Parlement dreigt kleurloos en tam te worden; Profiel en prestige hangen samen met de bekendheid bij de bevolking van individuele Kamerleden

Moeten volksvertegenwoordigers behoudens met zware redenen omklede uitzonderingen na twaalf jaren verdwijnen? Deze vraag staat al geruime tijd centraal in de interne CDA-discussie (bijvoorbeeld in het rapport Bestuurlijke Vernieuwing) maar kan ook meer in het algemeen worden gesteld.

Wanneer zo een maatregel wordt getroffen zal het aangezicht van bijvoorbeeld de huidige Kamer nogal ingrijpend worden gewijzigd.

Hoewel de argumenten pro zoals doorstroming, nieuw bloed, noodzaak van nieuwe "uitdagingen' voor politici en dergelijke niet onzinnig zijn, is het toch nodig de véél grotere nadelen van een dergelijke regel in het oog te blijven houden.

Profiel en prestige van het parlement hangen voor een belangrijk deel samen met de bekendheid bij de bevolking, of althans belangrijke delen daarvan, van individuele Kamerleden. De kans op herkenbare markante of zelfs monumentale parlementaire persoonlijkheden loopt sterk terug. Deze worden niet als zodanig geboren maar groeien in een lange, vaak weerbarstige parlementaire praktijk.

Wanneer men kijkt naar de personen naar wie als eerbetoon de belangrijkste zalen en vertrekken van de nieuwe behuizing van de Tweede Kamer zijn genoemd - Thorbecke, Groen van Prinsterer, Troelstra, Kuyper, De Savornin Lohman, Schaper, Romme, Tilanus, Drees, Schouten, Vondeling, Ds. Zandt, Mevr. Kappeyne v.d. Copello, de "freule' Wttewaal van Stoetwegen, mevr. Van Someren-Downer, Jongeling en Bakker - dan blijkt zulks zonneklaar.

Het gaat hier, op een enkele uitzondering (zoals Kuyper) na, vrijwel steeds om mensen die door een langdurig volksvertegenwoordigersschap - soms versterkt door een ministerspost - profiel en prestige verkregen.

In de huidige sterk ontzuilde tijd waarin min of meer anonieme partijgremia de selectie van volksvertegenwoordigers ter hand nemen, ligt dat niet anders. Een volksvertegenwoordiger gaat voor de burgers pas na een fors aantal jaren "leven'. Dan bezit hij ook de positie (belangrijke woordvoerderschappen, commissie-voorzitterschappen en dergelijke) die hem voor media - de brug tussen volk en volksvertegenwoordiging - interessant maken.

De christen-democratische stroming (vooral de protestantse) heeft historisch altijd sterk de nadruk gelegd op het unieke karakter van de volksvertegenwoordiging als hèt orgaan dat de samenleving eertijds bij de overheid vertegenwoordigde waarvan het later naast de Kroon ook deel uitmaakte.

De huidige voorstellen ademen veelal een bedrijfskundig geïnspi- reerde opvatting waarin men heel anders tegen een volksvertegenwoordiger, nu liever Kamerlid genoemd, aan kijkt. De volksvertegenwoordiger is in die visie minder een ambtsdrager met een eigen roeping die niet geheel is terug te leiden tot de partij als organisatie, maar meer een functionaris die diverse rollen (volksvertegenwoordiger, burgemeester, partijbestuurder enzovoorts) moet kunnen dragen. Daarbij klinkt het in managementkringen zo vertrouwde "keep moving' luid door.

De heer Schakel (die volgens de nieuwe norm veel te lang in het parlement heeft gezeten) wees al eerder terecht op het feit dat Kamerleden tijd nodig hebben om zich te ontplooien. Tegen de tijd dat de parlementariër gaat bloeien wordt hij afgesneden. Bovendien zal hij in zijn derde periode sterk in beslag worden genomen door het zoeken van een nieuwe baan.

Ten slotte is er een bepaald niet onbelangrijke vierde gevolg aan de maatregel verbonden.

Wie acht jaar heeft geïnves- teerd al dan niet in deeltijd (zoals sommigen willen) aan het slopende parlementswerk heeft weinig tijd energie en aandacht kunnen besteden aan andere bezigheden. De meeste carrièremogelijkheden buiten de publieke sector zijn onbereikbaar geworden. In de publieke sector zijn gelijkwaardige functies doorgaans slechts te vinden (burgemeester, lid belangrijk adviesorgaan, lid Hoge College van Staat, enzovoorts) met instemming of steun van de regering of afzonderlijke bewindslieden.

Hoewel de meeste naarstig naar een baan zoekende parlementariërs in hun laatste termijn zich niet in hun opstelling tegenover de regering zullen willen laten benvloeden ontstaat objectief gezien, nog gemakkelijker dan nu, de situatie de verleiding zich "wat soepeler op te stellen' in bepaalde debatten en kwesties.

Als de 12 jaren-norm algemeen zou worden, komt er een minder geprofileerd parlement waarvan de leden eerder als functionarissen worden gezien dan als volksvertegenwoordigers. Een parlement dat de nodige ervaring gaat ontberen en een vergrote kans loopt zich tammer op te stellen dan wenselijk is.

    • A.H.M. Dölle