Bibliografie over Neerlandistiek tijdens bezetting gepresenteerd; Indeling "goed' of "fout' niet zo makkelijk

Het naslagwerk Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap 1940-1945 werd gisteren in Den Haag gepresenteerd. Ook is er een kleine begeleidende expositie in het Nederlands Letterkundig Museum: "Tussen volk en vaderland'.

Kultuur met een "k' is meer dan een stylistische voorkeur. Althans, tijdens de Tweede Wereldoorlog toen uit de "k' affiniteit met de nationaal-socialistische cultuurpolitiek sprak. De discussie over de typisch "germaanse spelling' is slechts een van de kwesties waar taalkundigen zich over bogen tijdens de bezetting, zo blijkt uit de gisteren gepresenteerde Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap 1940-1945.

Vijf jaar lang werkten medewerkers van het Bureau voor de Bibliografie van de Neerlandistiek aan de ontsluiting van deze periode in de Neerlandistiek. Bladerend door het omvangrijke naslagwerk valt behalve de taalkundige belangstelling voor het germaanse ook grote interesse op voor volks- en sibbekunde. In de literatuurwetenschap speelde de strijd tegen de "ontaarde' letteren en werden literaire helden ingelijfd bij de eigen ideologie, zoals blijkt uit de titel Nicolaas Beets: Nationaal Socialist.

Schrijvers die minder sympathie koesterden voor de Duitse bezetter vluchtten in het verleden. Het oude toneel was bijzonder populair onder letterkundigen, evenals de vaderlandse grootheden. De bibliografie noemt alleen al tweehonderd secundaire publikaties over Vondel. Over historische thema's kon legaal geschreven worden. Politiek geladen Geuzengedichten als "Rebel, mijn hart' moesten daarentegen clandestien gedrukt worden.

Bij het samenstellen van de bibliografie stuitten de onderzoekers op een aantal voor deze periode specifieke problemen. “Met name het vaststellen van de identiteit van de auteurs, die vaak anoniem of onder pseudoniem schreven, was moeilijk”, aldus redactrice M.S. Geesink. “Ook auteurs die alleen met initialen ondertekenden, hebben we waar mogelijk achterhaald. In ongeveer tachtig procent van de gevallen is dat gelukt.”

Een andere complicatie was dat veel geschriften geantedateerd zijn. “Op deze manier konden auteurs doen alsof hun werk was gepubliceerd vóór de oprichting van de kultuurkamer”, verduidelijkt J.J. Kelder, een van de medewerkers van het naslagwerk. “Zo verscheen Een eeuw Nederlandse letteren van de neerlandicus Garmt Stuiveling met op de titelpagina het jaartal 1941. Maar uit de kasboeken van zijn uitgever Querido valt op te maken dat het boek pas in 1943 klaar was.”

Het kasboek van Querido is te zien op de kleine tentoonstelling "Tussen volk en vaderland', die tot 29 november is te bezichtigen in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te Den Haag. De expositie toont verder een vijftigtal legaal en illegaal verschenen boeken, tijdschriften en recensies.

Opvallend is de vitrine die gewijd is aan de ex-communist Jef Last, een van de eerste Nederlandse auteurs die in het verzet ging. Toch verscheen er ook bovengronds werk van zijn hand. Zijn in 1942 gepubliceerde roman Leeghwater maalt de meeren leeg werd zelfs lovend ontvangen door nationaal-socialistische critici. Het werd geprezen om het "germaanse karakter' van dit werk. Maar toen de Duitsers er niet lang daarna achter kwamen dat hij schreef voor het illegale blad De vonk, werd Last door zijn voormalige bewonderaars doodgezwegen.

Dat hetzelfde werk in zowel illegale als nationaal-socialistische bladen juichend kon worden ontvangen, blijkt ook uit de besprekingen van het toneeldebuut van Hella Haasse. Zij schitterde in de zomer van 1943 als Mariken van Nieumeghen. In zijn lovende recensie in het collaborerende tijdschrift De Waag zag toneelcriticus Max Wolters in de Mariken “aanleiding tot een diepere bezinning op het volkseigene”. Het clandestiene tijdschrift Groei wijst op de “eigenpersoonlijke inleving van de jonge toneelspeelster en dichteres Hella Haasse”.

Zoals de legale en illegale pers zich unaniem lovend konden uitlaten over een en hetzelfde toneelstuk, was het omgekeerd mogelijk dat nationaal-socialistische critici onderling diepgaand van mening verschilden over een schrijver als Multatuli. In De Nieuwe Gids noemde de NSDAP'er Alfred Haighton hem een “ontaard volksgenoot, die den Germaanschen Stam, waaraan hij ontsproot, te schande maakte door zijn wangedrag”. Daarentegen beschouwde de invloedrijke secretaris-generaal van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten, Tobi Goedewaagen, Multatuli weliswaar als een tegenstander, maar “een tegenstander die men achten kan”. Max Wolters zag in de schrijver zelfs “een van onze eerste conferenciers” en pleitte voor het organiseren van een “heelen avond” Multatuli-cabaret.

“Zo zie je, hoe subtiel je te werk moet gaan bij het beoordelen van de neerlandistiek tijdens de Tweede Wereldoorlog”, aldus Kelder. “Je kunt niet zo gemakkelijk de indeling naar "goed' en "fout' maken. De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels, bijvoorbeeld, werd geannexeerd door de nationaal-socialisten, terwijl hij beslist geen voortrekker van deze beweging was. Het is zelfs voorgekomen dat gedichten van Henriëtte Roland Holst zonder haar toestemming werden gepubliceerd in nationaal-socialistische tijdschriften.”

Met het verschijnen van dit achttiende deel van de Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap is nader onderzoek en eventuele nuancering van de Nederlandse taal- en letterkunde in de bezettingstijd in ieder geval overzichtelijker geworden.

    • Birgit Donker