Rebelse vormgeving uit Berlijn; De punk gaat op chique, ook voor mensen zonder hanekam.

Tentoonstelling Berlin-Berlijn. T/m 14 okt. Artful Facilities, Paleisstraat 107, Amsterdam (020-6209760) en Westerkade 27, Rotterdam (010-4367724). Wo t/m zo 12-18u.

Uit een stad als een ommuurde enclave komt kwaaie kunst. Waar de grenzen van prikkeldraad en kogels zijn, ontstaan tafels van plaatstaal en stoelen van roestig ijzer. Zo was het Berlijnse design dan ook: robuust, op het norse af; zwaar, zwaarmoedig ook. Berlijn is nu geen enclave meer maar hoofdstad van een wereldmacht. Is de neerslag van deze verandering merkbaar in de nieuwste materiële cultuur? In een poging die vraag te beantwoorden heeft Artful Facilities een expositie georganiseerd met werk van liefst 23 jonge Berlijnse ontwerpers.

Artful Facilities is een samenwerkingsverband van twee galeries in Amsterdam (Galerie Kunst in Serie, KIS) en Rotterdam. Dit verband moet vertakkingen krijgen in Den Haag, Groningen, Arnhem en Enschede. Jaarlijks worden drie gezamenlijke projecten geëntameerd: een prijsvraag, een tentoonstelling van eindexamenwerk van de kunstacademies en een expositie rond het thema "Europe in Design'. Dit jaar heeft samensteller Willy Lamain het zwaartepunt gelegd bij Berlijn, met daarbij - ter relativering? - een aantal aerosol-kunstwerken van voormalige graffiti-kunstenaars uit Amerika.

“Voor de val van de Muur was in Oost-Berlijn geen plaats voor individuele ontwerpers,” zegt Lamain. “Ook nu zie je dat ze nog slecht zijn georganiseerd. In West-Berlijn waren vormgevers gewend in collectieven te werken, waarvan de bekendste Berlin Form en Trisign zijn. In het voormalig Oost-Berlijn volgt men dat nu na, in min of meer getolereerde kraakpanden, zoals "Kunsthof Silberstein'.” Is het verschil ook te zien? “Beide hebben dat tegendraadse,” zegt Lamain. “Het werk uit het oosten is hooguit nog zwaarder, wanhopiger misschien. De Muur is weg, maar het is daar nog geen feest.”

Met of zonder Muur, het vakmanschap van deze jonge Duitsers is er niet minder om. Hun stoelen, tafels, lampen, kandelaren en schalen - sommige in kleine oplagen, de meeste unica - zijn opvallend goed gemaakt. Christian Weiss buit het technisch imago helemaal uit: zijn lampen van staal en messing lijken apparaten uit de werkplaats van een instrumentenmaker. Met eenzelfde eenvoud en precisie, maar net een slag meer poëzie, heeft Peter Mitscherling van Berlin Form een verrassend lichtvoetige vorm gegeven aan zijn kandelaar van ongeveer een meter hoog: twee dunne staven waarvan er een zigzagt als een bliksemschicht. Hieraan verwant is de lamp van Thomas von Flemming, een halogeenlampje geregen aan de gespannen draad van een sierlijke handboog. Even geraffineerd is de schaal van gepolijst staal van Claus Boeckh dat op de tentoonstelling in Rotterdam staat. Tussen zulke welsprekende ontwerpen lijdt de koffietafel van Stiletto, een wastrommel met een lampje erin en een glasplaat erop, aan een lichte overdaad aan humor.

De ruimtes in Rotterdam en Amsterdam verschillen overigens nogal van elkaar in sfeer: terwijl de eerste in een fraai patriciërshuis is gevestigd, zit de tweede (galerie Kunst In Serie, KIS) in een voormalig kraakpand. Met het verdelen van de objecten is daar rekening mee gehouden: Rotterdam toont de kleinere, wat verfijndere objecten en Amsterdam de grote ruwe.

Het werk van Jorg van Kruse is ongeveer wat ik me bij Berlijnse vormgeving had voorgesteld: stoer, op het industriële af, maar met stijl. Een chaise longue van twee gebogen staalplaten bij voorbeeld met daarop een perzikkleurig kussen. Een knoeperd van een bureau bestaand uit een stalen onderstel en een glasplaat erop. Een stoel van een rechte en een gebogen staalplaat met zwarte suède rug en zitting. Punk gone chic, ook voor mensen zonder hanekam.