Laat mij 1.80 meter lang worden

De Chinese dichter Duoduo brengt een bezoek aan Antwerpen en is geschokt door het pessimisme van de jongeren, die daar toch weinig redenen voor hebben: ze hebben nooit oorlog of honger gekend, zijn geen slachtoffer van ideologische controle, zijn onafhankelijk en vrij en kunnen met een creditcard de wereld rond.

's Ochtends na het opstaan ging ik met een kop thee aan tafel zitten, om te schrijven. Over straat schalde keiharde rockmuziek; een blik naar buiten leerde dat de herrie afkomstig was uit een auto, waaraan een jongen stond te sleutelen. Het hield maar niet op. Ook toen ik het raam sloot en de gordijnen dicht deed, hielp dat niet. Zo zat ik daar de hele ochtend, dit alles ondergaand en peinzend: dat ik rockmuziek herrie vind is niet anders dan dat sommige jongeren klassieke muziek herrie vinden: niks nieuws. Een regel van de Griekse dichter Elytis kwam in me op: hier is mijn leven nu aangeland.

Er zat niets anders op dan naar het park te gaan, op zoek naar rust.

Hier is mijn leven nu aangeland: ik heb nog steeds een kindergezicht, maar zelfs toen ik hem mijn grijze haren toonde stond de Amerikaanse kroegbaas erop mijn paspoort te zien. Hij schudde het hoofd: “Je moet bewijzen dat je boven de achttien bent.” Achttien!

Die dagen zijn ver heen, maar de dingen van twintig jaar geleden lijken nog steeds pas gisteren gebeurd te zijn. Toen ik achttien was had ik een vriend van dezelfde leeftijd die Baby genoemd werd, omdat iedereen zijn gezicht zo lief vond en zijn ogen van een uitzonderlijke helderheid waren. Later liep hij met het een of andere plannetje rond - hoe hij eraan kwam was onduidelijk - en een aantal van mijn vrienden maakte mee hoe hij, als iemand hem op de fiets tegenkwam, in antwoord op de begroeting luidkeels “Tot ziens!” riep en onmiddellijk maakte dat hij wegkwam. Zijn nieuwverworven wijsheid heette echt iets "van de voorhoede' te zijn, en inderdaad wist Baby met zijn plannetje al heel vroeg naar New York te vertrekken, een fortuin te verdienen, eigenaar van meer dan honderd appartementen en yuppie te worden. Hij had de trein gehaald - de trein van de tijd.

Als je het mij vraagt, horen in die trein slechts jonge mensen thuis. Wie zich oud voelt is op zijn bestemming aangekomen en moet uitstappen.

Kort geleden nam ook ik de trein: op de dag na mijn eenenveertigste verjaardag, van Leiden naar Antwerpen, waar het Belgische tijdschrift Wereldwijd een culturele bijeenkomst hield en ik deel zou nemen aan een podiumgesprek. Ik werd vergezeld door een jonge Nederlandse vriend, door de natuur bedacht met een uitzonderlijke lichaamslengte, die voor zijn eindexamen middelbare school een record-score op zijn naam heeft staan. Onderweg hadden we het, van Sarajevo tot Somalië, over recente zaken van belang: natuurlijk, uiterst zorgwekkend, maar zijn woordkeus was wel heel pessimistisch. Hij vertelde dat hij een Duitse vriend had die net zo pessimistisch was, en voor wiens vrienden in Duitsland hetzelfde gold. Waarom?

Een voorbeeld: in het voormalige Oost-Duitsland zit een Indonesiër in de trein. Er stapt een skinhead in, die naast hem gaat zitten en hem om een sigaret vraagt. Al rokende haalt de skinhead een pistool te voorschijn en richt dat op het hoofd van de gulle gever, haalt de veiligheidspal een paar keer heen en weer, richt nu eens op zijn ogen, dan weer op zijn mond en wisselt in zijn oor gebrulde scheldkanonnades af met schaterend gemaakte grappen ten koste van zijn slachtoffer. Zo vermaakt hij zich een half uur lang, om vervolgens de benen te nemen. De medepassagiers in de wagon hebben het voor hun ogen zien gebeuren, maar kijken uit het raam naar het prachtige landschap.

Mijn Nederlandse vriend ging voort de reikwijdte van het woord pessimisme te vergroten. Een voorbeeld: kort geleden spraken in Frankfurt Susan Sontag en Joseph Brodsky; er was veertig man publiek. Zo'n grote stad - maar waar was de jeugd? Zeker geld aan het verdienen. De jonge intelligentsia is depressief, krachteloos, koestert geen illusies meer: de mens is op een trein geladen, maar niemand kan meer bij de remmen. Dan maar recht vooruit. Ten slotte betrok hij zijn pessimisme ook nog op zichzelf: hij deed maar wat. Hij deed maar wat, en verder was zijn bestaan volstrekt zinloos.

Racisme

We waren in Antwerpen. (Het was de tweede keer dat ik daar kwam; de eerste keer was geweest ten tijde van een aantal racistische incidenten en demonstraties tegen racisme. Ik had die keer op zeker moment de weg gevraagd, waarop een man van middelbare leeftijd me zonder omhaal van woorden met zijn auto had afgezet bij het Museum voor Moderne Kunst waar ik heen wilde. Ik herinner me wat een Belgische dichter tegen me zei: racisme betekent het ontbreken van beschaving.) Het podiumgesprek begon. Een man die zijn drie zoons had meegenomen stelde een vraag. De afgelopen tijd hadden Antwerpse middelbare scholen onderzoek gedaan naar wat men van de toekomst van deze wereld dacht, en de antwoorden van verreweg de meeste jonge mensen waren uiterst pessimistisch geweest. Mag ik vragen, Duoduo, deel jij in dat pessimisme? Ik antwoordde: of ik pessimistisch ben is voor de wereld niet van belang, maar het pessimisme van die kinderen verdient alle aandacht.

Eerlijk gezegd ben ik inmiddels op een leeftijd die dichter bij de ouderdom staat dan bij de jeugd. De vitaliteit, het misbaar, de geldingsdrang, de arrogantie van de jeugd, het zijn dingen die me stuk voor stuk het gevoel geven dat het verstandig zou zijn bijtijds uit de trein te stappen. Natuurlijk heb ik me nauwelijks echt in hun gedrag en hun gedachten verdiept, en dus ging ik ervan uit dat ze altijd vrolijk zijn, als de ochtendzon om een uur of zeven, acht (zoals Mao Zedong het ooit formuleerde). Daarom was ik geschokt door het wijdverbreide - misschien is dat te veel gezegd - pessimisme van de jonge mensen. Voor mij geldt dat ik in mijn jeugd de zienswijze van een groot dichter uit het westen ter harte heb genomen: al vergaat morgen de wereld, dan nog moeten we vandaag appelbomen planten. En voor mijn ogen verschijnt een reeks jonge gezichten:

Het eerste ben ik zelf. Tijdens de van klassenhaat doortrokken, grote revolutie ontstond mijn diepste pessimisme naar aanleiding van het feit dat ik vroegtijdig dik werd en nooit een lange vent zou worden. Een van mijn vrienden was nog kleiner, had nog meer verdriet: hij zwoer plechtig zijn beide oren af te zullen snijden - als hij met Gods hulp één meter tachtig zou mogen worden. Het tweede is dat van een klasgenoot aan de Engelse school in Londen, een eenentwintigjarige jongeling uit Beiroet die me vertelde dat hij tussen zijn twaalfde en zijn twintigste met alle mogelijke vuurwapens gespeeld had. Gespeeld, maar dan wel met echte exemplaren, en of ik hem wel geloofde? Hij hield zijn leren jack open: minstens drie schotwonden, en zei dat hij genoeg had van dat spelletje. En in Toronto heb ik een jochie van twaalf ontmoet, dat dag in dag uit opgesloten in zijn kamer computerspelletjes zat te doen, vijf, zes uur achter elkaar, en als hij naar buiten kwam iedere bezoeker als een vijand leek te zien. Wanneer zijn vader (een Chinees) hem het een of ander vroeg te doen, ontstak hij in een razernij die de bezoekers zonder uitzondering de deur uit joeg. Maar waar kwam die woede vandaan?

Werkelijk, ik begrijp niets meer van de jonge mensen in het westen. Ze hebben nooit oorlog of honger gekend, zijn geen slachtoffer van ideologische controle, zijn onafhankelijk en vrij, kunnen met een creditcard de wereld rond; behalve een klein ongemak als de noodzaak van veilig vrijen kan ik me de bron van hun onvrede niet voorstellen. Uiteraard krijg ik het bekende antwoord: omdat we alles kunnen doen, weten we niet wat we moeten doen. Ik ben ook hele vreemde jonge mensen tegengekomen: een Nederlander, bijvoorbeeld, die achter elkaar zestien flesjes bier leegdronk en vervolgens twee weken lang met niemand praatte. Bij de ingang van een Leidse kerk las ik ooit de briefjes die daar hingen, en dacht dat de westerse jeugd - vergeleken met de kinderen in Sarajevo, met hun speelgoedpistolen - misschien haar eigen, andere oorlogsspelletjes speelt. Op die briefjes stond: "Bescherm mijn kind, laat hem afkicken' en "Heer, mijn arme Paul zal uw wil gehoorzamen, en terugkeren op het rechte pad.'

Gecompliceerd

Maar het lijkt erop dat de zaak gecompliceerder ligt. Ik at eens samen met een Belgische jongen die in Nederland Chinees studeerde, en me in uitstekend Chinees vertelde: “Ik heb een hekel aan Chinezen.”

Ik snapte hem niet: wat heeft jouw hekel aan Chinezen met mij te maken? En niet alleen Chinezen, maar iedere mens heeft wel trekjes waaraan je een hekel kunt hebben. Even later herhaalde hij zijn woorden, met een vlekkeloze uitspraak. Ik dacht bij mezelf: goed, dat is jouw zaak - als je zelfs een hekel aan God kunt hebben, waarom dan niet aan Chinezen? Toen hij het voor de derde keer zei, kreeg ik op een raadselachtige manier het gevoel dat hij zich tot mij richtte en een (niet-bestaand) probleem had bedacht. Dat probleem was niet: omdat jij Chinees bent, en ik een hekel aan Chinezen heb, heb ik een hekel aan jou - zo eenvoudig was het niet. Ik raakte geagiteerd; uiteindelijk kwam ik erachter dat hij diep in de put zat, en zijn somberheid over wilde dragen aan een ander, om er zo zelf minder onder te lijden.

Of de vork inderdaad zo in de steel zat weet ik nog steeds niet. Ik weet slechts dat hij zes jaar Chinees gestudeerd had - waarom? en was het de moeite waard geweest? Als hij Chinees niet leuk vond, waarom wilde hij het dan leren? Of hield hij van Chinees maar had hij een hekel aan Chinezen? Wilde hij zien hoe deze Chinees tegenover Chinezen stond? Ik begrijp het niet, maar ik denk zeker dat hij meer had willen zeggen dan die paar woorden. Hoe het ook zij, op het moment dat hij ze uitsprak had ik medelijden met hem, waarom weet ik niet. Ik begrijp het niet; tot op heden begrijp ik het niet. Maar waarom ging hij er niet op door? Dat was duidelijk: we hadden elkaar tóch begrepen. Mensen zijn ingewikkelde, tegenstrijdige, subtiele wezens. We hebben elkaar nooit teruggezien, maar nog steeds houdt die gebeurtenis me bezig: ik begrijp het niet.

Toen ik met al deze herinneringen aan jonge mensen thuiskwam uit het park, was het al vijf uur 's middags, en nog steeds schetterde beneden de rockmuziek over straat. Ik had het nu een dag lang aan moeten horen, en had er geen zin meer in: dus ging ik naar beneden, om met de sleutelende jongen een hartig woordje te wisselen. Alsof de duivel ermee speelde bleek de muziek opgehouden toen ik buiten kwam, maar toch liep ik naar hem toe: “Neemt u me niet kwalijk, meneer, kan ik even met u praten?” De jongen veegde zijn handen af, en het was of hij erop had staan wachten of al eerder door een ander aangesproken was: “Dat de muziek te hard staat zeker?” “Ja, ik ben thuis aan het werk. Kunt u het wat zachter zetten?” Zijn gezicht was volkomen uitdrukkingsloos: “Ik heb graag muziek als ik aan mijn auto bezig ben.” Hij draaide zich om en zette de installatie in zijn auto opnieuw aan, voluit. Ik begreep niet waarom hij dat zonodig moest doen, maar begreep wel wat ik nu kon doen. Weer thuis nam ik het telefoonboek ter hand, maar dat viel niet mee: uiteindelijk wist ik via een vriend achter het nummer van de politie te komen. Weer was het of de duivel ermee speelde: toen de politie arriveerde was de muziek opgehouden. Wat de agenten tegen hem zeiden kon ik niet horen. Maar ik zag de politie-auto nog niet wegrijden of de jongen barstte met zijn gezicht naar het gebouw waarin ik woon in een wild gelach uit: “Hahahaha, hahahaha.” Ik dacht de betekenis van zijn lach te begrijpen, al wist ik het niet zeker: hij had de hele dag aan zijn auto gesleuteld, zijn persoonlijke vrijheid verdedigd en een ouwe vent kwaad gekregen - een uiterst welbestede dag.

Of ik het bij het rechte eind had of niet, het was donker geworden. In mijn oor klonk een regel van Dylan Thomas op: hoe ouder en zwakker wij worden, des te schitterender schijnt de zon . . .