Kunnen Vlamingen schrijven?

Jeroen Brouwers noemde het boek, daags na verschijning, “een onding”, een verzameling “sprookjes, verdraaiingen, vervalsingen en suggestieve lasterpraatjes”, “keukenmeidenpraatjes”, “opgewarmde smoesjes” vol “gemeier en gebimbam”, “kokette breikousverhaaltjes, opgedist in de orkestratie van preutsige duchtzaamheid. “De historische waarde van dit geschrift is nihil, voor de produktie ervan zijn voor niets bomen omgekapt, het bestaan van het ding is falikant en overbodig.”

Het betreft de, door Greta Seghers geredigeerde, gedenkschriften van Angèle Manteau, de oprichtster en ex-directrice van de gelijknamige Vlaamse uitgeverij.

De Nederlandse uitgeverij Prometheus, die het boek op de markt heeft gebracht, gewaagt in haar promotiemateriaal daarentegen van een “uitzonderlijke biografie”. Tja. Het is in elk geval een uitzonderlijk vreemde biografie. De dames kregen op driekwart van de rit bonje, zodat nu het ene deel van het boek door de één en en het andere deel door de ander wordt verteld. Het is echter regelrecht verbazingwekkend dat door de uitgeefster noch door haar biografe nauwelijks een woord wordt gewijd aan een van de grote affaires in de naoorlogse Nederlandstalige letteren: het spectaculaire pamflet van Jeroen Brouwers (Maatstaf, oktober 1977) waarin met kracht van overtuiging werd aangetoond dat het complete Vlaamse proza - ook het pretentieuze fonds van de uitgeverij Manteau - door Nederlandse lectoren werd herschreven. Zowel “het barbarentaaltje van Marnix Gijsen” als “het kokhalzige getuntel van Karel Jonckheere”, zowel “het gefrunnik van Hugo Raes” als “het gestamel van Jos Vandeloo”. Ook al was hun proza nog heilig vergeleken met het “taalgemors” van ...

Over hem straks méér.

Synchroon met de biografie van Angèle Manteau verscheen de essay-bundel Hard tegen hart. De auteur is Julien Weverbergh, schrijver-criticus en bovenal de man die haar in 1970 als Manteau-directeur is opgevolgd. Zijn boek gaat over “het literaire klimaat in Vlaanderen”, waarover hij niet zo vrolijk is. Weverbergh hekelt de “eentonige grijsheid” bezuiden Wuustwezel, de lokale romans en verhalen zijn “oninteressant, zonder visie, bloedeloos, middelmatig, saai en vervelend”, “solipsistisch pompeus en de intriges ontwikkelen zich tergend traag”. Wel is het allemaal redelijk tot voortreffelijk geschreven. Dat is niet de verdienste van Rita Demeester, Guido van Heulendonk, Ingrid Vanderveeken en Philip Vandenberghe, zegt Weverbergh, maar van hun uitgevers die allemaal “de teksten van hun Vlaamse auteurs met een rood pennetje door een bij voorkeur Hollandse redacteur (laten) nakijken”. Weverbergh: “Uit eigen ervaring kan ik getuigen dat menig kopijblad na deze ingreep de allures van een bloedige veldslag vertoont”.

Man, kijk naar je eige! Want wat was het centrale thema van het voornoemde, beruchte en vernietigende, pamflet Weverbergh en Ergher van Jeroen Brouwers, het was het “kokkeltaaltje” en het “taalgemors” van zijn voormalige Manteau-kompaan.

Zij waren in de late jaren zestig beiden aan de firma van mevrouw Manteau verbonden, Weverbergh als redacteur en schrijver, Brouwers als redacteur, schrijver en herschrijver. Herschrijver van onder veel meer het werk van Weverbergh, “van alle Vlaamse prul-auteurs de allerprulste”. Er volgden in het vertoog Weverbergh en Ergher drie bladzijden vol ademstokkende stijlbloempjes als bewijsmateriaal. “Zij mogen rechtsteil stijgen.” “Hun kleren snokken.” “Een kuil die hij daarstraks had gepasseerd.” “Hij speelde zijn broekje uit.” “Hij nam de eerste straat op zijn linkerhand.” “Het divan.” “De garagist.” “De huizen zijn van geen bordpapier.” “Hij droeg het telegram naar de bestemmeling.” “Hij wist immers zo wel, dat levenslange opsluiting, mits het sekuur verplaatsen van de dekoors, tot twintig jaar omgezet kan worden.”

Et cetera.

En diezelfde Julien Weverbergh verwijt thans zijn schrijvende collega's dat zij nog steeds het "rode pennetje' van een Nederlandse lector nodig hebben in een essay-bundel die qua stijl en amusementswaarde (“hoewel de auteur snoeft dat het "gecomponeerd is als een vioolconcerto van Mozart', heeft het meer weg van de Brabançonne, getoeterd op een hol heupgewricht van een inlander van het Zuidjapanse platteland.”) overigens niets te wensen overlaat. Wie heeft Weverbergh inmiddels leren schrijven? Of is ook zijn jongste boek herschreven? Andermaal door Jeroen Brouwers, wellicht, want beide mannen zijn inmiddels, tot mijn lichte verbazing, weer de beste maatjes. Tussen Angèle Manteau en haar twee toenmalige redacteuren, Weverbergh en Brouwers, is het daarentegen nooit meer goed gekomen. Weverbergh is “haar vijand” en Brouwers noemt haar “de dulle griet van het Vlaamse uitgeverswezen'.

Zij is deze week, naar aanleiding van dat “uitzonderlijke” boek van haar, in het weekblad Humo geïnterviewd. Is het werkelijk waar, werd gevraagd, dat zelfs de groten in de Vlaamse literatuur nog steeds door Nederlandse redacteuren worden herschreven?

“Oh, ik geloof niet dat mensen als Eric de Kuyper en Lieve Joris nog in hetzelfde bedje ziek zijn”, antwoordde de oude dame (81) niet zonder slagvaardigheid. Eric de Kuyper geeft uit bij de SUN (Nijmegen). Lieve Joris publiceert bij Meulenhoff (Amsterdam). Het is de tragiek van het Vlaamse uitgeversbedrijf: zo gauw een schrijver of schrijfster iets voorstelt, wijkt hij of zij naar het noorden uit.

Inmiddels is mevrouw Manteau wegens haar verdiensten voor het Vlaamse uitgeverswezen tot barones gepromoveerd.

Net als haar landgenoot baron Marnix Gijsen, wiens Joachim van Babylon ook al door een boven-Moerdijker “van eelt en andere uitwassen” is gereinigd, zoals Jeroen Brouwers schreef. Door Jan Greshoff, om precies te zijn.

Zoals het “zweetsokkenproza” van Dirk van Babylon, in 1986 met de Leo J. Kryns Prijs bekroond, toentertijd door de Brusselse Nederlander Boudewijn van Houten is ontluisd.

Het blijft een vreemd heerschap, Buurman Belg.

    • Martin van Amerongen