Ongelijk

Er was een kind in Sloterdijk,

En dat had altijd ongelijk.

Wat of dat arme kind ook zei,

Of het nu boos keek of juist blij,

Wat dat kind ook deed of liet,

Gelijk kreeg het nu eenmaal niet.

En zweeg het, daar in Sloterdijk,

Ook dan nog had het ongelijk.

Op een morgen zei dat kind:

Er waait voor mij een slechte wind,

Hoe of ik het ook bekijk,

Altijd heb ik ongelijk.

Als ik het eens zo probeerde:

Ik zeg voortaan het omgekeerde,

'k zeg nee als ik ja bedoel,

Ook als ik het niet zo voel.

Is het warm dan zeg ik koud,

Is het jong dan zeg ik oud,

Is het goed dan zeg ik kwaad,

Is het liefde zeg ik haat;

Is het zacht dan zeg ik hard,

Is het wit dan zeg ik zwart,

Is het rood dan zeg ik groen, -

Kijken wat ze dan gaan doen.

Maar 't was weer het oude lied:

"Nee, gelijk dat heb je niet.

Geef nou eens van deemoed blijk,

Zeg nou: ik heb ongelijk.

We doen het niet om je te pesten,

We willen steeds voor jou het beste.

Heus, het doet ons ook verdriet,

Maar gelijk, dat heb je niet.'