EG fanatiek op zoek naar wonderformule

Het imago van de Europese integratie is aan versterking toe. Veel Europeanen hebben het gevoel dat alles in Brussel geregeld wordt, zonder dat men daar veel invloed op heeft. Toepassing van het Europese "subsidiariteitsbeginsel' moet deze indruk nu wegpoetsen. De ongerustheid over de "Brusselse regelzucht' kan worden weggenomen, zonder dat er overigens wezenlijk iets wordt veranderd.

BRUSSEL, 2 OKT. De twaalf lidstaten van de EG zoeken dezer dagen fanatiek naar een wonderformule waarmee het imago van de Europese integratie bij de kiezer kan worden opgepoetst en tegelijk diens ongerustheid kan worden weggenomen. Het is een existentieel probleem - alleen wie de burger weet te beschermen tegen de "Brusselse bemoeizucht' kan de economische en politieke unie van "Maastricht' veiligstellen. Het klimaat is immers na het Deense en Franse referendum verpest, en niet alleen onder de Britse regerende Conservatieven.

Maandag lijkt er in Luxemburg alvast een eerste stap te worden gezet. De ministers van buitenlandse zaken bespreken dan een Brits voorstel om de Raad van Ministers in een vroeg stadium de mogelijkheid te geven voorstellen van de Europese Commissie te schorsen. Al op verzoek van één enkele lidstaat en met gewone meerderheid kunnen de ministers daartoe overgaan. Als grond voor de schorsing geldt nodeloze inmenging in nationale aangelegenheden. Het ontwerp is dan in die vorm definitief van tafel.

Het gaat om een spoedprocedure met een puur politiek karakter, die dwars door de bestaande procedures om Commissie-voorstellen aan te passen of te verwerpen heen snijdt. De procedure heeft hoofdzakelijk symbolische waarde en lijkt vooral bedoeld om de ontoegankelijke Brusselse besluitvorming "transparant' te maken. Samen met "meer democratie' is "grotere transparantie' immers hèt steekwoord waarmee de Europese regeringsleiders dezer dagen de publieke opinie proberen te bezweren. De schorsingsprocedure “garandeert iedere lidstaat een hoorzitting”, zo legde gisteren een Britse diplomaat uit. Daarbij kijken de ministers niet naar de vorm van het Commissie-voorstel, maar beoordelen ze alleen de vraag of de EG terecht het betreffende terrein naar zich toe trekt. Op die manier wordt op het hoogste niveau in de EG al in een vroeg stadium beslist of de nationale lidstaten op dat terrein een deel van hun soevereiniteit moeten afstaan aan "Brussel'.

Dat iedere lidstaat afzonderlijk al om zo'n schorsing kan vragen betekent tevens dat de nationale parlementen via hun minister meer druk kunnen uitoefenen. Het is denkbaar dat een nationaal parlement de eigen minister per motie zal opdragen om via een schorsingsprocedure snel een einde te maken aan dreigende EG-wetgeving. Als belangrijk voordeel geldt bovendien dat de bijeenkomsten van de Raden van Ministers in de wandelgangen door honderden journalisten worden gevolgd. Schorsingsprocedures zullen nieuws zijn en daarmee de publieke opinie kunnen mobiliseren. Is een schorsing mislukt dan wacht immers nog de gewone besluitvormingsronde over het voorstel.

Ook nu hebben lidstaten uiteraard de mogelijkheid om voorstellen van de Commissie tegen te houden of aanpassingen af te dwingen. Maar daarvoor zijn meestal langdurige en vertrouwelijke onderhandelingen nodig waarin de Commissie de nodige manoeuvreerruimte heeft. Vragen over de politieke wenselijkheid van het voorstel en de technische inhoud ervan lopen in die gesprekken meestal door elkaar. In de praktijk leidt dat tot wat in Brussel het "weglekken' van nationale bevoegdheden wordt genoemd.

Met de nieuwe procedure in de hand kan al na het eerste ambtelijk overleg over een concept-wetsvoorstel de hoogste instantie ingeschakeld worden voor een politiek oordeel. Daarbij wordt een semi-juridisch criterium gehanteerd: de vraag of aan het vereiste van "subsidiariteit' is voldaan. Dit weinig tot de verbeelding sprekende begrip is opgedoken uit de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno uit 1931 en maakt onderdeel uit van de katholieke sociale leer. Op Europa toegepast verplicht het alle communautaire instellingen tot terughoudendheid bij nieuwe wetgeving - wetten en regels mogen alleen door de EG worden vastgesteld als “vanwege de omvang of de gevolgen” de lidstaten “niet voldoende” geschikt zijn om het zelf af te handelen.

Het beginsel is ook opgenomen in het Verdrag van Maastricht - wordt het verdrag geratificeerd dan kunnen lidstaten die er niet in slagen om een "bemoeizuchtige' EG-wet te laten schorsen zich dus ook tot de rechter in Luxemburg wenden. Het is overigens de vraag of dat zal helpen. Meestal breidt het EG-hof de reikwijdte van het Gemeenschapsrecht uit, als het om een oordeel over bevoegdheidsvragen wordt gevraagd.

Kanselier Kohl en de Britse premier, Major, hebben intussen al hun hoop gesteld op de wonderbaarlijke effecten die een goede toepassing van deze "subsidiariteitstoets' op de publieke opinie zou kunnen hebben. In een "annex' of een "protocol' bij het Verdrag zou het begrip nader moeten worden "uitgewerkt', zo is het plan. Met nog wat concessies aan Denemarken erbij, zoals de mogelijkheid om niet deel te nemen aan de Europese defensie en buiten de monetaire unie te blijven, zou een tweede referendum succesvol kunnen zijn, zo verwacht de Deense premier, Schlüter. Half oktober, tijdens de Europese Raad in Birmingham, en eind december in Edinburgh zou dat z'n beslag moeten krijgen.

De Commissie doet al verwoede pogingen om het nieuwe beginsel toe te passen. Sinds juli motiveert de Europese Commissie in de aanhef van ieder wetsvoorstel waarom "Brussel' het meest gekwalificeerd is om zich over het onderhavige terrein te ontfermen. Daarbij wordt behalve op subsidiariteit ook op proportionaliteit en intensiteit gelet. Het middel van een EG-regel moet in verhouding staan tot het doel. De voorgestelde EG-regel mag evenmin overmatig gedetailleerd zijn.

Commissie-ambtenaren geven echter grif toe dat, alle juridische versierselen ten spijt, "subsidiariteit' een politiek criterium is. De vraag of een bepaald resultaat het meest doelmatig op EG-niveau kan worden bereikt hangt af van de eisen die een lidstaat aan het resultaat stelt. Ook de beoordeling van het gewicht van het probleem dat opgelost moet worden is een politiek probleem. Zo is er al een poosje verschil van mening tussen het Verenigd Koninkrijk en de Commissie over de vraag of er EG-regels nodig zijn om "time-sharing' van vakantie-appartementen te regelen. In de Britse publieke opinie ligt dit gevoelig; Londen wil graag dat de EG hier regels stelt, maar de Commissie vindt dat de misstanden die de hoofdzakelijk Britse consumenten treffen maar door Londen zelf moeten worden opgelost. Het oordeel over de doelmatigheid van EG-ingrijpen hangt bovendien af van de schaal van de lidstaat - kleine lidstaten zijn eerder gebaat bij Gemeenschappelijk optreden dan grote.

Bij de Commissie wordt in de praktijk de vraag omgedraaid - hoe erg zou het zijn als de Gemeenschap op terrein X helemaal niks deed? Als daarmee te leven valt, dan blijft Brussel dezer dagen liever stilzitten. “Subsidiariteit is een gimmick, zodat we aan de mode mee kunnen doen”, zegt een hoge ambtenaar, die dan ook niet met name genoemd wil worden. Het is nog één van de aardiger kwalificaties: toverpoeder, Haarlemmerolie en "de kleren van de keizer' zijn ook populaire aanduidingen.

De topambtenaar denkt dat de discussie over subsidiariteit op z'n best een “mentaliteitsverandering” in de lagere en midden-regionen van de Commissie teweeg zou kunnen brengen. Dààr zal men zich moeten afvragen of Europa ook zonder een nog te ontwerpen regel zou kunnen. Daar ligt het front van de EG, waar het gevecht met de ambtenaren van de lidstaten, de lobbygroepen en de Euro-enthousiasten uit het parlement moet worden gevoerd. Dan maar geen regelgeving over de kwaliteit van het zwemwater of de toelaatbaarheid van tabaksreclame, om een aantal voorbeelden te noemen waar "Brussel' met gemengde gevoelens op terugkijkt.

Mocht de "Euro-bemoeizucht' toch de overhand krijgen, dan dreigt er nu dus een schorsingsprocedure in de Raad. De bureaucraat die dat overkomt, zal zich flink op de vingers getikt voelen.