Deugdzaamheid op het laagste niveau

Zolang de kans groter is dat de burger op weg naar het stemlokaal wordt overreden door een auto dan dat zijn stem van doorslaggevende betekenis zal zijn, is het voortbestaan van de democratie een teken van opofferingsgezindheid. De calculerende burger die zich in deze situatie afvraagt of hij zijn staatsburgerlijke plichten wel zal nakomen, heeft behoefte aan overtuigender argumenten dan het moreel appel van minister Hirsch Ballin. Op zijn minst verlangt hij een reden waarom hij offers zal brengen voor de maatschappij. Eenvoudig zeggen dat het goed is om "moreel' te zijn, is begging the question.

De kritiek op de calculerende burger die recent vanuit het CDA viel te beluisteren, suggereert ten onrechte dat moraal is onttrokken aan overwegingen van nut, efficiëntie en doelmatigheid. Dat een confessionele partij met deze moraalopvatting komt, verwondert allereerst omdat toch juist het christendom met zijn eschatologische perspectieven aandringt op een calculerende moraal. Het Laatste Oordeel stelt de prijs vast van de deugd. Maar vooral valt er bezwaar te maken tegen de geforceerde manier waarop deze scheiding tot stand wordt gebracht tussen normen en waarden enerzijds en een rationele calculus anderzijds.

In zijn rede over Het Publieke Ongenoegen die op donderdag 24 september in NRC Handelsblad werd afgedrukt, vraagt Hirsch Ballin retorisch: “Is een minister van justitie die de traditionele primaire functies van de strafrechtspleging, zoals normbevestiging en opvoeding, te berde brengt een moralist?'

Hier kent de minister van justitie ten behoeve van zijn morele appel functies toe aan de strafrechtspleging die niet langer als primair worden beschouwd in huidige strafrechtstheorieën. Naast de traditionele vergelding die de rechtsgrond moet bieden voor strafoplegging, is het immers de preventie die tegenwoordig geldt als doel van de rechtspleging. En als de wetgever er van uit gaat dat het strafrecht preventief moet werken, wil dat toch zeggen dat hij zo een appel doet op het calculerende vermogen van de burger, niet slechts op zijn fatsoen? Voor veel economische wetgeving geldt bovendien dat zij niet normbevestigend is maar normstellend, en dat de grenzen die zij oplegt aan het gedrag van de burger op zich gezien moreel neutraal zijn. Een moreel appel zal niet voorkomen dat het voor sommigen, zoals Hirsch Ballin schrijft, “een sport is om minutieus grenzen van het fiscale stelsel te verkennen”.

Waarom zou de burger zich offers getroosten voor de maatschappij? Men kan wijzen op de voordelen van een moreel stelsel en op het belang dat het individu heeft bij het voortbestaan van de rechtsstaat. Maar daarvoor is het nodig om aan de burger een rationele afweging over te laten bij de keuze voor het al dan niet naleven van sociale normen. Ons strafrecht, ook het economisch strafrecht, lijkt van de burger zo'n calculus te verwachten.

Wie zich daarentegen uitspreekt voor de absolute en intrinsieke waarde van morele normen, staat voor de taak om een rechtvaardiging te geven voor het optreden van de overheid in morele aangelegenheden en voor het leggen van morele claims. Een waarlijk zuiver moreel appel vanuit de politiek vereist een ideologische visie op de plaats van de moraal in de samenleving, en dat is meer dan een louter beroep op "het betere ik'. Zo'n beroep lijkt er vooral op gericht om via de consumenten de markt te corrigeren nu marktcorrigerend overheidsbeleid op internationaal niveau uitblijft.

Uit de uitlatingen van CDA-politici over de wenselijkheid van moraal blijkt vooralsnog geen visie op de ethische grondslagen van de staat. Er wordt alleen op het allerlaagste normatieve niveau opgeroepen tot deugdzaamheid. Daarvoor is in feite niet zo veel omslag nodig. Wanneer de burger niet langer calculeert en zich bovendien niet bekommert om het ethisch statuut van de overheid, kan worden volstaan met het moreel appel van de overheid zoals dat ook opklonk in de onlangs uitgezonden documentaire Heavy Petting: "don't do the don'ts and do do the do's!'

    • Marjolein Drenth Von Februar