Strijd om spel, Spel om strijd

Het is maar Spel. Legermuseum Delft (t/m 4 april), Zuidhollands Verzetsmuseum Gouda (t/m 25 april), Defensievoorlichtingscentrum Den Haag (t/m 10 februari).

De strijd van de Duitse terreurorganisatie RAF begon in 1968 op de speelgoedafdeling van twee warenhuizen in Frankfurt. Samen met enkele getrouwen stichtte Andreas Baader brand om te protesteren tegen het aldaar verzamelde wapentuig, dat als een afspiegeling van het Amerikaanse imperialisme werd gezien. In de stadsguerrilla die volgde zouden tientallen activisten, gezagsdragers en politieagenten het leven laten.

Zo op het eerste gezicht lijken de tegenstanders van oorlogsspeelgoed daarmee meer doden op hun naam te hebben dan van de producenten gezegd kan worden. Dat neemt niet weg dat vechtspeelgoed een gevoelige aangelegenheid blijft. Recent onderzoek door de vakgroep orthopedagogiek van de Rijksuniversiteit van Leiden wijst uit dat 42 procent van de Nederlandse opvoeders zijn kroost liever niet bewapend de straat op stuurt.

De discussie over gevechtsspeelgoed kreeg een nieuwe impuls met de introductie van de Supersoaker, het moderne watergeweer dat moeiteloos tientallen meters ver schiet. Een afstand die een beetje creatieve schutter voldoende mogelijkheid biedt om uit handen van zijn woedende slachtoffer te blijven. En dan is er nog de minder tastbare, maar minstens zo bedenkelijke agressie die uitstraalt van de uit Amerika overgewaaide Ninja-turtles of de nachtmerrieverwekkende oorlogsmachines die onder de naam Transformer op de markt worden gebracht.

Dat oorlogs- en gevechtsspeelgoed en dito spelletjes van alle tijden zijn is te zien op de gecombineerde tentoonstelling Het is maar Spel. In het Legermuseum in Delft, het Defensievoorlichtingscentrum in Den Haag en het Zuidhollands Verzetsmuseum in Gouda is deze expositie de komende maanden te bezichtigen. Van tinnen soldaatjes tot miniatuurtanks en van zelfgemaakte pijl en boog tot een niet van echt te onderscheiden machinepistool. Defensie heeft een F-16 cockpit met computergestuurde vluchtanimatie in haar voorlichtingscentrum opgesteld. De natuurgetrouwe crash die hiermee uitgevoerd kan worden belooft nu al de topattractie van de tentoonstelling te worden.

De titel van de tentoonstelling suggereert een zekere lankmoedigheid en de samenstellers van Het is maar Spel waken er dan ook zorgvuldig voor een moreel oordeel uit te spreken over het gebruik van gevechtsspeelgoed. “We komen niet met een opgestoken vingertje”, zegt historicus Klaas Kornaat, “Mensen moeten hun eigen conclusie maar trekken.” Kornaat, wiens eigen cowboypak in de verzameling prijkt, lijkt in ieder geval geen blijvende emotionele schade opgelopen te hebben van het cowboytje spelen.

Maar hoe zit het met al die andere jongens en meisjes die elkaar enthousiast te lijf gingen met plastic hellebaarden, katapulten en blaaspijpen? Hoe liep het af met de kleuters die begin jaren zestig het ongeluk hadden een indianenpak te krijgen en daarmee veroordeeld waren om na een wilde achtervolging door een krijsende meute het grootste deel van het speelkwartier vastgebonden aan een boom door te brengen?

Volgens onderzoekers blijft de schade beperkt. De agressie in spelletjes berust op fantasie en een rolverdeling die tevoren is vastgesteld, zo blijkt uit het eerder aangehaalde universitaire onderzoek waarvan de eerste resultaten ter gelegenheid van de tentoonstelling zijn bekendgemaakt. Echte meppartijen als gevolg van gevechtsspelletjes zijn zeldzaam en bovendien betreft het dan kinderen die vanuit zichzelf al agressief zijn, aldus onderzoekster dr. Joop Hellendoorn. “Volwassenen idealiseren de kindertijd te veel, terwijl het in werkelijkheid natuurlijk niet allemaal zo fijn is wat je meemaakt. Het is normaal dat dat in een spelsituatie wordt verwerkt.”

Voor het onderzoek werden bijna zestig kleuters in groepjes van drie aan het spelen gezet. Het vechtspeelgoed bleek zeer in trek, ook bij kinderen uit gezinnen waar dergelijke speeltjes taboe zijn. De jongens spendeerden gemiddeld tweederde van de hun toebemeten tijd aan het voeren van oorlog en gevecht. Het klassieke lijf aan lijf gevecht met het zwaard mocht zich daarbij nog steeds in een grote populariteit verheugen, terwijl ook de klapperpistolen en de gespierde Ninja-schildpadden gretig aftrek vonden.

Opmerkelijk was de inzet van de meisjes. In tegenstelling tot hun Amerikaanse seksegenootjes, die in een vergelijkbaar onderzoek liever het fornuis opzochten of met de babypop in de weer waren, verkeerde het vrouwelijk deel van de Hollandse testgroep voor eenderde van de speelduur onder de wapenen. Een sluitende verklaring voor dit fenomeen ontbreekt vooralsnog.

Al het kindergeweld zou bijna de aandacht afleiden van het werkelijke probleem: agressie bij volwassenen. Wat maken Stratego, de nationaal-socialistische variant van het schaakspel (Wehr-Schach) of de nagebootste slag bij Waterloo wakker aan zorgvuldig onderdrukte moordlust? Hoeveel relaties en vriendschappen sneuvelen tijdens de woede-uitbarstingen die niet zelden het gevolg zijn van een spelletje Risk? Of kan er aan vechtspelletjes juist een belangrijke therapeutische waarde toegekend worden? Vragen waarop ook de Rijksuniversiteit van Leiden het antwoord schuldig blijft. Nader onderzoek is geboden.