Nieuwe

Eerste les.

Ik ken er geeneen. Veel lange lappen, boven de 1 meter 80. In totaal tussen de vijfentwintig en dertig stuks. Ze trachten zich krachtig te profileren. Dat wordt sleutelen de eerste weken, want ze moeten allemaal over mijn padje. Zelfwerkzaamheid, tijd voor een grapje, prima, maar vrijheid in gebondenheid, een beetje vrijheid in veel gebondenheid.

Kijk, daar is HIJ.

Je kent alleen je eigen leerlingen. Er zijn uitzonderingen. Toen HIJ nog in de eerste zat, niet bij mij in de klas, placht HIJ zich bij toevallige ontmoetingen als een idioot aan te stellen. Sindsdien groet HIJ me overal en altijd tussen vriendelijk en enthousiast in. Ik groet terug. Ik noem hem HIJ, want zijn naam ken ik niet. Ondertussen zijn jaren verstreken. Zijn gewicht is vooral door verticale groei verdubbeld. HIJ in mijn les, ik ben benieuwd.

Aan de andere kant van het lokaal gaat iets fout. Met misnoegen is een vriendelijke jongen weggecommandeerd door twee macho's en vervolgens beland tussen twee heren die nog meer kabaal maken. Dit is een DOOS, en dat terwijl het leerjaar net een dag oud is. Vreselijk. Wat moet ik doen? Hoe behandelt men DOZEN? Daar zijn cursussen voor, maar die heb ik niet gevolgd. Zou ik het vlug even op kunnen zoeken ergens? Snelle actie is geboden want de relatie van een DOOS met anderen versteent zo snel als natte gips.

DOZEN worden niet geboren maar gemaakt. DOZEN zijn de projectie van de gemiddelde leerling in een klasgenoot. Al de angsten van de modale leerling worden de DOOS toegeschoven. De DOOS symboliseert de verlegenheid, de aarzeling, de onhandigheid en vooral het isolement die voor iedere leerling dreigen. De DOOS is als het stoute beertje voor de kleuter en de Rus tien jaar geleden voor het Westen. Maakt een klas jou DOOS, dan kun je alleen maar zeggen: ""Ik ben er aan gewend.''

Dat is wat de DOOS zegt, als ik hem aanspreek. ""Je moet met hem samenwerken'', zeg ik de andere twee. ""Hij vraagt niets'', zeggen ze, met zo'n lachje. Ik zal het een les aanzien.

Tweede les.

Nee, het wordt niks. De twee heren praten en gesticuleren met zoveel overtuigingskracht langs, over en door de DOOS, dat van het negeren een vernietigende overtuigingskracht uitgaat: ""Jij bent lucht voor ons, bruikbare lucht.'' Wat een klootzakken. Maar ik kan ze niet dwingen.

Ik weet maar één oplossing: een herschikking. Ik haal de DOOS weg bij de heren en ruil hem in tegen een MEELOPER. De jongens kijken me verbijsterd aan, roepen uit: ""Maar, meneer.....?'', ""Waarom'', ""Wat een onzin...'' maar ik blaf en bluf over ze heen met een stortvloed van woorden. Handig, dat ik eigenlijk autoritair ben.

De DOOS zit nu naast een burgerlijk type, zo'n persoon die langzaam wakker wordt, die zich nog moet gaan verbazen. De burger weet misschien nog niet dat de DOOS een DOOS is. Dat kan z'n redding zijn. Kan.

Ik weet HIJ's naam. HIJ is HIJ niet meer, hij is nu gewoon een leerling.

    • Rob Knoppert