steeds zag ik de huisvlijt. Zij breit onder Henny Huismans Surprise Show aan haar supportersgeluk en hij gaat, zo gauw het te moeilijke NOS Laat begint, naar het schuurtje om zijn klompen een laatste laagje te geven. Het meest indrukwekkend waren de teksten. De losflodderige grapjes, de liedjes en de te scanderen originaliteit als “wat zijn die Noren stil”. In één klap snapte ik de humor van Harrie Vermeegen, de kijkcijfers van Prijzenslag en het succes van Hans van der Togt.

Een jongen op de F-side die zich elke zondag in het roodwit van zijn club harnast snap ik gezien zijn leeftijd, maar op het moment dat mensen van boven de veertig zich ontpoppen als supporter krijgt het altijd iets zieligs. Afgelopen zaterdagmiddag kwam ik op het station van Ede drie provincie-Ajacieden tegen. Zij waren klaar voor de wedstrijd tegen Roda. Twee waren een jaar of 14 en de derde was de dertig ruim gepasseerd. Dat had zoiets hartverscheurends. Toen ik dichterbij kwam zag ik dat hij niet helemaal goed was. Aan deze types verhuur ik graag de ruime kamers van mijn hart en ik dacht onmiddellijk aan de bejaarde ouders die hem zo graag gelukkig zien en hoe krijg je hem blijer dan in zijn supporterspak van Ajax? Dat gaat al jaren zo. Je zou zijn kamer eens moeten zien.

In Albertville zat er geen jeugd tussen en heb ik het IQ verder niet getest. De meesten gaven binnen drie minuten en een aardige sloot drank een behoorlijke indruk van hun geestelijk leven. Oudere supporters zijn altijd zo zielig en ik vind dat zij eigenlijk verboden moeten worden in verband met de volksgezondheid. Je loopt met je kinderen op straat en opeens sta je bij de tramhalte met een oranje echtpaar dat onderweg is naar een wedstrijd van een van onze nationale teams. Die kinderen zijn bang dat dat moet als je later groot bent. Een tribune vol treurnis heeft nog iets, maar twee verwaaiden bij de halte van lijn 4 op een stille zondagmiddag op het Amsterdamse Frederiksplein is pure poëzie. Ik denk dat de directie van de Tour de France een heel eind met mij mee kan gaan en al jaren heeft gekeken naar de aankomst op de Alpe d'Huez. In Albertville zag ik er 300, maar op die Alpe heb je er een paar honderdduizend. Gehuld in de onvermijdelijke campingsmoking, opgewonden door de hitte en elkaar opfokkend in lolligheid bestijgen zij bij zonsopgang de berg, krijten de namen van de favorieten (en in de ergste gevallen hun eigen namen) op het wegdek en weten dat zij op de terugweg uren in de oranje file mogen. Geeft niks, het is feest en we hebben toch vakantie. De campers ploegen door de Alpenwijkjes, water gooiende korte broeken laten de coureurs doodsangsten uitstaan en het dronken legioen watert tegen alle bomen, puien, hekken en stallen. Buiten de honderdduizenden supporters gaan er namelijk ook nog even zoveel fricadellen, broodjes bal, blikjes bier en flessen jenever mee naar boven. En dat moet allemaal het dal in geürineerd worden. Volgend jaar gaat het feest niet door en ik denk dat heel veel modaal Nederland het bericht vloekend heeft gelezen. De vakantie was er al op afgestemd, de camping was al geboekt en Henk en Annie zouden dit jaar ook meegaan. Lachen joh. Vijfhonderdduizend landgenoten op een berghelling. Als dat geen lachen is, dan weet ik het niet meer. En ik denk ook dat zij in dat kleine dorpje heel diep zuchten en dat er vanavond een heel groot feest gegeven wordt.

    • Youp van ’t Hek