Chinese wapenindustrie troeft concurrentie af met gevarieerd aanbod; Westerse toeleveranciers profiteren mee op markt van goedkoop wapentuig

ROTTERDAM, 2 OKT. Net als veel andere landen die wapens naar de Derde wereld exporteren, heeft ook China de uitvoer van de defensie-industrie in 1991 aanzienlijk zien dalen. In 1990 werd nog voor meer dan twee miljard dollar aan materieel uitgevoerd, een jaar later bedroeg de export volgens een onderzoek van het Amerikaanse Congres nog slechts 300 miljoen dollar.

Maar in tegenstelling tot andere leveranciers die bijna uitsluitend aan de Derde wereld leveren, lijkt de Chinese wapenindustrie de huidige malaise te boven te kunnen komen. Terwijl bijvoorbeeld de Tsjechoslowaakse wapenindustrie te lijden heeft onder een beperkt aanbod - bijna uitsluitend tanks - en de Braziliaanse defensie-ondernemingen verkeerd gegokt lijken te hebben op een te eenzijdige markt - Irak -, ontplooien de Chinese exporteurs activiteiten op uiteenlopende markten. Uit de diversiteit van de aangeboden produkten blijkt daarnaast, dat de Chinese ondernemingen op de variërende vraag kunnen inspelen.

Vóór 1980 bestond in China niet zoiets als een defensie-industrie in die zin dat transacties met het buitenland werden aangegaan. Chinese wapens vonden weliswaar hun weg naar landen zoals Albanië en Noord-Korea, maar dat was hoofdzakelijk export in het kader van hulpprogramma's.

Begin jaren tachtig werden alle staatsarsenalen en militaire werkplaatsen georganiseerd in elf grote defensie-ondernemingen. Deze ondernemingen hebben ieder apart de verantwoordelijkheid voor een segment van de defensiemarkt. De China Precision Machinery Import and Export Corporation (CPMIEC) bijvoorbeeld ontwikkelt en verkoopt raketten in alle soorten en maten. China Electronics Import and Export Corporation (CEIEC) levert radar- en communicatie-apparatuur en de China North Industries Corporation (NORINCO) produceert vooral artillerie en tanks. Eén bedrijf - Polytech, een dochter van de staatshandelsonderneming CITIC - kreeg de verantwoordelijkheid voor de export van het surplus aan materieel, dat ontstond door de inkrimping van de strijdkrachten. Elke onderneming ressorteert onder een ministerie en door de duidelijke taakverdeling ontbreekt de binnenlandse concurrentie, maar de verzuiling is niet compleet: winsten van Polytech kunnen bijvoorbeeld ook ontwikkelingskosten van CPMIEC dekken.

Daarnaast hebben deze bedrijven ook belangen in de civiele sector. Zo exploiteert NORINCO vierhonderd niet-militaire maatschappijtjes in de provincie die grenst aan Hongkong. Ook de kernreactoren die onlangs werden aangeboden aan Egypte en Iran, hebben weliswaar niet direkt een militaire toepassing, de opbrengst komt wel ten goede aan de China Nuclear Energy Industry Corporation. Dit bedrijf ontwikkelt ook kernwapens. Een tijdelijke malaise in de defensiesector kan op die manier worden opgevangen door de winst van de verkoop van civiele produkten.

De oprichting van deze wapenindustrie had in de eerste plaats tot doel de volslagen verouderde uitrusting van de verschillende Chinese strijdmachtonderdelen te moderniseren. Het meeste materieel stamde nog van voor de breuk met de Sovjet-Unie aan het begin van de jaren zestig. De benodigde technologie wordt grotendeels van westerse landen betrokken. De 'hi-tech' wordt gedeeltelijk gewoon gekocht in het westen, maar komt ook via joint-ventures van de Chinese staatsbedrijven met Westerse ondernemingen het land binnen. Een ander deel is op clandestiene manier verkregen en wordt via 'reverse engineering' in veelvoud nagemaakt.

Veel westerse militaire bedrijven zien in de samenwerking een mogelijkheid om toegang te krijgen tot de markt voor goedkoop wapentuig. De in Europa en de Verenigde Staten geproduceerde wapens zijn doorgaans veel te duur voor Derde-wereld-landen. Het Franse Aerospatiale verkocht bijvoorbeeld de licentierechten voor de bouw van Dauphin-helikopters aan het Chinese Harbin Aircraft Manunfacturing Corporation. De helikopters zijn nu in gebruik bij de Chinese marine en onlangs is ook een aantal aan Thailand geleverd. De Thaise order was hoogstwaarschijnlijk niet bij Aerospatiale zelf geplaatst. Het Amerikaanse bedrijf Garret levert straalmotoren voor een nieuw trainingsvliegtuig waarvan ook Pakistan er 75 stuks zal ontvangen. Het Britse Rolls-Royce en het Russische Klimov dingen naar de order voor nieuwe motoren voor het Chinese F-7 gevechtsvliegtuig dat zelf weer een kopie is van de Sovjet-MiG-21. De F-7 is in een eenvoudiger versie naar Iran en Pakistan uitgevoerd.

Ook via schimmiger wegen komt westerse technologie het land binnen. De recente commotie over de transfer van Patriot-technologie van Israel naar China was waarschijnlijk ongefundeerd, maar een groot aantal Chinese tanks is wel uitgerust met het in Israel in licentie gebouwde Britse L-7 tankkanon. De Israelische Python-3, een op de Amerikaanse Sidewinder gebaseerde lucht-lucht-raket, wordt door CPMIEC als PL-9 in de verkoop aangeboden. En de technologische kennis die is opgedaan bij de ontwikkeling van het mede door de Verenigde Staten gefinancierde Israelische Lavi-gevechtsvliegtuig, is verkocht aan China. Ook Pakistan is een bron van vooral Franse 'know how' die clandestien wordt overgedragen.

De Chinese verkoopsuccessen in de tweede helft van de jaren tachtig waren vooral te danken aan de grote vraag uit Irak en Iran. Oude Russische tanks en Chinese kopieën daarvan werden met ander wapentuig in grote hoeveelheden naar het Midden-Oosten verscheept. Volgens het Chinese ministerie van buitenlandse zaken kostte het VN-embargo van Irak de Chinese industrie alleen al in 1991 2 miljard dollar.

De vraag in de Derde wereld naar deze oudere systemen is nu ingezakt. Meer geavanceerde wapens zijn daarentegen nog wel in trek. Met de hulp van de westerse technologie heeft de Chinese wapenindustrie zich inmiddels een goede concurrentiepositie weten te verschaffen. De 'full-colour'-prospectussen van NORINCO en CPMIEC staan vol geavanceerde geleide wapens, communicatie-apparatuur en andere moderne systemen. Een groot deel daarvan lijkt opvallend veel op westerse modellen. Er is zelfs al een luchtdoelraket op de markt gebracht met dezelfde technische karakteristieken als de Patriot.

China heeft een naam te verliezen op het gebied van de ballistische raketten. Syrië en Iran ontvingen al middellange-afstandsraketten van het type M-9 en M-11. Dit leidde tot Amerikaanse diplomatieke interventie, maar die schijnt tot op heden niet veel te hebben uitgehaald. En begin jaren tachtig leverde China voor vele miljarden dollars een klein aantal intercontinentale raketten aan Saoedie-Arabië.

De nieuwe Chinese verkoopstrategie werpt vruchten af. Thailand heeft fregatten gekocht, Iran plaatste onlangs nog een grote defensie-order en ook Pakistan is nog steeds een grote afnemer. En de verkoop van nieuwe militair materieel is niet de enige bron van inkomsten. Iran sloot kort geleden een overeenkomst met de Chinezen voor het onderhoud van de Iraakse toestellen die tijdens de laatste Golfoorlog een veilig heenkomen zochten. Maar ook de militaire samenwerking met landen in Azië neemt toe.

Het exportbeleid van de Chinese regering heeft in het verleden geleid tot politieke aanvaringen met vooral de Verenigde Staten. Pas begin dit jaar tekende China het Non-proliferatieverdrag.

Regeringen die om politieke redenen niet bij westerse wapenexporteurs konden aankloppen, wendden zich vaak tot de Chinese defensie-industrie en konden daar meestal wel hun orders plaatsen.

Onlangs werd bekend dat de Chinese industrie meer zeggenschap zal krijgen over het te voeren bedrijfseconomisch beleid, zonder dat daarvoor verantwoording hoeft te worden afgelegd aan de Chinese regering. Te verwachten valt dat de Chinese wapenindustrie door het verminderen van de exportbeperkingen en door de sterkere concurrentiepositie in de toekomst een groter marktaandeel voor zich zal opeisen dan nu het geval is.

    • Menno Steketee