Slakken

U weet wel: zo'n zachte, regenachtige avond, vooral na een periode van droogte. Je doet een brief op de bus. Je loopt terug door de achtertuin, aardedonker. En opeens: krak! Het klinkt als een pindadop, het is een huisjesslak.

Kapotte huisjesslakken zijn zeldzaam vies om mee te maken. Je weet ook nooit of er nog iets leeft in die derrie, of er niet een ziel op togen ligt.

Vandaar de gewoonte huisjesslakken van stoeptegels op te rapen en weg te zetten. Niet om een beter mens te zijn, bewaar me zeg, maar omdat zelfs de mogelijkheid van een kapotte huisjesslak me al tegenstaat.

Nu het volgende. We hebben de reinigingsdienst besteld om grof vuil op te halen. We zetten de rommel aan de stoep, tot besluit ook een vlondertje dat een tijdlang duister tegen de schuur heeft gestaan. Het blijkt bezaaid met huisjesslakken, bijna aanstootgevend in hun passiviteit.

Ik naar binnen, naar boven. Ik ga achter mijn schrijfmachine zitten, steek een sigaar op en denk aan die huisjesslakken. Als je een stukje over ze schreef, denk ik, zou je dan eerlijk zeggen dat je ze met de vuilnisman hebt meegegeven?

Ik weer naar beneden, naar buiten.

Zo zijn er nu elf huisjesslakken wier leven, hoe we ons dat ook moeten voorstellen, is gered door deze rubriek.