Een pond christenvlees voor drieduizend dukaten; Het antisemitisme in Shakespeare's Koopman van Venetie

Voor de Tweede Wereldoorlog bekommerden weinigen zich om de morele implicaties van De Koopman van Venetië, het toneelstuk van Shakespeare dat vanaf volgende week weer in Den Haag wordt opgevoerd. Men ging niet naar de schouwburg om zich te verlustigen in antisemitisme, maar om de rol van Shylock te zien, een gierige en wraakzuchtige joodse woekeraar.

De Koopman van Venetië door Het Nationale Toneel in de regie van Ger Thijs. Vertaling: Bert Voeten. Première 8 oktober, Koninklijke Schouwburg, Den Haag.

John Gross: Shylock. Four Hundred Years in the Life of a Legend. Uitg. Chatto & Windus, London. 355 blz. Prijs ƒ 68,20.

Toen op die avond in november vijf jaar geleden de opvoering van Fassbinders toneelwerk Het vuil, de stad en de dood werd verhinderd, vroeg ik me af of ooit Shakespeares De Koopman van Venetië, uit 1596, hetzelfde lot zou treffen.

Het gewraakte stuk van Fassbinder wakkert het antisemitisme aan, zo luidde het verwijt. Daartegenover staat de mening dat toneel de taak heeft mechanismen te ontrafelen die discriminatie in de hand werken. De mensen in het stuk, levend aan de nachtzijde van de maatschappij, praten uit zelfbehoud in een taal doorschoten met antisemitische opmerkingen, gericht tegen een joodse projectontwikkelaar die hun stad verkwanselt. Het zijn allen stereotypen: de pooier, de politieagent, de rijke jood, de prostituée.

Theaterstukken als Het vuil en ook De Koopman van Venetië dwingen de toeschouwer een keuze te maken in een moreel dilemma. Verzetten we ons tegen het discriminerende karakter van een tekst, of gaan we, uit herkenning of heimelijk genoegen, erin mee? De jood van Fassbinder is een naamloze man, vervormd tot een karikatuur. Hij heet slechts "de rijke jood'.

Er pleit veel tegen het stuk van Fassbinder. Het is uit balans, het is gratuit van taal, het antisemitisme van de pooier wordt nauwelijks getemperd door de andere rollen. De vraag is gewettigd of het wel een analyse is van discriminatie, en of het niet eerder een onopgesmukte, realistische zedenschets is die, in zijn felheid, alles wegheeft van een aanklacht.

Maar waartegen? Het lijkt mij dat Fassbinder de krenkende taal gebruikte om aan te tonen dat er op die manier tussen mensen wordt gesproken, aan de rand van de grote stad en misschien niet alleen daar.

Ook Shylock staat in de lijst van personen te boek als "een rijke jood'. Dat heeft De Koopman letterlijk gemeen met Het vuil. De eerste woorden waarmee Shylock opkomt gaan over geld, waarmee hij zijn obsessie prijsgeeft en tegelijk tegemoetkomt aan de karikatuur van de sjacherende jood.

In de tijd dat Shakespeare het stuk schreef, aan het eind van de zestiende eeuw, was heffing van rente op christelijke gronden verboden. Geen mens die zich eraan hield. Elke vorm van rente heette woeker en de woekeraars waren doorgaans joden, die om hun bedrijvigheid werden verafschuwd. Nog het meest door degenen die van hun diensten gebruik maakten, en dat waren de christenen. Zo hield de Elizabethaanse samenleving zich met een explosieve mengeling van hypocrisie en jodenhaat in evenwicht.

Shakespeares Koopman is vierhonderd jaar oud. De tekst van Fassbinder nog geen decennium. Elke verzachtende omstandigheid ten gunste van Shakespeare is daarin gelegen, meer dan in het dramatische evenwicht dat zijn stuk beheerst. Ook Fassbinder gebruikt naast grof geschut poëzie, ook hij biedt nuances als hij de jood laat zeggen: "Ik ben geen jood - zoals joden joden zijn.'

De Koopman is een blijspel met antisemitische tendensen, geschreven in een tijd dat antisemitisme gemeengoed was, zowel in de maatschappij als in de kunsten. De ondertitel ervan luidt dat het gaat over "the extreame crueltie of Shylocke the Jewe' tegenover de koopman, Antonio.

Schuldbrief

Antonio, de melancholieke en aanvankelijk rijke titelheld uit De Koopman van Venetië, leent drieduizend dukaten bij Shylock. Die eist geen rente in geld. Hij laat Antonio een schuldbrief ondertekenen waarin hij aan Shylock toestaat dat hij een pond vlees uit zijn christenlijf mag snijden, indien Antonio zijn schuld niet kan aflossen. Dat pond christenvlees symboliseert Shylocks ultieme wraak, want Antonio heeft de jood keer op keer bespuwd, vernederd, belachelijk gemaakt.

Het is een dramatisch en tegelijk komediantesk detail dat zowel schuldeiser als schuldenaar de overeenkomst aangaan voor de grap. Dan volgt het onvermijdelijke: Antonio's schepen vergaan. Hij is op de vervaldag straatarm. Shylock wet alvast het mes op zijn schoenzool om het felbegeerde pondje vlees uit Antonio's lichaam te snijden, vlakbij het hart.

Haat over en weer bepaalt De Koopman. Shylock heeft een diepgewortelde afkeer van de christen Antonio: "Ik haat hem om zijn christendom, maar meer nog/ omdat hij uit onnozelheid en lafheid/ geld leent voor niets en zo de rente drukt. (-) Hij haat ons heilig volk.' Antonio gaat als volgt tekeer tegen Shylock: "Ik ben in staat je weer voor hond te schelden,/ weer te bespuwen en je weer te trappen.' En verderop, nadat beiden de schuldbekentenis hebben ondertekend en de koopman drieduizend dukaten leent: "Ik moet zeggen: ook een jood kan goed zijn.'

Shylock roept over zichzelf het antisemitisme af, dat hij tegelijkertijd het hele stuk door bestrijdt. Hij wijst voortdurend op zijn rechtvaardigheid. Hij houdt zich immers aan het contract. Hij zegt: "Ik doe geen kwaad. (-) Ik sta hier voor mijn recht.' Aan de andere kant kent hij geen medelijden met Antonio, want het pond vlees behoort hem rechtmatig toe.

Zo vervult hij een dubbelrol. Hij laat zich verwringen tot het voorspelbare gedrag van een joodse geldschieter, anderzijds pleit hij zichzelf vrij door zich te verschuilen achter de wet. Hij laat zich verworden tot een cliché.

Hierin schuilt het grote verschil tussen Shakespeare en Fassbinder: bij de eerste zien we de oorsprong van een karikatuur, de tweede geeft de uitbeelding ervan. Bovendien dwingt Fassbinder met Het vuil de toeschouwer een antwoord te vinden op het probleem, dat na de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk is: Waarom zou in een theatertekst geen slechte jood mogen optreden?

Ongerijmdheid

De joodse regisseur Peter Zadek ging Fassbinder hierin voor. Toen hij in 1973 voor het Schauspielhaus uit Bochum De Koopman regisseerde, verklaarde hij als volgt de keuze voor het clichématige beeld van de rijke jood dat zijn acteur gestalte gaf: "Met de ongerijmdheid van de geschiedenis heb ik niets te maken.'

Er is de Shylock van voor de Tweede Wereldoorlog, en er is de Shylock erna. De breuk tussen die twee kan nooit hersteld worden. In Nederland en Duitsland is daar nog de Fassbinder-affaire bijgekomen.

Voor de Tweede Wereldoorlog bekommerden weinigen zich om de morele implicaties van De Koopman. Toen was elk oordeel over de vertolking van Shylock esthetisch. De beladen, historische resonans van later ontbrak. Men ging niet naar de schouwburg om zich te verlustigen in antisemitisme, men ging erheen om de rol van Shylock te zien. Want het obsederende en tegelijk ongrijpbare van dit karakter is, dat hij zichzelf blootgeeft als every inch een joodse woekeraar. Hij buigt en schmeichelt, draagt kaftan en keppeltje, is gierig, wraakzuchtig, spreekt erover dat hij zijn dochter dood aan zijn voeten wil zien liggen, mits ze de kostbare juwelen maar draagt. Hij kan niet kiezen tussen wat erger is: het verlies van zijn dukaten of het verlies van zijn dochter. Fassbinders personages schelden op de rijke jood, bij Shakespeare is het de jood zelf die het antisemitisme aanwakkert.

Fopneus

De eerste en tevens laatste Koopman van Venetië die ik zag, werd geregisseerd door Franz Marijnen voor het RO Theater, nu tien jaar terug. Ik was onder de indruk van Shylock, vertolkt door Peter Tuinman. Hij lachte klokkend, met de punt van zijn snelle slangetong streek hij over zijn lippen, zette af en toe een fopneus op.

Nadat ik er voor deze krant met lof over schreef, ontving ik boze lezersbrieven. Mijn bewondering was een uiting van antisemitisme. Ik had de acteur moeten veroordelen omdat hij zich inliet met deze rol. "Schande dat het stuk wordt opgevoerd,' stond in een brief, "al is het duizendmaal van Shakespeare.' Het ging er ook over dat het antisemitisme nog lang niet dood is, en dat De Koopman na de Tweede Wereldoorlog "niet meer gespeeld mag worden'. In Canada werd een voorstelling van het stuk een paar jaar geleden verboden.

Ik blijf bij mijn bewondering voor de visie van zowel Franz Marijnen als, eerder, Peter Zadek. Het heeft geen zin het antisemitisme te verdoezelen of weg te denken uit de historie. Het is nog zinlozer opvoeringen als van Het vuil, de stad en de dood en De Koopman onmogelijk te maken.

Bovendien vormen de christenen bij Shakespeare evenmin stichtelijk gezelschap. Hij laat ons een harteloze wereld zien, waarin een jood en een christen onvermurwbaar tegenover elkaar staan.

Ondanks alle verzet is De Koopman van Venetië in het na-oorlogse Nederland een van Shakespeares meest opgevoerde blijspelen. Vooral in de jaren vijftig en begin zestig kreeg het veel vertoningen, tot groot verdriet van Jeanne van Schaik-Willing, die schreef in De Groene Amsterdammer: "Dat we in gala de schouwburg betreden om er naar te kijken en ons verbeelden een culturele daad te verrichten berust op puur snobisme en is in het onderhavige geval van deze tijd smakeloos.'

De regisseurs en acteurs van toen probeerden de opvoering van het stuk te rechtvaardigen door Shylock als een timide, ingetogen en vooral menselijk personage op de planken te brengen, zonder de dreiging die van hem moet uitgaan. Hij werd een schim van zichzelf.

Shylock is de kristallisatie van eeuwenoud antisemitisme. Het portret dat Shakespeare van hem schetst kunnen we nog zo verzachten, we kunnen nog zo zeggen dat De Koopman maar een blijspel is, een sprookje, het werd vanzelf een tragedie.

Het antisemitisme dat spreekt uit De Koopman is maar een aspect. Belangrijker is dat het stuk laat zien tot welke gevaren dit eenzijdige, ongenuanceerde denken kan leiden. Met de ongerijmdheid van de geschiedenis had regisseur Peter Zadek niets van doen, vond hij zelf. Hij heeft, net als de toeschouwers, ermee te maken dat Shylock een mens is die even onmenselijk en boosaardig kan zijn als de mensen met wie hij te maken heeft.

De symbolische betekenis van Shylock is dat Shakespeare in het portret van hem een onrustbarend karakter blootlegt. Daartoe moet hij in zijn volle "extreme wreedheid' voor het voetlicht komen.