Sprokkelen voor industriebeleid

"De nijverheidstraditie van het departement was na het afsluiten van de reeks industrialisatienota's en met het vertrek van Winsemius sr. goeddeels verdwenen', schreef dr. J.E. Andriessen in 1987 in de bundel "Lessen uit het verleden' over zijn impressies tijdens zijn eerste ministerschap (1963-1965) op Economische Zaken. Na een intermezzo van bijna een kwart eeuw probeert hij het industriebeleid nu nieuw leven in te blazen.

Geen beleid zonder gedegen analyse. Dus maakte de oud-hoogleraar economie direct na zijn hernieuwde aantreden op het departement een sterkte/zwakte-analyse van de Nederlandse industrie. Dat leidde tot de beleidsnota "Economie met open grenzen' (1990). Die nota was een gedegen analyse, geen beleid, constateerden critici. Over de "Vervolgrapportage' die Andriessen in mei naar de Tweede Kamer stuurde werd een zelfde oordeel geveld.

Andriessen weet dat hij niet genoeg financiële middelen tot zijn beschikking heeft om een industriebeleid te voeren dat zich kan meten met Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland. Onder de politiek leiding van Andriessen en de ambtelijke leiding van secretaris-generaal mr. L.A. Geelhoed transformeert Economische Zaken in de richting van "het ministerie voor de markteconomie'. Het scheppen van een gunstig industrieel klimaat is het EZ-credo. Kernwoorden daarin zijn: onderwijs, infrastructuur, fiscaal klimaat.

Die thema's zijn bekend van de eerste industrialisatienota (1949). De toenmalige minister van economische zaken, J.R.M. van den Brink, schreef: "Om de toenemende concurrentie het hoofd te bieden, moet de overheid naast liberalisatie op het economische vlak zich sterk maken voor de industrie.'

In de jongste Troonrede zei koningin Beatrix dat “voor een sterk Nederland en het behoud van onze welvaart” industriële activiteiten van vitaal belang zijn. Het “industriële draagvlak” moet worden versterkt.

“Het zijn maar drie zinnen”, roept het PvdA-kamerlid H. Vos euforisch in het VNO-blad Onderneming, “maar de betekenis daarvan moet je niet onderschatten.” Het is voor het eerst in veertien jaar dat het onderwerp in de Troonrede wordt genoemd. “Je kunt eruit aflezen dat industriebeleid niet meer de hobby is van één minister, maar dat het kabinetsbeleid wordt.”

Andriessen heeft wat dat betreft de wind mee. Zijn eerdere pogingen om het industriebeleid op de prioriteitenlijst van het kabinet Lubbers-Kok te krijgen, bleken een gevecht tegen de bierkaai. Totdat het slecht ging met de Nederlandse industrie. Volvo Car werd "uitgeleverd' aan de Japanners. Het industriële kroonjuweel Fokker staat op de nominatie te worden overgenomen door de Duitse vliegtuigbouwer Dasa. Daf, Philips en Hoogovens zitten in de problemen. Opeens heeft iedereen een mening over industriebeleid. Vakbondsbestuurders, werkgevers en Kamerleden buitelen over elkaar heen met suggesties.

Andriessen zelf is wars van modieuze oprispingen; hij opereert liever achter de schermen. Op dit moment sprokkelt de CDA-minister bij banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen geld bij elkaar. Hij hoopt de Kamer begin november, bij de behandeling van zijn begroting, uitsluitsel te kunnen geven van zijn missie. Het doorgaans goed geïnformeerde Kamerlid Vos - “ik heb begrepen dat nergens de deur voor de minister is dichtgeslagen” - lichtte deze week een tipje van de sluier op. Hij vertelde dat het kabinet volgend jaar 200 miljoen gulden op de begroting moet vrijmaken voor een offensief industriebeleid. Als de overheid een deel van de risico's voor haar rekening neemt door garantstellingen, zouden de geldschieters wel met ongeveer 800 miljoen gulden over de brug komen. In totaal is dat één miljard gulden extra voor versterking van de industrie.

Of dat voldoende is voor effectief industriebeleid laat zich raden. De eerste industrialisatiefase (1949-1952), onder leiding van Andriessens grote voorganger Van den Brink, werd een groot succes door de bijna drie miljard gulden die Nederland ontving via de Marshall-hulp. In prijzen van 1992 was dat ruim tachtig miljard gulden.