Verwoestend schatgraven; Mijnbouwbijbel legt schade en uitbuiting bloot

The Gulliver File. Mines, people and land: a global battleground. Door Roger Moody. Minewatch, London/WISE-Glen Aplin, Australie 1992

Prijs: f 500,-. ISBN 90 6224 999.

”De mijnbouwindustrie is een gigantische reus, die net als Gulliver door een miljoen zijden strengen wordt vastgehouden.' Deze verzuchting komt van Charles Barbour, vice-voorzitter van het American Mining Congress. Milieu-activisten en tal van inheemse volkeren zijn de moderne lilliputers die met de zijden draden de mijnbouw aan banden leggen. In Gulliver file, een omvangrijke studie (894 pagina's) naar de mijnbouwindustrie, legt Roger Moody uit waarom de mijnbouw in haar activiteiten zo gedwarsboomd wordt.

Het winnen van goud, uranium, koper, bauxiet en ijzer stuit de laatste dertig jaar steeds meer op kritiek. De milieubeweging wijst op de landschappelijke vernieling en de grote hoeveelheden afval die met mijnbouwactiviteiten gepaard gaan. Inheemse volkeren, op wier grondgebied vaak mineralen of metalen ontdekt worden, komen in opstand tegen de exploitatiezucht van de mijnbouwmaatschappijen. Als de vondst van mineralen tot ontginning van het gebied leidt, betekent dit vaak een gedwongen verhuizing. Maar ook als dat niet het geval is, ondervindt de bevolking de schadelijke gevolgen van de mijnbouw: zij worden ziek door de schadelijke afvalstoffen, hun bestaanswijze wordt aangetast, bijvoorbeeld doordat landbouwgrond door de mijnbouw verloren gaat. Bovenal wordt hun een culturele verandering opgedrongen. Een schrijnend voorbeeld vormen de Australische Aboriginals. Het belangrijkste uraniummijnbouwbedrijf in Australie, Ranger Mine, wint sinds de zeventiger jaren uranium in het Northern Territory. In ecologisch opzicht bleek de uraniummijnbouw al snel rampzalig: wegsijpelend radioactief afvalwater besmette het grondwater en vormde een groot gevaar voor de gezondheid. Emissies afkomstig van opslagplaatsen voor radioactief afval leverden niet alleen gevaar op voor de Aboriginals zelf, maar ook voor de inwoners van een nabij gelegen stadje en voor de honderdduizend jaarlijkse bezoekers aan het nationale park van Kakadu. De beloofde economische voordelen van de uraniumwinning, zoals werkgelegenheid en financiele compensatie, bleken in de praktijk zwaar tegen te vallen. De jachtterreinen verdwenen, vissen stierven door besmet en vervuild rivierwater en heilige plaatsen werden vernietigd. Na een openbare debat van twee jaar, het langste debat dat wereldwijd aan uraniummijnbouw is besteed, kreeg Ranger toestemming om met de winning door te gaan. Protesten van zowel Aboriginals als van internationale milieugroeperingen ten spijt.

Niet altijd zijn inheemse volkeren tegen mijnbouw. De winning van een metaal of grondstof kan voor hen een belangrijke bron van inkomsten betekenen. De kritiek betreft dan eerder het feit dat er voor de plaatselijke bevolking te weinig of niets aan de strijkstok blijft hangen. Eind 1990 trok CRA - een van de grootste mijnbouwmaatschappijen ter wereld - zich terug uit Bougainville, Papua New Guinea, waar de firma koper won. Een overwinning van de plaatselijke bevolking, die zich hevig en langdurig had verzet tegen de mijnbouwactiviteiten, omdat zij door de koperwinning ernstig belemmerd werd in haar middel van bestaan, de cacaoteelt. Toch staat het nog niet vast of dit het eind van de koperwinning betekent. Een deel van de inwoners zou - onder gunstiger voorwaarden dan die CRA bood - hun bodemschatten wel willen blijven exploiteren. Soortgelijke verdeelde opvattingen onder de bevolking zien we ook onder gemeenschappen van Alaska.

Duurzame mijnbouw

Is mijnbouw dan niet altijd een verdachte aangelegenheid? Brengt zij met haar activiteiten niet altijd onvermijdelijk schade aan het milieu toe? Of bestaat er ook zoiets als ”duurzame mijnbouw'? Moody staat hier sceptisch tegenover. Nog voordat de mijnbouw daadwerkelijk begint, begint de beschadiging van het milieu al. Proefboringen, het aanleggen van wegen, het verwijderen van delen bos ten behoeve van het onderzoek vernietigt van te voren al een deel van het ecosysteem en als het mijnbouwproces echt is begonnen, wordt het nog erger. Oppervlakte mijnbouw is in dit verband weliswaar schadelijker dan ondergrondse mijnbouw, maar de schade die ondergrondse mijnbouw aan het milieu berokkent, moet volgens Moody niet worden onderschat. Hij wijst op het gevaar van het instabiel worden van de bodem, wat zelfs aardbevingen tot gevolg kan hebben. Het idee dat kleinschalige mijnbouw uit ecologisch oogpunt wel acceptabel zou kunnen zijn, acht hij evenmin juist. Als voorbeeld noemt Moody de winning van goud, waarbij - zoals in Brazilie - duizenden garimpeiros (goudzoekers) rivierbeddingen afstropen op zoek naar het edele metaal. Kwik wordt gebruikt om het goud van andere metalen te scheiden. Het kwik wordt daarna verwijderd en komt op den duur in de voedselketen terecht, met alle kwalijke gevolgen vandien.

Mijnbouw is dus in ecologisch opzicht per definitie schadelijk. Maar dat is voor Moody niet het voornaamste punt. Het gaat hem vooral om het aan de kaak stellen van de verschillen tussen degenen die profiteren van de mijnbouw en degenen die door de mijnbouw benadeeld worden. ”Waar komt het geld, het gereedschap en de expertise voor al die onverantwoordelijke mijnbouwactiviteiten in Zuid Amerika of Afrika vandaan? En wie koopt en bewerkt de opbrengst? In wiens auto's, computers en supersonische luchtmacht verandert de bauxiet, ijzer of titanium van gedaante?' Als duidelijkste voorbeeld van de ongelijkheden noemt Moody de winning van uranium, die hoofdzakelijk plaats vindt op inheems grondgebied. De bevolking ontvangt zelden een vergoeding voor het verlies van de bodem, en ze profiteren nooit van de elektriciteit, die met behulp van de uranium is opgewekt.

Het boek leest niet als een studie over het wel en wee van de mijnbouwindustrie. Daarvoor is de opzet te gefragmenteerd. De invalshoek is de beschrijving van de verschillende mijnbouwbedrijven. Ruim 650 mijnbouwmaatschappijen krijgen een apart hoofdstuk in dit naslagwerk. Veel van hen onderhouden dwarsverbindingen met andere firma's. En veel van hen bewegen zich op een heel breed terrein: het aantal firma's dat zich uitsluitend tot de winning van één grondstof of metaal beperkt is gering. Rio Tinto Zinc (RTZ) bijvoorbeeld draagt zorg voor 15 procent van alle koperwinning ter wereld. Daarnaast wint de firma ook ijzererts in China, uranium in Ontario, goud, nikkel en ferrochroom in Zimbabwe, uranium in Zuid-Afrika en gaat RTZ in de toekomst ook op de zeebodem grondstoffen winnen. Er is geen continent ter wereld waar RTZ geen mijnbouwactiviteiten ontplooit, aldus Moody. Aan RTZ besteedt het boek dan ook veertien pagina's rijk gedocumenteerde tekst. Andere bedrijven krijgen een beduidend kortere omschrijving, sommige slechts enkele regels. De indices geven ontsluitingen op firmanaam en op land. Helaas ontbreken indices op gewonnen grondstof en op de namen van inheemse volken.

Het is een baanbrekend boek. De historische beschrijvingen van de verschillende bedrijven geven snel inzicht in de mijnbouwproblematiek. Het boek geeft een schat aan cijfermateriaal, terwijl het uitstekende bronnenmateriaal het achterhalen van achtergrondinformatie mogelijk maakt. Gehoopt mag worden dat van dit werk van tijd tot tijd een geactualiseerde versie zal verschijnen.