Onvoorstelbaar hoe argeloos; Onevenwichtige biografie van Angele Manteau

Greta Seghers: Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau. Uitg. Prometheus, 296 blz. Prijs ƒ 39,90.

Wat is er waar van de geruchten dat Angèle Manteau begin jaren vijftig heeft geweigerd poëzie van de prille Hugo Claus uit te geven? Wat vond ze van Heinrich Böll die ze een paar keer ontmoette? Was haar huwelijk een mariage de raison? En waarom verzweeg ze dat ze acht jaar met een vroegere medewerker onder één dak heeft gewoond?

Rare vragen die men niet zou verwachten aan het eind van een biografie van bijna driehonderd pagina's - eerder aan het begin, als opmaat naar de antwoorden. En toch staan ze daar, al die machteloze vraagtekens. Er is dan ook iets wonderlijks aan de hand met Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau, het lang verwachte boek over de vrouw die eigenhandig en onafhankelijk een literaire uitgeverij opzette in een tijd dat zulks in het in politieke en religieuze compartimenten verdeelde Vlaanderen nog onmogelijk werd geacht. Greta Seghers, de schrijfster, laat de lezer eenvoudigweg met die vragen zitten omdat ze er het antwoord niet op weet. Ze had ze nog willen voorleggen aan mevrouw Manteau, die haar immers had gevraagd om de biografie te schrijven, maar na een reeks harmonieus verlopen interview-sessies ("Angèle Manteau is net als ik dol op schoenen') kwam het tot een conflict. Biografe en hoofdpersoon konden het niet eens worden over de vraag wie nu eigenlijk de baas van het boek was.

"Meer en meer raakte ik ervan overtuigd dat Angèle Manteau bezig was haar biografie te regisseren, dat ze sprak over een "biografie', terwijl ze in feite een "hagiografie' bedoelde,' schrijft Greta Seghers. In een interview in Humo kaatst de nu 81-jarige mevrouw Manteau terug dat haar in de eerste hoofdstukken woorden in de mond waren gelegd, en dat er onenigheid bestond over het opnemen van brieffragmenten van anderen. Bijvoorbeeld van haar ex-redacteur Jeroen Brouwers, die de uitgeefster in zijn beruchte Zachtjes knetteren de Vlaamse letteren beschuldigde van gekonkel, gekuip en machtsmisbruik. Brouwers, geen objectief recensent dus, heeft het boek intussen in het Vlaamse dagblad De Morgen "in meerdere opzichten een lor' genoemd. Dat is grof geschut, maar ik kan het er moeilijk mee oneens zijn.

Ondanks de latere brouille heeft Greta Seghers besloten het reeds geschreven, onaffe gedeelte van het boek intact te laten. Het staat in de eerste persoon enkelvoud; het is kennelijk Angèle Manteau die hier haar verhaal vertelt. Pas in het laatste hoofdstuk (van 1971 tot heden) duikt opeens Greta Seghers op met haar kritische vragen. Onverhoeds zet ze de lezer op het verkeerde been door twijfel te zaaien omtrent de juistheid van al het voorafgaande en door te wijzen op "hiaten in het verhaal van de uitgeefster' - zonder precies te vertellen wat die hiaten dan wel zijn. Het gevolg is een boek dat zijn eigen geloofwaardigheid ondergraaft. Of, zoals Jeroen Brouwers het vorige week formuleerde: "Wie van beiden is nu aansprakelijk voor de inhoud, de authenticiteit, de waarheid van het vertelde? Waar (-) de feiten aantoonbaar geweld wordt aangedaan, zal Angèle uiteraard beweren dat zij daar niet verantwoordelijk voor is daar zij in het boek slechts wordt opgevoerd als ik-zeggend "personage', terwijl Greta zal volhouden dat het haar allemaal zo door haar onderwerp is voorgespiegeld.'

In de eerste hoofdstukken, die nog weinig reden tot argwaan geven, verrijst een wilskrachtige jonge vrouw uit Dinant, met zakelijke flair en een grote liefde voor een taal. Ze behoorde, zoals een van haar auteurs later schreef, "tot een culturele, burgerlijke elite, gecultiveerd, verfijnd, een dame'. Op haar twintigste reisde ze naar Brussel om chemie te studeren en werd daar als au pair opgenomen in het huisgezin van Jan Greshoff. Gaandeweg werd de studie verdrongen door haar fascinatie met het literaire leven. Ze kreeg een baantje als secretaresse bij uitgever Alexander Stols en nam in 1932 ("onvoorstelbaar hoe argeloos') diens importboekhandel over. Spoedig groeide daaruit de uitgeverij, die haar raison de vivre werd. Niet ideologisch gebonden, omdat ze dat zelf ook niet was, en al gauw een gastvrij huis voor nieuw talent.

Hetze

Volgens dit verhaal boekte Angèle Manteau haar eerste grote uitgeefsuccessen tijdens de Duitse bezetting. Zo bezien was het nazi-regime in Vlaanderen heel wat soepeler dan in Nederland, hoewel ik wel iets meer had willen weten van de concessies die niettemin noodzakelijk waren om in die tijd uitgever te blijven. Ik kan me bijna niet voorstellen dat het zó van een leien dakje ging als hier wordt gesuggereerd. De uitgeefster zegt dat ze meer te stellen heeft gehad met de katholieke hetze tegen een auteur als Louis-Paul Boon ("gevaarlijke geestesgesteldheid') dan met de Duitsers. Over haar belangrijkste naoorlogse probleem - de aantrekkingskracht die Nederlandse uitgevers uitoefenden op Vlaamse schrijvers - spreekt ze zonder veel rancunes: niet boos, wel verdrietig.

Greta Seghers heeft dat ik-verhaal in vlakke, onpersoonlijke zinnen genoteerd. De zelfspot en het relativeringsvermogen waarmee de uitgeefster vaak is geassocieerd, blijven verborgen. Als een onopmerkelijk kabbelend beekje trekt het proza aan de lezer voorbij, met fletse karakteristiekjes van grote kunstenaars die mevrouw Manteau heeft ontmoet, kennelijk aan lexicons ontleende biografietjes en hier en daar formeel geformuleerde zinsneden als: "Persoonlijk beleefde ik al met al creatieve, boeiende jaren.' Voortdurend wilde ik tijdens het lezen de schrijfster wakker porren om te informeren naar het waarom en het hoe. Piepklein voorbeeldje: "Als je de weg kende, kon je na de bevrijding blikjes oploskoffie bemachtigen via de Amerikaanse of Canadese soldaten' - einde mededeling. Welke weg, mevrouw Manteau? Hoe ging dat dan, mevrouw Seghers?

Bij zoveel spanningsloos discours groeit onvermijdelijk het verlangen naar een smeuïge en onvervalst rancuneuze cronique scandaleuse. Wat heeft de uitgeefster bijvoorbeeld te zeggen op de onstuimige aanvallen van Jeroen Brouwers? Niet veel. Ze suggereert alleen even dat Brouwers het idee voor De laatste deur, zijn bundel over schrijverszelfmoorden, niet van zichzelf heeft, maar het is een halfhartige beschuldiging die zonder veel overtuigingskracht in de lucht blijft hangen. Aan zijn beschuldigingen gaat Angèle Manteau (of Greta Seghers) zedig voorbij. Er wordt wel over een polemiek gesproken, maar niet over de inhoud daarvan.

Het slothoofdstuk blinkt evenmin uit in helderheid. Hier had de schrijfster dus het rijk alleen, maar dat maakte haar niet tot een neutraal onderzoekster. Ze raakt verstrikt in allerlei gekonkel over de conflictueuze sfeer waarin mevrouw Manteau afscheid moest nemen van de uitgeverswereld, en het resultaat is een onoverzichtelijke warboel in plaats van een uitgewogen conclusie. Onmachtig spartelt Greta Seghers nog wat na, omdat ze niet wil toegeven wat de lezer op dat moment allang heeft begrepen: dat haar boek mislukt is.