Financiële prikkel helpt werkloosheid onder allochtonen te verlagen; Opmerkelijk verschil in beleidsnota's laaggeschoolden en minderheden

DEN HAAG, 2 OKT. Twee nota's, één minister, maar een wereld van verschil. Op 15 september presenteert minister De Vries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, samen met staatssecretaris Ter Veld, een doorwrochte Sociale Nota. Daarin wordt onder meer betoogd dat voor veel lager opgeleiden met een uitkering de financiële prikkel om te gaan werken te klein is. Werken is voor hen nauwelijks lonend. Het verschil tussen loon en uitkering moet groter worden.

Op 24 september presenteren dezelfde bewindslieden een andere nota, Werk en Minderheden. Centrale vraag: hoe dring je de enorme werkloosheid onder allochtonen terug? Volgt een reeks mooie voornemens, met veel voorlichting, onderwijs en registratie. Maar niets over financiële prikkels. Geldt wat in het algemeen geldt voor laag opgeleiden plotseling niet voor - vaak slecht opgeleide - allochtonen? Een vraaggesprek met dr. B. de Vries, minister.

Het verschil in sfeer tussen beide nota's is opvallend. Was dat opzet?

“Nou, het verrast mij, als u dat zo zegt. Ik kan me niet voorstellen dat de Minderhedennota zwijgt over strenger optreden.” De minister pakt de nota, zoekt naar bijpassende passages, vindt ze niet. Hij vervolgt: “De algemene aspecten uit de Sociale Nota, zoals financiële prikkels om weer aan het werk te gaan, gelden natuurlijk ook voor specifieke doelgroepen. Maar bij zo'n Minderhedennota moet je wel oppassen dat zulke zaken niet worden uitgelegd als eenzijdig gericht tegen de minderheden. Dat de financiële prikkel voor laaggeschoolden zo gering is, heeft zeker ook invloed op de inzetbaarheid van mensen uit minderheden. Die zijn niet beter of slechter dan Nederlanders.”

Onder laaggeschoolden (alleen basisschool) is de werkloosheid twee keer zo groot als gemiddeld, onder allochtonen zelfs vier tot vijf keer zo groot. De verschillen in niet-activiteit zijn nòg groter. Toch kan een enorm aantal vacatures voor laaggeschoolden niet worden vervuld. Hoe kan dat?

“Er is op papier, overal in het land, een geweldig groot aanbod van laaggeschoolden. Maar met de mobiliseerbaarheid van dat aanbod is het tamelijk droevig gesteld. Naar schatting waren er vorig jaar in de detailhandel en andere sectoren 90.000 vacatures voor lager opgeleiden, waarvan 64.000 moeilijk vervulbaar. Voeg daarbij de ervaringen in de glastuinbouw en in agrarische sectoren met veel seizoenswerk, zoals de bollen, waarvoor het telkens weer nauwelijks mogelijk is om binnenlands arbeidsaanbod te mobiliseren...

Niet bekend

Nee. Maar wat is uw conclusie?

“Dat het met de huidige instrumenten niet lukt het potentiële binnenlandse arbeidsaanbod in te zetten. Je moet uitzoeken of die arbeid voor die mensen inderdaad als niet-passend beschouwd moet worden, om gezondsheidsredenen of wat dan ook, of dat er andere factoren achter zitten.”

Maar dit probleem speelt al jaren; waar blijft dat onderzoek dan?

“We hebben twee bladzijden vervolgvragen aan het regionale arbeidsbureau overlegd, om die informatie te verkrijgen.”

Wie gaat werken wil méér verdienen dan zijn of haar uitkering. Een alleenstaande in de bijstand ziet volgens de Sociale Nota zijn of haar welvaart pas stijgen als men er 9 tot 18 procent op vooruit gaat. Voor men aan de slag gaat, eist men in de praktijk zelfs 20 tot 50 procent méér. De Sociale Nota noemt het vergroten van het verschil tussen uitkering en loon daarom “de grote uitdaging van de jaren negentig”.

Maar hoe? De Vries ziet grosso modo twee mogelijkheden. Of je laat werkenden minder belasting betalen dan mensen met een uitkering, via een hoger arbeidskostenforfait. Of je laat de uitkeringen achterblijven bij de lonen, via een (gedeeltelijke) ontkoppeling. Helaas kost het eerste handen vol geld, en is de ruimte voor ontkoppeling beperkt omdat de koopkracht van de mensen met een uitkering zoveel mogelijk op peil moet blijven.

Toch laat de minister zich niet ontmoedigen. “Alleenstaanden krijgen een uitkering van 70 procent van het minimumloon, dus als zij aan het werk gaan, krijgen ze altijd 30 procent meer. Vallen ze onder een CAO dan gaan ze er zelfs 40 tot 50 procent op vooruit, omdat de laagste CAO-schalen de afgelopen jaren nu eenmaal tot ruim boven het minimumloon zijn gestegen.”

Maar kostwinners krijgen een uitkering van 100 procent van het minimumloon. Voor hen is het verschil tussen loon en uitkering veel kleiner.

“Zeker, dus voor hen is de financiële prikkel om te gaan werken veel kleiner. Je ziet dan ook dat er heel weinig laaggeschoolde kostwinners zijn die nog werken tegen het minimumloon.”

Want voor hen is dat werk niet de moeite waard. Zouden onder die kostwinners niet relatief veel allochtonen zijn?

“Dat is ook zo. Ik denk dat er heel veel allochtonen bij zitten. Maar als mensen moeten kiezen tussen een uitkering of een loon voor onaangenaam werk dat nauwelijks hoger is, dan is het niet zo verrassend dat heel veel van die allochtonen niet actief zijn op de arbeidsmarkt. En daar moet je dus iets aan doen. Mijn voorkeur gaat uit naar een hoger arbeidskostenforfait.”

In 1992 ging dat forfait inderdaad omhoog, waardoor het verschil tussen loon en uitkering steeg, zij het met een luttele 0,8 procent. Een verdere verhoging in 1993 bleek onhaalbaar: het kabinet besteedde het geld liever aan een BTW-verlaging. Veel groter was het effect van de ontkoppeling: 2,2 procent in 1992 en 1993 samen. De Vries erkent dat ontkoppeling “om praktische redenen” meer perspectief biedt. Maar, voegt hij er onmiddellijk aan toe, “dat kan volgens de wet alleen als de verhouding actieven/niet-actieven de neiging heeft de verkeerde kant uit te groeien.”

De minister heeft daarnaast zijn hoop gevestigd op ruimere vrijlatingsbepalingen, zodat mensen met een uitkering een deel van hun verdiensten mogen behouden. “Nu wordt een uitkeringsgerechtigde nauwelijks beter van seizoenswerk. Je moet mensen niet alleen een duw in de rug geven, maar ook een worst voorhouden.”

Toch opmerkelijk: onderwijzers met wachtgeld mogen erbij verdienen, oudere WAO'ers mogen dat straks ook, en nu ook nog mensen in de bijstand. Werken en toch een uitkering, een riant perspectief!

(lacht) “Dat is waar. Maar voor de bijstand hebben we al een vrijlatingsregeling van 15 procent gedurende maximaal twee jaar. Je kunt je voorstellen dat je tegen die mensen zegt: als je onaangenaam werk, seizoenwerk in de agrarische sector, gaat doen, en we combineren dat met een actieve bemiddeling naar een structurele arbeidsplaats, dan wordt die vrijlating wat ruimer. Als ze de nodige arbeidsdisicpline aanleren worden die mensen ook beter bemiddelbaar.”

Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelde onlangs dat regelingen als de loonkostensubsidies en het Jeugdwerkgarantieplan weinig mensen bereiken en nauwelijks effectief zijn.

“Ja. Eh... Wij hebben ook het gevoel dat instrumenten als banenpools, werkervaringsplaatsen en loonkostensubsidies betrekkelijk weinig effectieve instrumenten zijn, uit een oogpunt van doorstroming naar reguliere arbeidsplaatsen. Dat bij voorbeeld actieve bemiddeling in combinatie met scholing effectiever kan zijn. Je moet in het uiterste geval bereid zijn om instrumenten als de loonkostensubsidies op minimumniveau en Vermeend/Moor (kwijtschelding van sociale premies) af te schaffen.”

De PvdA keert zich tegen het kabinetsplan de uitkeringen voor WAO'ers jonger dan 50 jaar te bevriezen. Ligt een compromis niet voor de hand: alleen bevriezen als het beroep op de WAO over een half jaar nog steeds stijgt?

“Ik ben nog niet aan een compromis toe. We hebben vorig jaar met de Kamer afgesproken dat de plannen pas kunnen worden herzien als het beroep op de WAO in de buurt komt van het niveau van 1989, dus 758.000 uitkeringsjaren.”

Wat veel lager is dan nu. Is de ingangsdatum van 1 januari nog haalbaar?

De Vries: “De Tweede Kamer kan de plenaire behandeling vóór 1 januari afronden, dat is technisch heel goed mogelijk. Maar of het wetsontwerp ook nog vóór 1 januari bij de Eerste Kamer ligt? Dan moet je wel een heel strak tijdschema hanteren.

De werkgeversorganisaties VNO en NCW zien voorlopig af van een ministelsel in de sociale zekerheid. Stemt u dat tevreden?

“Dit kan bijdragen aan wat meer consensus over de sociale zekerheid. Ik denk dat steeds meer groeperingen die ernaar kijken zeggen: nou ja, dat ministelsel, daar zit toch ook een aantal schaduwzijden aan, het is toch minder aantrekkelijk dan aanvankelijk weleens gedacht, ook uit een oogpunt van kostenbeheersing. Dus in die zin kan ik daar niet anders dan gelukkig mee zijn.”

    • Cees Caljé