Première van choreografie Diachrome van Paula Vink; Dans als zomerse avondlucht

Sinds 1985 danst Paula Vink bij het Scapino Ballet Rotterdam. Daar bleek in de workshops haar aanleg voor de choreografie. Zij maakt nu haar tweede grote dansstuk voor het gezelschap. De première van Diachrome is vanavond in de Haarlemse Stadsschouwburg.

ROTTERDAM, 2 OKT. Het nieuwe ballet van de choreografe Paula Vink heet Diachrome. Zij omschrijft het werk als "een serie dia's in een bepaalde regelmaat" of "een abstract schilderij waarin kleur en compositie centraal staan". Voordat Vink de studio induikt, bedenkt zij eerst een raamwerk waarin scènes en lijnen al vastliggen. De beweging zelf is niet haar eerste inspiratie. Die wordt gevoed door andere indrukken. Voor Diachrome was dat de zomerse avondlucht boven Amsterdam. Vink schildert de situatie: "Fietsend over de grachten zie je intens groene bomen, een diep blauwe hemel met het rood van de ondergaande zon. Dit beeld liet mij niet meer los."

De 28-jarige danseres voelt zichzelf geen choreografe pur sang. Bij toeval ging het die kant op, toen Nils Christe bij Scapino de workshop nieuw leven wilde inblazen. Hij vroeg Paula Vink iets te maken. Het resultaat: een geslaagd debuut met De Profundis (1989). Toch kleeft er volgens Vink een bezwaar aan die workshop: “De frequentie is te laag. Met slechts één choreografie per jaar krijg je geen ervaring. Het ambachtelijk aspekt is ook in de kunst belangrijk.” Inmiddels kreeg zij de aanmoedigingsprijs op het 2de Internationale Choreografie Concours in Groningen (1989) en van de Stichting Dansersfonds '79 (1990).

Meestal ontwerpt Vink ook de kostuums en het decor bij haar dansstukken. Voor het decor en de belichting van Diachrome is echter John Otto aangetrokken. De Nieuw-Zeelandse ontwerper werkt hier regelmatig bij groepen als het Zuidelijk Toneel (Alice Alice, 1990) of Het Nationale Ballet. Daar had hij onlangs veel succes met zijn toneelbeeld voor Krzysztof Pastors Shostakovich Chamber Symphony.

De kostuums zijn in handen gebleven van Paula Vink. Zij zijn gebaseerd op de Elisabethaanse stijl uit de zestiende eeuw, maar worden uitgevoerd in hedendaagse, metaal-glanzende stoffen. Vink wil oud en nieuw combineren, want de essentie van Diachrome is de historie. De kringloop. Zo is op het ogenblik de barokmuziek weer populair. Daarom gebruikt zij heel bewust composities van Henry Purcell naast die van Einsturzende Neubauten. Die groep maakt volgens haar "gevaarlijke punk-muziek. Krachtig, en heel Duits.'

Vink associeert Barok met introversie, een afgebakende ruimte, een staatsieportret. Zij legt geen verband met de historische barokdans. Het bewegingsmateriaal is eigentijds, extrovert. Ook hier is voor de duidelijkheid een tegenstelling aangebracht. “Ik blijf deze keer heel dicht bij mijn eigen manier van dansen”, onthult zij, “dat heb ik tot nu toe nog niet eerder gedaan.”

Het liefst zou Vink associatieve stukken maken, zonder te vervallen in vage symboliek. “Daarin bewonder ik de schrijfster Virginia Woolf,” verklaart zij. “Die springt in haar boeken van de hak op de tak, maar toch blijven haar bedoelingen duidelijk. Mijn stukken zijn vrij serieus. Voor mij lacht het publiek meestal op bizarre momenten. Vroeger schrok ik daarvan. Achteraf denk ik, dat ik het onbewust nastreef. Het betekent dat er ruimte in zit.”

Intensief volgt zij de ontwikkelingen bij de andere kunsten. Op het ogenblik heeft zij een voorkeur voor groot gemonteerde voorstellingen, als de opera. Voor de werking van het decor zag zij Don Giovanni (ontwerp Götz Loepelmann) en de piramide van Wilfried Werz (Die Frau ohne Schatten). Mooi vond zij Pierre Audi's regies van Il ritorno d'Ulisse in patria (Claudio Monteverdi) en Neither (Morton Feldman) met de wand van Jannis Kounellis. De Griek noemt zij "een theatrale kunstenaar'. En ze put ook inspiratie uit Robert Wilson's The Black Rider, William Forsythe's drieluik Limb's Theorem, de dansdelen uit de produkties van Jan Fabre en de films Edward II van Derek Jarman en Ran van de Japanner Akira Kurosawa.

Vink: “Ik richt mij sterk op de vormgeving. Bij Scapino vind ik geld, ruimte en dansers die ik door en door ken. Maar ik zit in een overgangstijd en moet mij bezinnen op de toekomst. Ik merk, dat ik het steeds leuker ga vinden om dansstukken te maken dan om ze uit te voeren. Na de workshop-produktie Hades hunting for heads (1991) heb ik mijzelf ernstig toegesproken. Ik was te druk bezig met beelden en dacht dat dit voldoende zou zijn. Dat is nu afgelopen. Voortaan zorg ik dat ook de dans interessant is."