Hoe kostgangers de gang in kijken; Johan Anthierens over Willem Elsschot

Johan Anthierens speurt in zijn boek over Elsschot naar belgicismen, taalfouten en onlogische passages. Ook spreekt hij het verhaal tegen dat Elsschot in de brievenbus van Gerard Walschap zou hebben gepist.

Johan Anthierens: Willem Elsschot. Het Ridderspoor. Uitg. Kritak, 194 blz. Prijs ƒ 34,50. Eind volgende week brengt uitgeverij Meulenhoff het boek uit in Nederland.

Er begint langzamerhand een Elsschot-literatuur te ontstaan. De nieuwste aanwinst is Willem Elsschot. Het ridderspoor van Johan Anthierens, een bundel stukken die allemaal betrekking hebben op leven en werk van Elsschot. Het boek begint met een uitvoerige beschrijving van Elsschots laatste uren. Zijn laatste woorden moeten geweest zijn "Dank u, heren' - gericht tot de mannen die hem op 31 mei 1960 van de Antwerpse Markgravelei opgeraapt en naar zijn huis in de Lemméstraat gedragen hebben.

Volgens zijn oudste zoon, Walter de Ridder, bleef toen zijn vader stierf de empire-pendule in de "veranda' (wij zouden eerder zeggen: serre) stilstaan. Walters zoon Walter beweert dat het niet de pendule, maar de hangklok geweest is die stil bleef staan. Anna de Ridder weet niets van dat stilstaan af. Je krijgt de indruk dat Walter Sr. niet in zijn eerste leugen gestikt is. Bij Anthierens vertelt hij dat Gerard Walschap en Fons de Ridder, die vele jaren in dezelfde straat woonden, elkaar slecht verdroegen en zich niet ontzagen 's nachts in elkaars brievenbus te pissen. Dat kan niet waar zijn volgens Anthierens want die brievenbussen zitten te hoog.

In het tweede stuk, gewijd aan de realia (kruidenier, Sideria, pastoor, graaf, doop) die als materiaal gediend hebben voor "De verlossing', treedt ineens Wim Kan op, die in 1983, kort voor zijn dood, de dorpswinkel van Jan Verstappen bezoekt. In een stuk over Chico, het aapje in "Villa des roses', vertelt Ida de Ridder ons dat niet mevrouw Gendron, maar Fons de Ridder het dier in het vuur gesmeten heeft - min of meer per ongeluk.

Soms verwijdert Anthierens zich wel erg ver van zijn eigenlijke onderwerp. Zo vertelt hij ons waarom de Lemméstraat Lemméstraat heet en wie er tegenwoordig op nummer 21 wonen. Maar voor de ware Elsschot-liefhebber bestaan er geen onbelangrijke details. Als Boorman in het gekkenhuis wordt onderzocht laat men hem drie keer achtereen "derde rijdende artilleriebrigade' zeggen. Dochter Ida heeft onthuld dat die woorden komen uit het verslag dat de Antwerpse Hadjememaar-figuur Leo Frenssen maakte over zijn kort verblijf in een Brussels ziekenhuis in 1934, waar hij werd uitgenodigd om "trente troisième Régiment d'artillerie' te zeggen. De patiënt Pietje, die in het bad liggend de Brabançonne zingt, eerst in het Vlaams en dan in het Frans, is bij Frenssen een gek die in het bad liggend luid verkondigt dat hij de zoon Gods is. De gek die bij Elsschot steeds maar weer zijn bed opmaakt is bij Frenssen een gek die telkens weer uit zijn bed komt om een slokje water te gaan drinken.

Anthierens geeft ons uitvoerig de publicatie-geschiedenis van de twee gedichten waarvan iedereen zich afkeerde: "Aan Van der Lubbe' en "Borms'. Het Van der Lubbe-gedicht werd geweigerd door de redactie van Forum - het verschrikkelijk slechte gedicht van Vestdijk over Van der Lubbe had men wél opgenomen - het Borms-gedicht werd niet geplaatst door het Nieuw Vlaams Tijdschrift.

Leuk is hoe de "grootse zonde' uit het gedicht "Het huwelijk' onder de handen van zetters, correctoren en redacteuren de hardnekkige neiging heeft om te veranderen in "grootste zonde'. In mijn uitgave van het Verzameld Werk (van Kampen 1957) staat het nog goed, maar in Querido 1976 is het weer "grootste'.

Een apart opstel is gewijd aan de belgicismen in het werk van Elsschot en de vraag in welke dichtheid die in verschillende boeken voorkomen - een vraag die Anthierens open laat. Je krijgt de indruk dat het aantal belgicismen in het werk van Elsschot in de loop der jaren ongeveer constant gebleven is. In "Kaas' telde ik er in de gauwigheid twaalf: "t Is voor vannacht' (vannacht gaat het gebeuren); "zich uit de slag trekken' (zich redden); "begint op na te houden' (op na begint te houden); "wat ik aan de hand had' (wat er met me aan de hand was); "viel op een Brabançonne' (stuitte op); "aan de deur smijten' (zetten); "meerderheid' (superioriteit); "daar bijt ik niet in' (trap ik niet in); "als wanneer' (als); "mijn stoute schoenen' (de stoute schoenen); "ik moet er met vuile voeten door' (?); "kloppen' (trommelen) op een schrijfmachine; "marcheerden dan op de keuken af' (toen, daarna, vervolgens).

In "Het dwaallicht' vond ik er acht: "als een die haast heeft' (iemand); "als de dag zal gekomen zijn' (zal zijn gekomen); "straat die het doen moet' (die het hem doen moet); "tot de dag in de lucht komt' (tot het dag wordt?); "geschuifel' (gefluit); straat "met bochten in' (met bochten erin, met bochten); "waar onze pondjes te steken' (laten?); "zegde' (zei).

Het is trouwens niet zo eenvoudig om vast te stellen wat een belgicisme is en wat niet. Elsschot schrijft "kleed' waar wij meestal "japon' of "jurk' zeggen. Maar "kleed' in de betekenis van het Duitse "Kleid' is correct, zij het wat deftig Nederlands. Anthierens meent dat "'s anderendaags' voor "de volgende dag' een belgicisme is. Voor mij is het gewoon Nederlands.

Behalve naar belgicismen heeft Anthierens ook naar taalfouten gezocht en naar onbegrijpelijke passages. Als de heer Brulot na het vertrek met de noorderzon van Henri Martin diens Poolse dames, moeder en dochter, in de gang van het pension de huid volscheldt schrijft Elsschot: "De kostgangers stonden in de feestzaal op een hoop en keken de gang in. Aline en Louise loerden door de keukendeur en de ene trachtte de andere op de voorgrond te duwen.' Anthierens vindt dit een "onlogisch beeld', maar het is iets dat in de wereldliteratuur nogal eens voorkomt: er heeft iets bijzonders plaats en het personeel verdringt zich om alles te kunnen zien en horen. Dat mag eigenlijk niet, en daarom verschuilen de heimelijke toekijkers zich achter elkaar, zodat zij elkaar op de voorgrond duwen, om zoveel mogelijk van het schandaal te zien en zo weinig mogelijk gezien te worden. Ik herinner me zo'n scène uit Oorlog en vrede, maar ik weet zo gauw niet waar.

Bij Anthierens zelf vond ik in zijn eerste hoofdstuk vijf belgicismen: "slaat een praatje' (maakt een praatje); "aan de winkel van Symons naar rechts' (bij de winkel); "haast zich bij De Ridder' (naar De Ridder); "op hotel' (in een hotel); "dichte vriendin' (goede).

Waar ik me een beetje aan ergerde is wat je Anthierens' linguïstische uitbundigheid zou kunnen noemen, zijn neiging tot "leuke' binnenrijmen zoals de "glimlach van spinrag' die hij aan Wim Kan toedeelt, of "een romantisch randje', "intieme intimidatie' en "decente centen'. Ook houdt hij van woordspelingen. De draaiende trommel waarin koffiebonen geroosterd worden noemt hij "verbrandtrommel'. Zoiets zou Elsschot nooit doen.

    • Karel van het Reve