Wacht even

Stijve benen, schurende ademhaling, plotseling voorhoofdszweet - mijn verkoudheid verdedigt haar laatste posities en dwingt nu en dan tot een oudemannenpauze. Sta even stil, wacht even af.

Stil staat ook het bos om je heen en in het afwachten manifesteert zich het hoge gescharrel van mezen - kool, kuif, pimpel, elk met zijn eigen geluidje, zijn eigen plekje.

Gehuld in een wolk van tsjirp-klanken, rollend als de erwt in een scheidsrechtersfluitje, komt bovendien een club staartmezen aanzetten, bleek bevederde pingpongballetjes met een zwarte steel. Maar wat je hoort krijg je lang niet in dezelfde mate te zien. Zo klein, zo beweeglijk.

Altijd in vereniging, toch ieder op zichzelf, zo trekken staartmezen over de wereld. Altijd opgewekt, altijd in gesprek. En volkomen onverstoorbaar. Ze geven je het gevoel van een boom tussen de bomen - dat ze elk moment op je kunnen neerstrijken om mouw, kraag en hoofd op eetbaarheidjes te inspecteren, dat het stom toeval is dat je wordt overgeslagen. Niet dat ze een hekel aan je hebben, bang voor je zijn, alleen maar toeval. Als een mistvlaag trekt dat volkje langs je op. En wat voor kwaad kan een mens in een mistvlaag?

Ik denk weleens dat de natuur bedoeld is om ons een plezier te doen. Vooral bij staartmezen.

    • Koos van Zomeren