De echt groten komen zelden vooruit; Patricia de Martelaere over Wittgenstein, Freud en het schrijven van romans

Al op haar achtste voltooide Patricia de Martelaere haar eerste roman, vijf jaar later werd haar eerste boek uitgegeven. Nu is ze hoogleraar wijsgerige antropologie en hedendaagse wijsbegeerte in Brussel, maar ze publiceert nog steeds romans. Binnenkort verschijnt haar nieuwe boek De Staart. Als filosoof is ze een ander mens dan als schrijver. “Als ik een essay schrijf stel ik mij ten doel zo helder mogelijk informatie over te brengen. Maar als romanschrijver bekommer ik mij veel minder om de vraag of ik wel begrepen word, hoe raar dat ook mag klinken.”

Ze schrijft al zolang ze zich kan herinneren, Patricia de Martelaere (35), maar ze heeft het er liever niet over. Op haar achtste voltooide ze haar eerste roman die niemand ooit te lezen kreeg. Op haar dertiende werd Koning der wildernis, haar vijfde roman, gepubliceerd door de Belgische uitgeverij Gaco, die inmiddels failliet is. Zelfs haar ouders wisten er niets van. Totdat ze op een dag de aanbiedingsfolder toegestuurd kreeg.

“En ja, toen moest ik het wel vertellen”, zegt ze. “Ik weet nog goed dat ik achterin de auto zat, onderweg van de muziekschool naar huis en ik zwaaide die folder voor de neus van mijn vader. Kijk, zei ik, er gaat een roman uitgegeven worden van mij. De arme man moest stoppen aan de kant van de weg, in alle staten. Hij was wel gekwetst omdat ik hem niets had laten lezen en er niets van had gezegd, maar ook vreselijk trots.”

Ze kwam op de gedachte om het manuscript op te sturen nadat ze een poëziewedstrijd voor jongeren had gewonnen.

“Ik was heel verbaasd dat ze het wilden uitgeven. Hoe het juridisch heeft gekund, is mij trouwens nog steeds een raadsel. Ik heb niets getekend. Er was geen contract, niets.”

Hoe werd erop gereageerd?

“Achteraf weet ik dat niet meer zo goed. Er was een persvoorstelling, wat meer is dan er met mijn huidige romans gebeurt. Ook zijn er enkele kranteartikelen over verschenen. In een daarvan was sprake van een ”wonderkind'. Daar was ik echt door aangedaan.”

Prettig aangedaan?

“Op een vreemde manier. Wellicht was ik gewoon te jong voor zoiets. Ik was eigenlijk ontgoocheld, omdat het een voor mijn gevoel niets met het ander te maken had, het schrijven en het hele gedoe eromheen. Ik had wat ik wilde, want ik droomde er als meisje van om uitgegeven te worden en schrijfster te zijn, en toch was het nadien of het schrijven er anders van was geworden.”

Bent u er anders door gaan schrijven?

“Nee, dat niet. En ik ben er ook gewoon mee doorgegaan. Tot mijn twintigste heb ik in totaal zo'n tien of vijftien romans geschreven. Wel heb ik er sindsdien meer tegenop gezien. Toch wilde ik wel opnieuw een keer uitgegeven worden, alleen al om te zien of het de tweede keer anders zou zijn. Dat was eigenlijk niet zo. Ik kan nu wel zeggen dat ik er niet zoveel om geef om gelezen te worden, maar dat is toch niet helemaal waar. Stel nu, De Martelaere, zeg ik soms tegen mijzelf, dat niemand op je boeken zou reageren. Dat zou ik niet leuk vinden. Het is ook niet het uitgeven zelf waar ik tegenop zie, maar alles wat erbij komt. Ik beleef er geen plezier aan om deel te nemen aan het literaire leven.”

In de loop van het gesprek deelt ze een paar keer mee dat ze op bepaalde vragen geen antwoord kan geven. “Ik krijg dat van mezelf niet gezegd” of “Dat wil ik absoluut niet gezegd hebben”, zegt ze dan. Soms klinkt het aarzelend, dan weer heel beslist. Ze is wars van uitspraken die de indruk zouden kunnen wekken dat zij weet hoe het ervoor staat met de literatuur, het leven, de wereld, de mensheid. Zij wl ook niet weten hoe het er in het algemeen voorstaat, niet als romanschrijver en ook niet als filosoof.

In die laatste hoedanigheid was ze vorige week in Amsterdam, om er, samen met enkele vakgenoten, het eerste nummer van Filosofie Magazine ten doop te houden, een voor een breed publiek bestemd tijdschrift. Een indrukwekkende rij mensen verdrong zich voor de ingang van De Rode Hoed.

Verbaasde u die toeloop?

“Ja, enorm. Lachwekkend bijna dat al die mensen daar staan aan te schuiven voor een paar filosofen. Het viel me op dat er veel jonge mensen bij waren. Zij hebben een soort hoopvolle belangstelling die, vrees ik, niet helemaal realistisch is. Ze hopen dat ze het eindelijk zullen weten, dat ze van de filosofie het antwoord op kwellende levensvragen krijgen, dat ze iets zullen vinden wat hun ziel raakt. En dat zal niet in dat tijdschrift staan. Maar waar staat dat wel in?”

Uit het leegstromen van de zaal na afloop van de lezingen en vóór de onvermijdelijke forumdiscussie, zou inderdaad afgeleid kunnen worden dat het publiek niet helemaal overtuigd was geraakt van het welslagen van een filosofische coup. Opvallend was de relativerende, vaak zelfs regelrecht verontschuldigende toon die door de gastsprekers werd aangeslagen. “Bestaat de filosofie eigenlijk wel?” vroeg de Leuvense hoogleraar Samuel IJsseling zich bijvoorbeeld af. Gematigd optimisme klonk nog wel door in de inleiding van Roeland Dobbelaer, hoofdredacteur van Filosofie Magazine. Hij sprak over de belangrijke bijdrage die door filosofen geleverd zou kunnen worden aan het algemene, culturele leven en aan de journalistiek. Ook Ger Groot, filofieredacteur van Trouw, zag een mooie taak weggelegd voor de filosoof. Zo zou hij behulpzaam kunnen zijn bij het ontzenuwen van complottheorieën, die het maatschappelijke debat maar al te vaak zouden verduisteren en bezoedelen. Dat de besluitvaardigheid er niet op vooruit zou gaan, leek hem geen al te groot probleem. De filosoof moet er nu eenmaal steeds weer op wijzen hoe fragiel ons denken is en hoeveel beter het is om de gulden middenweg te bewandelen dan een voorbarig besluit te nemen.

Maar de meest relativerende en trouwens ook mooiste en monterste voordracht was van Patricia de Martelaere, hoogleraar wijsgerige antropologie en hedendaagse wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit van Brussel. “Twintig eeuwen filosoferen”, zo hield zij de toegestroomde menigte voor, “en we weten nog niet of kennis mogelijk is, wat rechtvaardigheid nu eigenlijk inhoudt, of de mens, naast een lichaam, ook nog een geest (laat staan een ziel) heeft en - tot overmaat van ramp - of de werkelijkheid buiten ons wel echt bestaat.” Met deze grappige, maar ook wat onhutsende opsomming speelde zij de sceptici in de kaart, de mensen die menen dat het allemaal maar flauwekul is waar die filosofen zich mee bezighouden. In zekere zin gaf ze hen nog gelijk ook, want, zo betoogde zij, wie zegt dat het leven problematisch is? Waarom zou je je moeten afvragen waarom je leeft, waarom de dingen zijn zoals ze zijn en of er iets is of juist niets? Haar slotsom was dan ook dat de filosofie niet voor iedereen even geschikt is.

Zelf amuseert ze zich volop, zo vertelt ze naderhand in de Goethe-kamer van hotel De Filosoof, met gedetailleerde academische kwesties.

“Ik weet wel dat niemand wat heeft aan zulke artikelen. Het is zoals een verzamelaar zich kan verheugen in die ene postzegel. Het is onbelangrijk, maar je zit er goed in omdat het je vak is, nietwaar.”

Vindt u het echt onbelangrijk?

“Voor mijzelf natuurlijk niet. Ik kan mij er gepassioneerd mee bezighouden, maar ik ben mij bewust van de futiliteit ervan voor buitenstaanders. Een filosoof zonder zin voor relativering, zoals Kant, hoe groot hij ook mag zijn als denker, is voor mij onverdragelijk, niet te lezen. Het is het allerergste wat er is. Droog Duits proza, geen enkel adjectief, geen grapje. Ik heb dat bij niemand anders aangetroffen. Niet bij Plato of Hegel, of bij wie ook, ook al is het soms alleen in de voetnoten.”

Bent u het met Wittgenstein eens dat filosofie geen wetenschap is?

“Ja, maar er is geen diepe kloof tussen beide. Ik geloof dat filosofie zich op een andere manier met de werkelijkheid bezighoudt dan de wetenschap. Niets is met zekerheid te weten, ook niet in de wetenschap trouwens. Het blijft altijd mogelijk dat de echte werkelijkheid van een totaal andere aard is dan wij denken. We kunnen er in alles wat we menen te weten naast zitten.”

Maar wat is filosofie wel als het geen wetenschap is?

“Iets tussen wetenschap en onzin in. De wetenschap is filosofischer van aard dan ze op het eerste gezicht lijkt. Kan de wetenschappelijke onderzoeker wel objectief zijn, kan hij zekerheid bereiken? In die zin is wetenschap filosofie. Maar helemaal onzinnig is de filosofie niet. Het heeft iets van science fiction, maar dan letterlijk. Wetenschap en fictie tegelijk. Fantastische voorstellingen waarvan buitenstaanders denken dat het kant noch wal raakt. Maar het is leuk om iets te bedenken en je weet maar nooit of het klopt.”

U schreef een inleiding bij een nieuwe vertaling van Wittgensteins Losse opmerkingen. Ziet u veel in hem?

“Ik ziet wel iets in hem, ja, maar een echte favoriet is hij niet. Op de een of andere manier ben ik nooit reserveloos genoeg om welke filosoof dan ook volledig te kunnen omarmen. Soms vind ik Wittgenstein onbegrijpelijk en belachelijk en irrelevant en triviaal. Dat heb ik ook met Schopenhauer, Nietzsche, Freud, letterlijk met iedereen. Wittgenstein is bewonderenswaardig in het hardnekkig volgen van zijn eigen gedachten, ook al ze nergens toe leiden. Steeds weer stelt hij zich dezelfde vragen zonder een stap verder te komen. De echt groten komen zelden vooruit.”

Hoe verklaart u zijn populariteit?

“Net als Nietzsche, die ook erg aantrekkelijk wordt gevonden, is hij een half mislukte filosoof omdat hij geen sluitend systeem van de grond kon krijgen. En tegelijkertijd ligt juist in dat mislukken, in dat fragmentarische, hun kracht. Nietzsche en Wittgenstein zijn geduchte leveranciers van bruikbare aforismen. Je kunt ze boven je bed hangen. ”Die Welt ist in alle Ewigkeit Chaos' of ”Waarover men niet spreken kan moet men zwijgen'. Ik denk dat het niet veel meer is dan dat. Daar komt dan nog de cultus van de persoon bij. Nietzsche had zijn krankzinnigheid en Wittgenstein werd als een tweede Christus gezien, omdat hij zijn bezittingen wegschonk. Dat maakt mij kregelig. Voor mij heeft dat wegschenken meer iets van een luxueuze dan van een nobele geste. Wittgenstein deed wat hij niet kon laten. Om zulke redenen moet je mensen niet bewonderen. Op die manier is iedereen heilig.”

In uw lezing rekende u Freud, samen met Marx en Lévi-Strauss tot de praktische filosofen. Hoe verhoudt zich in het geval van Freud de psychologie tot de filosofie?

“Het is een ongehoorde suggestie die hij doet, dat het merendeel van wat ons bezighoudt onbewust is. Als het waar zou zijn, dan betekent dat dat de mens zijn leven niet kan controleren en misschien wel heel andere dingen doet dan hij denkt te doen. Het meest interessant vind ik Freuds theorie over het doodsinstinct in ”Jenseits des Lustprinzips'. Hij ontvouwt daarin een heel pessimistische visie, die erop neerkomt dat het menselijk leven een heel lange uitgestelde omweg is naar de al vanaf het allereerste begin gewenste dood. Dat roept allerlei vragen op. Hoe moet je een kind opvoeden dat kleiner zou willen worden in plaats van groter, hoe zit het met menselijke ambities en idealen en hoe moet je zoiets als de psychoanalyse begrijpen? Die wil mensen genezen, vooruithelpen en levenslust doen krijgen. Maar tegen de achtergrond van dit doodsinstinct is dat eigenlijk paradoxaal en futiel. De mens leeft in deze visie ondanks zichzelf. Maar misschien is het niet waar.”

Brengt u zelf, al of niet bewust, filosofisch gedachtengoed onder in uw romans?

“Ik weet natuurlijk niet of er ongemerkt toch iets binnensluipt, maar ik ben vrijwel zeker van niet. Literatuur en filosofie staan voor mij los van elkaar. Ik schrijf geen ideeënromans.”

Bent u als filosoof een ander mens dan als schrijver?

..Ja, ik kan daar verder niets diepzinnigs over zeggen, behalve dat het iets met communicatie te maken heeft. Als ik een essay schrijf ben ik mij ervan bewust dat het gelezen wordt en stel ik mij ten doel zo helder en zo interessant mogelijk informatie over te brengen. Maar als romanschrijver bekommer ik mij niet of veel minder om de vraag of ik wel begrepen word, hoe raar dat ook mag klinken.''

De Martelaere schrijft tegen wil en dank. Het liefst zou zij haar romans in Amerika uitgegeven hebben, zodat ze ongestoord een dubbelleven als wetenschapper en schrijver zou kunnen leiden.

In 1988 werd haar in Nederland onopgemerkt gebleven roman Nachtboek van een slapeloze gepubliceerd, waarvoor ze de Vlaamse debuutprijs ontving, hoewel het boek niet haar echte debuut was. Achteraf karakteriseert zij Nachtboek als ”jeugdwerk'. Het tevredenst is ze nog steeds over De schilder en zijn model, dat een jaar later verscheen. Deze roman ziet er wat eigenaardig uit, omdat hij voor tweederde uit zeer bondige dialogen bestaat tussen een vrouw en haar minnaar en voor het resterende derde gedeelte uit eveneens bondige gedachten en overwegingen. De vrouw wordt in gelijke mate door de man aangetrokken en afgestoten, want geeft ze toe aan haar passie, dan heeft ze hem weliswaar maar raakt ze de wereld kwijt. “De keuze is tussen hem en de wereld”, overweegt ze. “De wereld, vol kleuren, geuren, smaken, geluiden en genietingen.” Bovendien weet ze dat ze niet alleen de wereld maar uiteindelijk ook hèm zal verliezen, als ze voor hem kiest. Wat De Martelaere hier oproept is de onmogelijkheid van de hartstocht. “Als een koude hand sloot zich de cirkelloop van de begeerte: de wetenschap dat niets volstond, en dat er desondanks geen houden was aan het begeren.”

Haar romans worden somber gevonden, omdat ze ongelukkig aflopen, geen antwoord geven op allerlei vragen, en misschien wel inzicht verschaffen in het leven, maar er zeker geen uitweg uit bieden. Ook in Littekens (1990) geeft ze weinig hoop. De twee jonge volwassenen die er de hoofdrollen in vervullen, slepen de beschadigingen opgedaan in hun jeugd op fatale wijze met zich mee. Littekens is veel ”gewoner' van stijl en opbouw dan zijn voorganger, en vond waarschijnlijk mede om die reden meer weerklank. Ook werd hij genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. Op miraculeuze wijze wist ze bij die gelegenheid buiten de publiciteit te blijven.

Hoe hebt u dat klaargespeeld?

“Ze stonden met een camera klaar om alle genomineerden te filmen en toen ben ik heel stilletjes door een andere deur naar binnen gegaan. Toen wilden ze me later alsnog komen interviewen, maar daar ben ik niet op ingegaan. Ik was er, maar de camera heeft mij gemist en ik ben dus niet op de televisie te zien geweest. Ik heb gewoon gewacht tot het gedaan was en ben toen weer naar huis gegaan.

“Wat mij die avond gestoord heeft, is dat mij werd verteld dat Littekens zoveel gelezen werd door middelbare scholieren. Waarschijnlijk is dat zo omdat adolescenten zich kunnen herkennen in de problemen van de hoofdpersonen. Het was bedoeld als compliment, maar wat weten scholieren van literaire kwaliteit? Ik heb mij toen voorgenomen nu eens een heel onleesbaar boek te gaan schrijven, waarmee niemand zich zou kunnen identificeren.”

Geldt dat voor uw nieuwe roman, De staart?

“Nee, dat denk ik niet. Ik ben dat voornemen later weer vergeten. Al zou ik, mocht iemand mij daarnaar vragen, niet weten waar hij over gaat. Over alles wat er instaat, denk ik. Het klinkt zo stom om te zeggen dat het gaat over de kwetsbaarheid van menselijke gevoelens of over de angst voor het verlies van iets. Als ik dàt had willen zeggen, dan had ik het wel gezegd. Het gaat eigenlijk over regen die op een tentdoek valt en op een paraplu. Ja, het gaat om de regen die zo absoluut op het tentdoek moest tokkelen. Er wordt heel wat afgeregend in deze roman op veel verschillende plaatsen. En dan natuurlijk de honden. De hele roman hangt van regen en honden aaneen. Bij het schrijven heb ik moeten denken aan de fuga's van Bach. Die kun je ook niet samenvatten. Ik zou hem moeten opzeggen, of voorzingen, of zoiets.”

Literatuur als muziek?

“De essentie van taal lijkt overdracht van betekenissen te zijn, informeren, meedelen. Maar misschien zijn er ook bepaalde vormen van literatuur mogelijk waarin de taal anders wordt gebruikt. Zodat het geen kwestie meer is van zeggen, maar van iets tonen, of iets laten horen, zoals muziek. Het roept iets op dat je niet precies kunt benoemen, maar je kunt het niet als communicatie bestempelen. Ik doe dat althans niet.”

Gaat het schrijven u gemakkelijk af?

“Ik ben geobsedeerd door woorden, altijd en overal, maar schrijven doe ik veel minder dan vroeger. Zo weinig mogelijk zelfs. Om de twee of drie jaar krijg ik een grandioze ingeving. Bijna onmiddellijk staat mij daarbij een totaalbeeld voor ogen. Daar blijf ik lang mee rondlopen, totdat ik precies weet hoe ik het ga aanpakken. Ik ga niet zomaar wat krabbelen, maar ik ga pas schrijven als het eigenlijk al af is, als ik weet hoe het begint, vervolgt en eindigt en hoe de stijl zal zijn. Na twee of drie maanden is de roman klaar. Ik weet dus van te voren hoe het moet, maar dat wil niet zeggen dat het vanzelf gaat. Pas als ik over de helft ben, begin ik er een beetje plezier in te krijgen. In het begin moet ik mijzelf streng toespreken. Vooruit, De Martelaere, twee bladzijden per dag! En op het eind van die tweede bladzijde stop ik, al is het middenin een zin.”

Stelt het resultaat u tevreden?

“Voor mij ligt de enige voldoening erin dat ik schrijf zoals ik wil. Ik ben absoluut zeker dat het zó moet en niet anders. In het schrijven ben ik door niets van mijn stuk te brengen.”

    • Janet Luis