Neergang

Uit de jaren zeventig herinner ik me één slogan die me meer dan welke andere dan ook met weerzin vervulde.

Hij ging ongeveer zo: “Het onderwijs is niets anders dan een mechanisme ter reproduktie van de sociale ongelijkheid.” Hoewel ik de statistische waarheid ervan niet kon ontkennen (arbeiderskinderen gingen naar de lts, rijke kinderen naar het gymnasium), verafschuwde ik de theorie er omheen, die op mij een claustrofobische indruk maakte. Als vorm van privé-verzet begon ik tegenvoorbeelden te verzamelen van personen die, zoals dat heet, hun milieu ontstegen waren. Het aanleggen van een lijst van uitzonderingen ondergraaft natuurlijk niet het statistische verband tussen sociale klasse en opleiding, toch doet het me plezier als ik in de krant lees dat de vader van de heer Zalm (directeur van het CPB) van beroep kolenboer was. Dat houdt een beetje de moed erin.

Een paar weken geleden stond er een artikel in Elsevier over het verschijnsel 'zakken op de maatschappelijke ladder'. In toenemende mate blijken kinderen uit de middenklasse het beroeps- (en inkomens-) niveau van hun ouders niet meer te halen. Academische ouders krijgen te maken met kinderen die met pijn en moeite het Havo aflopen; kinderen van notarissen en hoogleraren leven van een uitkering of werken aan de balie van een reisbureau. De vloer van de middenklasse wordt steeds poreuzer en zo'n twintig procent van de kinderen zakt er doorheen.

Is dit nu een betreurenswaardige ontwikkeling of niet? Voor de ouders die hun kinderen minimaal een even goed bestaan toewensen als zij zelf hebben, is het treurig genoeg. Het aanschouwen van verval maakt onbehaaglijk, of het nu de neergang van het Romeinse Rijk, de Buddenbrooks of Martina Navratilova betreft.

Het opmerkelijke in de analyses van waar die val uit de middenklasse nu eigenlijk vandaan komt, is de invloed die aan het onderwijs wordt toegekend, meer specifiek, het dalende niveau ervan, de lagere eisen die gesteld worden en de diploma-inflatie. De diploma's van het voortgezet onderwijs stellen al niets meer voor op de arbeidsmarkt, en ook de titel drs. of mr. biedt geen garantie meer voor een comfortabel verblijf in de middenklasse. Volgens Elsevier is de ontwaarding van diploma's zelfs zo'n gevaarlijke tendens dat de kans bestaat dat voor het veroveren van een plaatsje aan de top niet-terzake-doende attributen als huidskleur, geslacht, afkomst, accent en culturele bagage weer gaan meetellen in de beoordeling.

Maar, nog afgezien van de maatschappelijke trend dat discriminatie op uiterlijkheden juist steeds minder acceptabel wordt bij sollicitaties, is deze conclusie in lijnrechte tegenspraak met de beginconstatering dat 20 procent van de middenklasse door z'n eigen bodem heen zakt. Er moeten immers mensen zijn die de aldus ontstane opengevallen plekken innemen en waar kunnen die anders vandaan komen dan uit de lagere sociale klassen? Als er sprake is van 20 procent neerwaartse mobiliteit in de maatschappij, moet zich tegelijkertijd ook 20 procent opwaartse mobiliteit voordoen. Als dat niet het geval was, zou er een schreeuwend tekort aan artsen, leraren, notarissen, managers, journalisten, ingenieurs en wetenschappelijk onderzoekers bestaan in Nederland. Nu, dat is zeker niet het geval.

Daarom bekruipt me een lichte wrevel bij het aanhoren van de middenklasse-lamentaties over de eigen neergang. De middenklasse gaat er helemaal niet aan onderdoor - er wordt wat meer stuivertje gewisseld tussen de sociale klassen, dat is alles. Wat niet wegneemt dat ik de individuele tragiek wel kan navoelen. Het is voor een willekeurig middenklassegezin veel moeilijker dan vroeger om vast te houden aan beproefde waarden als hard werken, doorzettingsvermogen, en het uitstellen van pleziertjes. Als deze waarden niet goed en wel geïnstalleerd zijn voordat de middelbare-schoolleeftijd bereikt is, komt het er niet meer van, omdat tegen die tijd geen sanctiemogelijkheden meer voorhanden zijn. Vijfentwintig jaar geleden maakten de meeste leerlingen hun huiswerk vooral omdat ze bang waren een beurt te krijgen op school of uit angst voor reprimandes van hun ouders bij gebleken wanprestaties. Maar op school is de sfeer verzakelijkt en zal geen leraar nog boos worden als een kind z'n stamtijden niet geleerd heeft (“dat is dan een 1 voor Tobias - jongen, als je niet werkt, heb je alleen jezelf ermee”). En hoe moeten ouders reageren op een slecht rapport? Niet met een uitgaansverbod, want dan breekt de hel pas goed los.

Met het wegvallen van de externe sancties om kinderen aan hun schoolwerk te houden blijft alleen de motivatie van binnenuit over als motor om vooruitgang te boeken. Literatuur lezen niet alleen voor de lijst, maar ook omdat je het leuk vindt. Je verdiepen in wiskunde, desnoods met tegenzin, omdat het nodig is voor iets wat je graag wilt doen. Zo'n houding geldt al snel als uitsloverig, dus zelfs als kinderen plezier hebben in een vak of er hard voor werken, proberen ze dat voor de rest te verbergen.

Het heeft weinig zin nostalgisch te doen over het peil van het onderwijs van twee generaties geleden. Een aanzienlijk aantal middenklaskinderen valt nu uit de boot, waar ze vroeger uit inschikkelijkheid voor autoriteiten in zouden zijn blijven zitten. Voor de maatschappij is dat geen verlies, want die plaatsen worden wel door anderen ingenomen. Voor de individuele betrokkenen kan het tragisch zijn.

Het hele pre-mammoetsysteem fungeerde als een uitwaaierende vloot beschermende bootjes, van ambachtsschool tot gymnasium voorzien van afzonderlijke bestemmingen, waarin kinderen werden neergevlijd met de belofte dat behouden vaart tot passend werk zou leiden. Het klinkt zo ouderwets dat het al bijna niet meer voorstelbaar is. Het mammoetsysteem heeft meer weg van een passagiersschip, met klasse 1 tot en met 3 reizigers, en de binnenkort te verwachten basisvorming giet het onderwijs in de vorm van een supertanker met een gigantisch ruim, waarin de passagiers door elkaar heen krioelen.

Dit alles gebeurt onder de vlag van de gelijke kansen. De voordelen van het opgroeien in de middenklasse (ouders die kinderen achter de vodden zitten en riskant gedrag domweg verbieden) kalven langzaam af met als resultaat dat de middenklasse-kinderen zelf de verantwoordelijkheid voor het op peil houden van ambitie en gedrevenheid moeten dragen. Dit geldt al sinds jaar en dag voor kinderen uit de lagere klassen. Gelijke kansen inderdaad. Maar wel een beetje op een junglemanier.