Acht draaiende lichtzuilen; Een half jaar uit het leven van decorontwerper Paul Gallis

De meeste toneelcritici zien volgens theaterontwerper Paul Gallis niet wat een decor voor een voorstelling betekent. Maar een goed decor voegt iets toe aan de tekst, vindt hij. Gallis ontwierp de decors voor de Koopman van Venetië, dat vanaf 8 oktober bij het Nationale Toneel in Den Haag is te zien. Regisseur is Ger Thijs met wie Gallis eerder zes keer samenwerkte. Een keer, in 1987, ging het mis en kregen zij een ernstig meningsverschil over de decors voor Schnitzlers Het wijde land. Paul Hellmann volgde Gallis de afgelopen maanden. “Bij onze tweede ontmoeting verkeert Paul Gallis in mineurstemming. Hij vertelt dat de geschiedenis zich voor een deel heeft herhaald.”

13 april

Als Paul Gallis de balans opmaakt van de afgelopen maanden, wordt hem duidelijk waarom hij zich deze lentedag zo moe voelt. Het was een druk seizoen: hij maakte de decors voor Roberto Zucco van Bernard Maria Koltès, Volmaakt Ongeluk van Peter Handke en Ibsens Als wij doden ontwaken, maar ook voor Vastgoed B.V. (David Mamet) en het Mauricio Kagel-tweeluik Het mondeling verraad en Variété. Verder was er een half jaar geleden Sophocles' Philoctetis. Daarnaast verzorgde hij in Hamburg de vormgeving van Tsjechovs De Meeuw en reisde hij, tussen alles door, nu en dan naar Nice voor Mozarts opera Le Nozze di Figaro. Zo komt Gallis op acht voorstellingen, zelfs voor een produktief man als hij een hoge score.

Gelukkig verliep alles grotendeels naar wens. De enige uitzondering vormde het stuk van Handke, waarvoor hij een decor maakte dat het publiek nooit heeft kunnen zien. “Twee dagen voor de première kreeg de jonge, nog onervaren regisseur een andere kijk op de zaak. "Ik geloof dat je ontwerp toch niet goed is', zei hij opeens. Daar sta je dan - het was te laat om nog veranderingen aan te brengen, zodat besloten werd in godsnaam maar zonder decor te spelen. Dat is een fait accompli, aan zo'n beslissing heeft een vormgever geen deel. Iets vreselijkers kan in dit vak niet gebeuren.”

De rest van het jaar kreeg Gallis de vrije hand. Voldoening gaf vooral zijn opdracht in Nice, waar hij de mogelijkheden van één bepaald theater optimaal kon benutten: “Voor een Nederlander die rekening heeft te houden met omstandigheden tijdens tournees, is dat een bijzondere luxe.” De andere zes voorstellingen maakte hij voor Toneelgroep Amsterdam, waaraan hij sinds de oprichting in 1987 is verbonden. “Dat eerste jaar was verschrikkelijk. De voorstellingen waren rot, de kranten reageerden negatief en het publiek bleef weg. Maar sindsdien zijn de moeilijkheden overwonnen. We vormen hier nu een hecht team van mensen die elkaar met een half woord begrijpen en onderling van mening durven verschillen. Hier voel ik me op mijn plaats, deze toneelgroep is mijn huis.”

In de Amsterdamse Stadsschouwburg heeft Paul Gallis (49) deze dag zijn intrek genomen in een vergaderkamer, die hij als lid van de artistieke leiding van het gezelschap goed kent. “Zittend achter deze glazen tafel stellen we het repertoire samen. Tijdens die bijeenkomsten maak ik, misschien wat zachtjes, mijn voorkeuren kenbaar en als ik dan mijn zin niet krijg zit ik soms te mokken. Toch kies ik niet in de eerste plaats voor stukken, maar voor mensen: wanneer iemand als regisseur mij aanspreekt, moet het wel gek lopen als ik het met zijn ideeën niet eens ben. Bovendien weet ik dat hij als het erop aankomt de baas is. Ook een door God gezonden ontwerper moet met de regisseur tot overeensteming zien te komen. Pas dan ontstaat een vorm van samenwerking die tot meer leidt dan een compromis.”

Gallis gelooft dat dit het geval is nu hij, als gast bij het Nationale Toneel, opnieuw zijn krachten meet met die van Ger Thijs. Na enige aarzeling ging hij in op het verzoek de decors te ontwerpen voor zijn enscenering van Shakespeares De Koopman van Venetië, die met ingang van 8 oktober in Den Haag is te zien. Samen hadden zij in het verleden vijf keer bevredigende resultaten geboekt, maar de zesde maal ging het mis: in de slotfase van de voorbereidingen voor Schnitzlers Het wijde land kwam het begin 1987 bij het Publiekstheater tot een ernstig meningsverschil. Gallis: “Tijdens de repetities hadden we al onenigheid gehad omdat Thijs, zoekend naar de juiste aanpak, onzeker was over het decor. Daarop zei hij vlak voor de première dat het, bij nader inzien, toch maar beter was als het toneel in het eerste en vijfde bedrijf leeg bleef. Na alle afspraken die we de weken ervoor hadden gemaakt, wist ik niet wat me overkwam. Ik weigerde dan ook voor deze oplossing te tekenen: zonder met de deuren te slaan, heb ik geëist dat mijn naam van het programma werd gehaald. Dat is het enige wat je in zo'n geval kunt doen.”

Ondanks deze ervaring is Paul Gallis, ruim een maand nadat hij aan De Koopman van Venetië begon, vol goede moed over de afloop van dit project. Na een paar gesprekken met Thijs, maakte hij een week geleden wat tekeningen en een "kladmodelletje' van het decor dat inmiddels, in onderling overleg, alweer aan de kant is gezet. “Het uitgangspunt was een reeks haast onmerkbare changementen, die de kijkers meevoerden naar steeds een ander deel van Venetië. Na een avondje praten waren we het er over eens dat het resultaat op deze manier te illustratief werd. Er staat me nu een soberder oplossing voor de geest, maar de vorm daarvoor moet ik nog zien te vinden.”

Zorgen daarover maakt Gallis zich niet. Hij stelt zich voor om, op basis van nieuwe inzichten, de komende weken een maquette te maken op een schaal van 1 op 20. “Het is belangrijk een ontwerp driedimensionaal uit te werken, pas dan krijg je een beeld van de ruimteverdeling en het effect van de kleuren. Vroeger probeerde ik in dit stadium de zaak een beetje te verdoezelen, allerlei moeilijkheden die zich later op het toneel kunnen voordoen moffelde ik weg. Mijn motto was: als het er eenmaal staat, zien we wel weer verder. Inmiddels ben ik zo verstandig nadrukkelijk te wijzen op de nadelen die het ontwerp kan hebben: elke hobbel, iedere vorm van mogelijk leed stel ik aan de orde. Op die manier kan niemand later zeggen dat ik mijn ideeën doordrukte of het gezelschap een kat in de zak verkocht.

“Deze "openheid' kan leiden tot het welbewust aanvaarden van een risico, zoals het plaatsen van de trap die in Als wij doden ontwaken het hele toneel vulde. Maar deze aanpak maakt ook de conclusie mogelijk dat het ontwerp niet functioneert of de aandacht te veel afleidt. Wanneer we het daar vroeg genoeg met elkaar over eens zijn, is er nog tijd voor een andere opzet.”

Vandaar dat Paul Gallis waarde hecht aan een lange periode van voorbereiding. Het liefst zou hij uitgaan van de norm van regisseur Sam Bogaerts, die wil dat acteurs de kans krijgen twee maanden in decor te repeteren. In de praktijk lukt dit niet, maar Gallis probeert ervoor te zorgen dat bij de eerste leesronde van het stuk de maquette klaar is. Onmiddellijk daarna maakt hij de werktekeningen, zodat de bouwfase kan beginnen. In die periode is hij een paar keer per week in het atelier om met timmerlieden en technici oplossingen te vinden voor de lopende problemen.

“Deze hebben vaak te maken met het reizen waartoe de gezelschappen zijn veroordeeld. Buitenlandse groepen hebben op tournees vaak zeven opleggers tot hun beschikking, maar wij moeten de hele zaak plus alle geluidsapparatuur in twee trucks persen. Een extra vrachtwagen, zoals eerst voor Vastgoed BV nodig leek, betekent een uitgave van 35.000 gulden - evenveel als de kosten van een compleet decor. Tijdens het ontwerpen houdt dit me voortdurend bezig; ik ben me ervan bewust dat een grote ronde zuil of een wand met zijstukken, hoe functioneel ook, tijdens het vervoer te veel ruimte vergen. Sommigen in het vak zien dit dictaat van maten en vormen als een leuke uitdaging, maar dat is onzin. Ik kan verzekeren dat het geen enkele vreugde biedt om net zo lang aan een decor te sleutelen tot het in de auto past.”

11 juni

Bij onze tweede ontmoeting, twee maanden later in zijn Amsterdamse grachtenhuis, verkeert Paul Gallis in mineurstemming. Al in de gang vertelt hij dat de geschiedenis zich voor een deel heeft herhaald: geruime tijd nadat zij het samen eens waren geworden, wees Ger Thijs het ontwerp van Gallis vorige week af. “Tien minuten nadat ik voor een korte vakantie in Italië was aangekomen, belde hij me op. Misschien wil hij nog eens zijn instemming betuigen, dacht ik even. Maar zijn boodschap was anders: bij nader inzien kon hij met dit decor niet werken, het gaf hem het gevoel dat er een klamme hand om zijn hart lag. Mijn reactie leek op die van vijf jaar geleden: ook ditmaal was ik, na alle gesprekken die we hadden gehad, met stomheid geslagen.”

Gallis laat de afgekeurde maquette zien: een impressie van een wondermooi Venetië dat, als zo vaak in de winter, kampt met wateroverlast. Om die reden speelt de handeling zich af op een stelsel van plankiers dat in steeds wisselende patronen de toneelvloer beslaat. Voor de scènes in Belmonte gaat een deel van de vlonders omhoog om zich vervolgens om te vormen tot een fontein.

“Een paar keer heb ik hem gezegd dat dit ontwerp het niet makkelijker maakt om op het podium rond te lopen, maar Ger Thijs aanvaardde dat”, stelt Gallis. “Toch schrikt hij nu terug voor de consequenties. Waarschijnlijk komt dat door zijn ervaringen met Iphigenie in Tauris en Schnitzlers De eenzame weg, voorstellingen waar dominante decors hem een mise-en-scène oplegden. Ik kan me indenken dat hij benauwd is dat het weer dezelfde kant opgaat, maar ik neem hem kwalijk dat hij nu pas met zijn bezwaren komt. Als een ontwerp wordt afgekeurd op de punten waarvoor ik zelf al waarschuwde, vraag ik me af hoe serieus een regisseur mijn informatie neemt. En ook hoe belangrijk hij mijn werk vindt.”

Paul Gallis stelt dat een goed decor een visie op een stuk uitdrukt, iets aan de tekst en het spel toevoegt. In het begin van zijn carrière zocht hij het in een hyperrealistische stijl, die uitging van een bijna maniakale aandacht voor details. Zo maakte hij in de jaren zeventig voor De Heldentenor bij Fact een marmeren hotelsuite anno 1900 en voor Preparadise Sorry Now (De Appel) een betegelde ruimte met lekkende douches en een urinoir. Hoewel hij nog weleens in deze trant werkt, zoals bij het RO Theater was te zien in De Straat, zoekt Gallis het tegenwoordig in "een andere verhouding tot de werkelijkheid': een benadering die spelers en publiek kans biedt hun fantasie te activeren. Dit leidt tot soms monumentale, bewerkelijke en volgens de verhalen nu en dan moeilijk te hanteren decors. Voor Het Jachtgezelschap van Botho Strauss schiep hij bij voorbeeld een ruimte die van vierkant tot rond en van groot tot heel klein was te tranformeren; ter aankleding waren er stoelen, een tafel en een pick-up vervaardigd uit geweien.

“Ik heb graag weerwerk, dus over alles valt te praten”, zegt hij. “Verschillen van inzicht kunnen een impuls geven tot verbeteringen. Ditmaal is jammer genoeg het tegendeel het geval. "Maak maar iets waar ik geen last van heb', zei Ger Thijs. Geen last: dat is niet wat je noemt een stimulerende term.”

Heen en weer lopend door zijn appartement, kondigt Gallis aan geen haast te maken met een nieuw ontwerp: “Thijs moet maar even in onzekerheid blijven, ik heb voorlopig andere dingen aan het hoofd.” Binnen een etmaal moet hij bij voorbeeld in Engeland zijn om te praten over de bouw van een reusachtige trap, een belangrijk onderdeel van zijn decor voor Joop van den Endes musical Cyrano. Dan moet hij zich nog wijden aan de drie eenakters van Pinter, waarmee Toneelgroep Amsterdam straks het nieuwe seizoen opent. Tussendoor wil hij nog enige tijd doorbrengen in zijn huis bij Turijn, dat een ingrijpende verbouwing ondergaat. “We moeten maar zien of daar tussenin nog tijd overschiet voor De Koopman van Venetië”, zegt hij bij het afscheid.

14 augustus

Negen weken later maakt Paul Gallis een vermoeide indruk. De technische voorbereidingen voor Cyrano eisen zoveel tijd, dat hij 's nachts om drie uur op moet staan zodat hij een uur later in theater 't Spant te Bussum aanwezig kan zijn. Dank zij de eerste inspeciënt is de sfeer daar goed (“als het tegenzit, is zo'n man een graftak”), maar de nachtrust blijft inmiddels beperkt tot "een paar uur liggen'. Voor het daar deze dag van komt, meldt hij dat onlangs alsnog overeenstemming is bereikt over een nieuw decor voor De Koopman: “Van de zomer had ik er een tijdlang de schurft over in, maar alles is nu vergeven en vergeten. We gaan uit van acht verplaatsbare zuilen die, draaiend om hun as, aangeven of de handeling zich afspeelt in Venetië, in een rechtszaal dan wel in Belmonte. Vorige week heb ik alles uitvoerig besproken met de mensen van het atelier en het hoofd van de techniek. Onderzocht wordt nog of het mogelijk is de zuilen motorisch te bewegen, maar zeker is wel dat ze tijdens de Belmonte-scènes aan de binnenkant luxueus, bijna kitscherig zijn verlicht.”

Toch had hij hierover nog "een aanvaring' met de regisseur. “Tot mijn schrik bleek op zeker moment dat Ger Thijs die scènes wil laten spelen bij klaarlichte dag, maar dan is het effect van die verlichte zuilen natuurlijk weg. Daar hebben we even over geruzied: "Het gebeurt gewoon niet' riep ik, maar de tijd moet nog leren of hij van zijn plan afstapt.”

15 september

Een half etmaal na een "try-out' van Cyrano, inspecteren Gallis en zijn stagiaire Gavin Janet in het atelier van het Nationale Toneel de bouw van het zuilendecor. Veel blijkt nog niet naar wens: de op het hout aangebrachte steenstructuur is te kledderig, op het achterdoek van 170 vierkante meter zijn scherpere contrasten nodig (“vorige keer liep ik daar ook al over te zeuren”), een rol Polylux-supercristal-plastic voldoet niet (“met de leverancier heb ik 83 keer gebeld, ik krijg er nu een kunstkop van”) en het licht in de zuilen dient meer power te krijgen.

“Je kunt als ontwerper bedenken wat je wilt, maar als het niet goed wordt uitgevoerd hang je”, zegt hij even later, in de auto op weg naar de schouwburg. “Ze hebben op het atelier vaak goede ideeën, maar soms komt er een voorstel waarvan ik zeg: als je het maar uit je bolle hersens laat. In dit opzicht ben ik een ijzeren Hein geworden, ik weet precies wat ik wil. Vroeger was dat anders, toen ik in dit vak begon was ik nog zoekende. Eerst wilde ik acteur worden, maar omdat ik aan één oog blind ben stuurden ze me op de Toneelschool weg. "Zó kan je het podium niet op, ga maar wat anders doen', werd er gezegd. Na enkele jaren op een accountantskantoor kwam ik door een toeval toch terecht in de theaterwereld. Niet dat ik tussen de kantoormensen ongelukkig was, maar dit werk vond ik leuker.” In het Haagse centrum komt Paul Gallis tot de ontdekking dat het Prinsjesdag is. De mensenmassa, de overal geparkeerde touringcars en de afzettingen kunnen hem echter niet weerhouden. In een voor het verkeer gesloten straat wordt hij staande gehouden door een politieman, die gevoelig blijkt voor de sfeer van urgentie die Gallis uitstraalt. Honderd meter verder jaagt de portier van de schouwburg hem echter bars weg: “Ja, dat kennen we - even de auto hier neerzetten. Die wagen moet onmiddellijk verdwijnen!” Iets mompelend over de fantastische medewerking die hij van "dit bedrijf' krijgt, schuift Gallis even later aan bij een groepje mensen dat zakelijk de laatste problemen van De Koopman doorneemt.

Tijdens de bespreking fluistert Ger Thijs me in een hoek van het vertrek toe hoezeer hij het praktisch inzicht, ja de efficiency van de ontwerper bewondert. “Hij gaat heel economisch om met zijn vondsten. Ik ben springeriger, veel eerder geneigd iets weg te gooien en wat anders te proberen. De eerste opzet voor De Koopman was mooi maar gaf me nachtmerries: het idee dat er een zeer precieze mise-en-scène voor nodig was, greep mij naar de keel.”

Inmiddels zijn de problemen uit de wereld. “Het nieuwe decor is effectief en geeft me geen last”, meldt Ger Thijs nog steeds fluisterend. “Ik ben er erg gelukkig mee.” Aan de andere kant van de kamer duurt de vergadering voort.

21 september

Staande op de schuine toneelvloer van Cyrano in de Amsterdamse Stadsschouwburg, toont Paul Gallis zich verheugd over de ontvangst die de musical dezer dagen kreeg. Dat zijn aandeel in de recensies nauwelijks ter sprake kwam, verbaast hem niet. “Zo gaat het meestal, ik weet niet beter. Nederlandse critici zijn nu eenmaal meer geïnteresseerd in de tekst dan in de vorm. Aan kostuums en belichting besteden zij weinig aandacht en maar weinigen van hen zien in wat een decor voor een voorstelling kan betekenen. Cyrano zit vol met changementen die, ondanks een trap van 7500 kilo, vloeiend verlopen. Het is jammer dat niemand zoiets opmerkt.”

Toch kreeg Gallis vorig jaar wegens zijn "bijzondere verdiensten' de Prosceniumprijs, maar het belang ervan acht hij betrekkelijk. “Ik vraag me af waarom ze me die onderscheiding hebben gegeven. Waarschijnlijk bedacht men zich opeens dat het vijftien jaar geleden was dat aan iemand in mijn vak zo'n prijs werd toegekend. Zo gaan die dingen, daar moet je mee leren leven.”

Hetzelfde geldt, zegt hij, voor tegenslagen tijdens het werk. Zo moest hij na een proefvoorstelling van de Pinter-eenakters, nu tien dagen geleden, de helft wegzagen van het bij nader inzien te overheersende decor. Maar met De Koopman van Venetië loopt alles nu naar wens. Het ziet ernaar uit dat de zuilen motorisch worden bewogen en de belichting tijdens de Belmonte-scènes diffuus blijft. “Ger Thijs is het daar nu wel mee eens. Maar wie weet wat er de komende dagen nog gebeurt”, zegt Paul Gallis berustend.

29 september

Het decor vult voor het eerst het podium van de Koninklijke Schouwburg en iedereen is tevreden: het bijgewerkte achterdoek is imposant en de acht zuilen functioneren goed, ook al moeten de rails waarover zij lopen worden vervangen door andere. Wat de Belmonte-belichting betreft gaat alles nog naar wens. Maar Paul Gallis houdt een slag om de arm: “Pas op de avond van de première ben ik redelijk zeker van mijn zaak.”

    • Paul Hellmann