Bomen in Haagse paleistuin zonder vergunning gekapt

DEN HAAG, 2 OKT. Weliswaar verkeerde de 150 jaar oude binnentuin van het paleis aan het Lange Voorhout al jaren in een staat van verregaande verwildering, maar de magnolia en de seringen stonden er elk jaar in volle bloei en de coniferen reikten tot aan de daken van de huizen.

Nu is er niets meer van over. Op een vroege septembermorgen reden helse zaag- en houtmaalmachines via het tegenover het paleisje gelegen koetshuis de tuin in en maakten korte metten met alles wat er groeide en bloeide. In plaats van het groen verschenen grote betonnen tegels en grind. Omwonenden van de tuin, die omringd is door gebouwen, reageerden geschokt. Er was geen kapvergunning afgegeven, constateerden zij. Zij dienden een klacht in bij de gemeentelijke boswachterij. Deze stelt nu een onderzoek in door middel van getuigenverhoren en een buurtonderzoek. Wie de opdracht tot kappen heeft gegeven is nog niet duidelijk, maar volgens een woordvoerder van de afdeling dienst stadsbeheer is er op zijn minst “een zware overtreding” begaan. “Het lijkt erop dat het uitloopt op een proces-verbaal”.

“De bomen waren ten minste vijftig jaar oud”, zegt omwonende A. Polder. “Drie seringenbomen, een hele grote magnoliaboom die elk voorjaar prachtig bloeide en een aantal huizenhoge coniferen zijn verwijderd. Op 18 september, 's ochtends om zeven uur, kwamen de kapmachines de tuin in, om half acht begon men met zagen en tegen acht uur was alles weggekapt en vermalen. Verder zijn veel rhodondendrons weggehaald, maar dat zijn struiken en daar heb je geen vergunning voor nodig.”

De buren wijzen beschuldigend naar het Haagse Gemeentemuseum, waarvan directeur Rudi Fuchs uitgerekend op de dag dat de bomen tot zaagsel werden vermalen, in een interview in NRC Handelsblad verklaarde: “Vernieuwing laat vaak enorme sporen van vernieling na”. Het paleis gaat op 27 oktober open als dependance van het museum, dat de tuin wil inrichten als beeldentuin en ontvangstgelegenheid. Vroeger hoorden het paleis, het koetshuis aan het Smidswater en de tuin ertussen aan prinses Juliana. Maar het Koninklijk Huis verkocht het paleis en het grootste deel van de tuin aan de gemeente, en het koetshuis en de rest van de tuin aan Link Kunstpromotie die er de Contemporary Art Company in wil vestigen, een kunstuitleenbedrijf. Voorwaarde bij de verkoop was dat de tuin niet in twee afzonderlijke delen mocht worden gescheiden, maar één geheel zou blijven.

Gewoonlijk moet voor elke boom die gekapt wordt een kapvergunning worden aangevraagd. Daarbij moet worden opgegeven om wat voor bomen het gaat en wat de reden is dat men wil kappen. De omwonenden moeten vervolgens in kennis worden gesteld en in de gelegenheid worden gesteld bezwaar aan te tekenen. Dat alles zou niet zijn gebeurd. Het is, zegt Polder, vooral “de arrogantie” waarmee een en ander over hun hoofden is geregeld die de buren dwars zit. De bomen krijgen zij met hun actie uiteraard niet terug.

Het museum verwijst naar projectleider van het koetshuis. Deze vindt de klachten wat overdreven. Volgens hem wordt gewerkt aan een “moderne versie” van de oude tuin. Van bomen was volgens hem eigenlijk nauwelijks sprake. De coniferen mochten dan wat uit de kluiten gewassen zijn, het bleven gewone tuingewassen die iedere particulier naar believen in zijn voortuin kan planten of eruit verwijderen. De buren, vindt hij, mogen blij zijn dat er een open tuin komt en er geen muur wordt opgetrokken tussen de twee eigendommen. Bovendien, aldus de projectleider, “hebben wij niet meer gedaan dan het naleven van de monumentenvergunning. Die verplichtte ons de overwoekeringen te verwijderen. De activiteiten in de tuin worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente Den Haag. Er was ten minste tien jaar niets aan de tuin gedaan en alles was totaal overwoekerd. De klimop zat drie verdiepingen hoog. De gemeente heeft opdracht gegeven de tuin weer te fatsoeneren. In het kader van die vergunning moesten struiken en bomen verwijderd worden. We planten nu overigens goede bomen in de tuin, leilinden die in één richting worden geleid.”

    • Gerda Telgenhof