Een verliezer uit overtuiging; Dichterlijke columns van Herman de Coninck

Herman de Coninck: De flaptekstlezer. Uitg. De Arbeiderspers, 242 blz. Prijs ƒ 29,90, Bf 599.

Aardige verspreking van de vice-voorzitter van de FNV: ”Door gebrek aan bomen zie je het bos niet meer.'

Leuk Golfoorloggerucht: Saddam Hoessein kocht niet alleen plastic opblaastanks, maar ook kilometers asfaltkleurig textiel, om er in zijn woestijn landingsbanen mee te suggereren.

Beeld uit Le boucher van Claude Chabrol: in een Frans dorpje is iemand vermoord door een seksmaniak, in een heuvelachtig park. We zien de bebloede hand van het slachtoffer over een rand hangen. Vijftig meter lager zit een meisjesklas nietsvermoedend boterhammen te eten. Uit de hand drupt bloed. Eén bloeddruppel valt op de hagelwitte boterham van een schoolmeisje.

Gedachte van Milan Kundera: Kafka wilde alleen maar de absurde wereld van de ambtenarij beschrijven. Na zijn dood werden zijn romans het symbool voor een totalitair systeem dat hij zelf vermoedelijk nooit heeft voorzien. Postuum werd hij helderziend.

Dit is een kleine bloemlezing uit de vele saillante anekdotes die te vinden zijn in De flaptekstlezer van Herman de Coninck, een bundeling van 44 columns die hij de afgelopen jaren schreef voor zijn rubriek ”Dagboek van een flaptekstlezer' in de Vlaamse krant De Morgen. De Coninck heeft een scherp oog en oor voor opmerkelijke details, een goede neus voor frappante zaken: voor sprekende beelden, veelzeggende citaten en goeie grappen. Daardoor is alles wat hij schrijft al bij voorbaat interessant. Maar daarnaast is hij ook dichter, in zijn essays en columns misschien nog wel meer dan in zijn gedichten zelf. Met zijn dichterlijke instelling en zijn lenige stijl verbindt hij zijn treffende vondsten soepel met andere zaken. Dat maakte hem al, in twee eerdere essaybundels, tot een helder en toegankelijk schrijver over moderne poëzie. Het maakt hem nu tot een aanstekelijk columnist, wiens stukken onderweg ook wel eens de vorm van dagboekfragmenten, literaire kritieken, informatieve causerieën of politieke pleidooien aannemen. Hij schrijft over het wezen van poëzie bijvoorbeeld, maar even gemakkelijk over de moderne oorlogsverslaggeving; de Vlaamse commerciële zender VTM kan op zijn sneren rekenen, maar hij maakt zich ook zorgen over het succes van het Vlaams Blok.

Ik las De flaptekstlezer in de vorm van een stapel drukproefvellen, zonder omslag en dus ook zonder flaptekst, wat nu net in dit geval wel jammer was. Misschien wordt daarin ook de merkwaardige titel toegelicht. Nergens blijkt dat De Coninck alleen maar flapteksten zou lezen; en als hij er al eens een gebruikt, dan doet hij dat vooral om het er niet mee eens te zijn. De suggestie van de titel zal wel zijn dat hij in zijn rubriek geen kritiek in de gebruikelijke zin wilde bedrijven, maar een wat vrijere variant ervan. En verder zal de titel ook wel als ironisch understatement bedoeld zijn, want daar houdt hij wel van: van een zekere onhandigheid en hulpeloosheid, van de troost van sulligheid en bewust beleden pessimisme. De Coninck is een verliezer uit overtuiging. ”Lof van de onvolmaaktheid' (over Willem van Toorn) is een veelzeggende titel, net als ”Een museum van nutteloosheid' (over Peter Ghyssaert). En nergens is hij zo lyrisch als in de passage over het WK Atletiek van vorig jaar: toen Carl Lewis in de verspringfinale niet alleen voorbijgesprongen werd door Mike Powell, maar ook de verbetering van Bob Beamons legendarische wereldrecord voor zijn neus weggekaapt zag. De Coninck had gedacht dat hij zelf inmiddels wel verstand had van de kunst van het verliezen. ”Eigenlijk dacht ik dat dichters daar de enige specialisten in waren' zegt hij, maar hij moet zich nu neerleggen bij de overwinning van Lewis op het onderdeel verliezen: ”Het is de prachtigste nederlaag die ik ooit heb gezien.'

Zoals hier atletiek en poëzie, zo worden er vaak ongelijksoortige ervaringen met elkaar in verband gebracht. Minstens de helft van deze columns heeft de vorm van een bespreking (van tentoonstellingen, films, muziek, essays, proza, maar vooral van poëzie), maar al deze kunst staat nooit op zichzelf. Zoals omgekeerd de bespreking van maatschappelijke kwesties (politiek, oorlog, reclame, milieu, jaloezie, de ziel) voortdurend gelardeerd wordt met bewijsplaatsen uit de literatuur - alles met de bedoeling waarheden op het spoor te komen. En zo passeert hier een reeks van gelijkenissen en instant-definities van het type ”Ik denk dat poëzie een soort religie voor ongelovigen is', ”Poëzie is niet werken, maar wachten', ”Poëzie bewaart nutteloze dingen', ”Poëzie staat stil. Poëzie is een soort surplace in zijn eigen tekst', ”Poëzie wordt met de dag moeilijker' en ”Poëzie: de enige plaats waar onwetendheid het van academisme kan winnen'. Ze zijn allemaal waar, al valt er door echte poëziecritici vast wel iets op af te dingen, zoals er binnen de bundel vast ook wel de nodige innerlijke tegenspraken aan te wijzen zullen zijn. Maar dat is nu eenmaal eigen aan de column, zoals het ook eigen aan de column is dat de stijl het moet doen. ”Toch geloof ik hem pas omdat hij het zo mooi opschrijft. Het sterkste argument is stijl', zegt De Coninck over een essayist. Het geldt ook voor hemzelf. Met zijn stijl maakt hij van zijn columns als het ware gedichten: korte, treffend geformuleerde samenvattingen waarin de wereld er even weer als nieuw uitziet.

Zijn mooiste stukken gaan niet toevallig over twee mensen die de wereld opnieuw moeten ontdekken: John Hull, die op latere leeftijd blind werd en moest leren helderziend te worden, en De Coninck zelf, die van de Kerstman de grote Times-wereldatlas cadeau kreeg en daardoor enkele dagen van de kaart was. ”Er is ongelooflijk veel plaats op de wereld om te leven waar ik niet leef' is een van de hilarische ontdekkingen die hij dan doet. ”Een hele wereldbol vol elders.' En niet alleen is er zoveel plaats, er is ook zoveel tijd en verleden tijd, merkt hij al bladerend in de atlas op. En wat wil dit eigenlijk zeggen? Misschien wel ”dat er veel onderweg is in de wereld, en dat onderweg zijn tussen twee plaatsen of twee zinnen of twee bladzijden of twee werelden de beste plaats is om te leven?' Zijn boek geeft het antwoord op die vraag, op vele plaatsen tussen voorkant en flaptekst.

    • Guus Middag