Geen automatisme

DE GEMEENTEN hebben het gevraagde respijt gekregen om de verplichte inning van bijstand na echtscheiding te realiseren.

Maatschappelijk gesproken is daarmee de kou echter niet uit de lucht, want het betreft hier een delicate operatie. Mensen stellen het veelal niet op prijs te worden herinnerd aan een hoofdstuk in hun leven dat zij afgesloten dachten. Als men dan ook nog pijnlijk wordt getroffen in de portemonnaie is een herleving van de twisten, pesterijen en chantage waaraan het echtscheidingsvonnis juist een einde beoogde te maken, niet uitgesloten.

De reactie dat een betrekkelijk bescheiden bijdrage aan vermindering van het begrotingstekort het oprakelen van zoveel wrevel en ongenoegen niet waard is, ligt voor de hand. Het karakter van bijstand als een laatste sociaal vangnet heeft echter de doorslag gegeven; dat mag alleen gespannen worden als er werkelijk geen andere bronnen van inkomsten zijn. Financiële problemen bij een echtscheiding worden soms wel erg makkelijk afgeschoven op de samenleving. Een bevoegdheid van sociale diensten om bijstand na echtscheiding te verhalen heeft trouwens altijd al bestaan, en er zijn ook gemeenten die daar gebruik van maken. Het is niet onredelijk dat over de hele linie voor te schrijven, zeker nu de termijn voor verhaal is gelimiteerd tot twaalf jaar.

TOCH BLIJFT bijstandsverhaal iets onbillijks houden, bijvoorbeeld wanneer echtelieden uit elkaar zijn gegaan in een reële verwachting dat zij verder geen beroep op elkaar zullen doen. Het “nihilbeding”, de afspraak over en weer af te zien van alimentatie, is uitdrukkelijk in de wet erkend evenals het recht van scheidende partijen af te spreken dat zij zich niet zullen beroepen op gewijzigde omstandigheden. De gemeente hoeft zich daar echter niets van aan te trekken wanneer een van de partners alsnog in de bijstand raakt. Nu zijn dergelijke afspraken ook tussen de betrokkenen niet absoluut, bij een “ingrijpende” wijziging van omstandigheden kan de rechter het convenant alsnog openbreken. Maar dat is een uitzonderlijke ingreep. De vergelijking illustreert dat van de gemeenten in vergelijkbare gevallen extra voorzichtigheid mag worden verwacht.

De ruimte voor een zorgvuldige afweging van geval tot geval en een wijs gebruik van hardheidsclausules waartoe nu is besloten, verdragen zich niet met bijstandsverhaal als een simpel automatisme, zoals wèl de indruk was die het departement van sociale zaken aanvankelijk wekte. De vraag blijft waarom men dat toch altijd weer probeert.